Het begint met een terugkeer: dwars door de diepste lagen van de aarde, de bodem vol wormen, de rotsen, de geschiedenis zelf (dat amalgaam van half vergeten, half onderdrukte herinneringen), wurmt de geest (is het een geest? Wurmen geesten zich door aardlagen?) van renaissancekunstenaar Francesco del Cossa (ca. 1430-ca. 1470) zich een weg omhoog, om zichzelf (zichzelf?) terug te vinden in de 21ste eeuw, om precies te zijn in de National Gallery in Londen, in een zaal waar een jongen (een meisje) geconcentreerd staat te kijken naar een schilderij dat hij (zij), Francesco del Cossa, maakte van de heilige Vincent Ferrer. Een lichaamloos lichaam (alleen twee ogen, en zelfs dat is onzeker) in een purgatorium vol figuren die vergeten uit hun ogen te kijken omdat ze voortdurend eigenaardige votieftabletten voor hun gezichtsveld houden.

En het begint met een terugkeer: een tienermeisje, George, voert een gesprek met haar moeder over, onder andere, Francesco del Cossa, in de tegenwoordige tijd, waarin haar moeder leeft, vanuit een andere tegenwoordige tijd, waarin haar moeder dood is.

Kunnen die twee tegenwoordige tijden naast elkaar bestaan, werkelijk tegelijk plaatsvinden? vraagt George zich af. Nee: dat zou zijn als een boek waarin twee teksten over elkaar heen zijn afgedrukt. Onleesbaar. Eerst het één dus, dan het ander. Eerst leefde haar moeder, daarna gaat ze dood. Behalve dat voor George het heden, dat waarin haar moeder al drie maanden dood is, maar geen heden wil worden. Net als de geest van Del Cossa, bevindt ze zich in een limbo: niet omdat ze zelf dood is, maar omdat ze moet zien te leven met de minst beantwoordbare vraag van allemaal: waar blijft een dierbare na het overlijden?

How to Be Both (2014) lijkt twee boeken in één: er is een eerste deel dat verhaalt over de hedendaagse George en haar dode moeder, en er is nog een eerste deel waarin de geest van Francesco del Cossa, die de wanden van het Palazzo Schifanoia in Ferrara van fresco’s voorzag, rondwaart in het heden en terugdenkt aan allerlei gebeurtenissen uit haar eigen verleden (ja: Smith – of George, daarover later meer – heeft van Del Cossa, over wie nauwelijks biografische informatie te vinden is, een vrouw gemaakt). Van de roman bestaan twee verschillende edities, waarin de volgorde van de twee delen van elkaar verschilt.

Wat komt eerst, vraagt George’s moeder Carol haar als ze, een paar maanden voor haar dood, samen zijn afgereisd naar Ferrara om de fresco’s van Del Cossa te bekijken: de onderliggende schets of de uiteindelijke tekening?

De schets natuurlijk, antwoordt George.

Maar het eerste wat we zien, de oppervlakte, antwoordt haar moeder, is vaak het enige wat we zien. Komt die niet eerst? En als we de tekening eronder niet zien, bestaat die dan wel? En wat komt eigenlijk eerst: wat we zien, of hoe we zien?

Vragen die George met haar ogen doen rollen, want van geschiedenis moet ze niets hebben: ‘History is horrible. It is a mound of bodies pressing down into the ground below cities and towns in the unending wars and the famines and the diseases, and all the people starved or done away with or rounded up and shot or tortured and left do die or put up against the walls near castles or stood in front of ditches and shot into them.’ Het enige goede aan geschiedenis, meent George, is dat ze voorgoed voorbij is.

Hoe geschiedenis nooit voorgoed voorbij is, in ons dna zit, ons dna ís, hoe alles en iedereen met elkaar verstrengeld raakt: daar gaat het om in deze roman (die een dna-streng is, een wervelwind, een flard van de songtekst Let’s Twist Again, en wat mij betreft Smiths allerbeste). Oppervlakte en diepte, jongens en meisjes (mannen en vrouwen), chaos en orde, fragmentatie en chronologie, de doden en de levenden, het heilige en het banale: alles is beide, en hoe je ziet is wat je ziet.

Dat alles leert George noodgedwongen in het rouwen om haar moeder, die abrupt uit haar leven wordt gesneden na een allergische reactie op antibiotica (en je kunt het niet helpen, bij zo’n boek, te denken aan de ironie van het geneesmiddel dat dodelijk is, niet voor de bacteriën die het hoort te doden, maar voor het lichaam dat al die micro-organismen huist – en hoe, vervolgens, de onzichtbare bewoners dat huis met z’n allen meedogenloos doen ineenzijgen).

Als geen ander laat Ali Smith zien dat experiment geen droge exercitie is, maar de bron van het leven – en de literatuur – zelf

Wat iedereen George ook vertelt over de vijf, zeven, negen, 123 stadia van rouw: geen van de voorgeschreven emoties lijkt duidelijk afgebakend, laat staan dat ze zich in keurige opeenvolging aandienen. Niettemin is er één duidelijke rode draad, een symptoom dat in de rouwpsychologie wordt omschreven als ‘verlangen en zoeken’. George zoekt haar moeder in ieder spoor dat er van haar overblijft, in een poging met háár ogen te kijken, met háár lijf te voelen, haar geest op te roepen in iets wat je een langgerekte, idiosyncratische seance zou kunnen noemen.

Ze kijkt intensief naar een stille super 8-film uit de jaren zestig, waarin haar moeder drie jaar oud is en in opperste concentratie, haar ellebogen vooruitgestoken in een te grote trui, een twist-dansje uitvoert. Op 1 januari van het eerste jaar zonder haar moeder, neemt George zich voor iedere dag hetzelfde dansje uit te voeren (zich ondertussen kapot ergerend aan onzinnige songteksten met woorden als ‘hummin’ en ‘summer’ die overduidelijk niet op elkaar rijmen). Ze kijkt naar films uit de jaren zestig: Godard en Antonioni, zoals valt af te leiden uit haar omschrijvingen. Zonder zich te verroeren zit ze de bijna tweeënhalf uur uit van een film die L’avventura moet zijn (‘It was about some people who go to a near-deserted island on a boat. Then one of them goes missing. She literally disappears’), en het is niet moeilijk te begrijpen waarom juist die film zoveel indruk maakt.

Met haar nieuwe vriendin Helena Fisker, die op een dag zomaar voor haar deur staat, waarna eindelijk (letterlijk, na tachtig pagina’s zonder adempauze) een nieuw hoofdstuk begint, spoort ze alles op wat er over haar moeders geliefde Francesco del Cossa te vinden is. Dat is niet veel, en dus is er vrijheid om zelf met de kunstenaar aan de haal te gaan. Ze nemen zich voor om over hem te schrijven voor een schoolproject. Ze kunnen van hem een vrouw in mannenkleren maken, eentje die stiekem vaginavormen haar fresco’s binnensmokkelt en praat in een vreemde mengelmoes van door Google Translate vertaald oud-Italiaans en hedendaags Engels – en dus kun je Del Cossa’s deel lezen als de uitvoering van dit werkstuk, een buikspreekpop van George en Helena, een poging via deze geest een andere op te roepen (al laat Smith ook genoeg ruimte om zo’n lezing naast je neer te leggen).

Als George ontdekt dat er een schilderij van Del Cossa te zien is in de National Gallery, begint ze het dagelijks, onder schooltijd, te bezoeken. Ze kijkt ernaar, ziet steeds meer: de blik van de heilige, het landschap op de achtergrond, de kleuren, de asymmetrieën. Het doek verandert voor haar ogen, of beter gezegd: zíj verandert het doek met haar ogen. Ondertussen houdt ze ook de overige bezoekers in de gaten, om te zien hoe bijna niemand echt naar iets kijkt, en al helemaal niet naar dit ene werk dat een onbekende renaissanceschilder maakte van een obscure heilige.

En zo treft de geest van Del Cossa George aan, want het is natuurlijk George die ze als eerste ziet in het purgatorium dat het 21ste-eeuwse Londen is, en die ze in eerste instantie aanziet voor een jongen. Als iemand zo intensief naar je werk kijkt, kun je onmogelijk helemaal dood zijn, is de suggestie; als iemand dat met haar ogen probeert op te eten, kun je niet anders dan ter plekke materialiseren.

Na George’s deel – mijn editie kwam met George vooraan – verwachtte ik dat dit deel, dat begint en eindigt met een tamelijk incoherente, dna-vormige sliert tekst, hermetischer en ijler zou zijn, maar dat is het absoluut niet. Francesco del Cossa blijkt even levenslustig en eigenzinnig als George (en Helena, en haar moeder). Ze vertelt sappige verhalen over haar jeugd, het bordeel waar ze leerde vrijen in ruil voor portretten van de prostitués, ijdele opdrachtgevers, haar fresco’s in het palazzo, haar levenslange vriendschap met een jongen die eigenlijk smoorverliefd op haar is.

Natuurlijk schemert George door deze Francesco heen, en het omgekeerde zal waar zijn voor lezers die het boek in de alternatieve volgorde tot zich nemen. Ook Francesco verliest haar moeder op jonge leeftijd. In haar rouw verstopt ze zich in de kist met haar moeders jurken (‘everything empty of her still smelling of her’), waar ze zich voorstelt dat haar lichaam met de jurken, de geur, de vorm van haar verdwenen moeder samenvalt. Later begint ze de jurken, die veel te groot zijn, dag in dag uit te dragen. Totdat haar vader haar een halt toeroept: hij kan het niet aanzien om vanuit zijn ooghoek steeds een soort dwergvariant van zijn dode vrouw te zien rondlopen. Hij doet haar een voorstel: als zij de jurken uittrekt en in plaats daarvan jongenskleren gaat dragen, kan hij iemand zoeken om haar op te leiden als schilder.

De dood leidt tot een dubbele wedergeboorte: het meisje wordt jongen wordt kunstenaar. De kunstenaar wil Francesco heten, omdat ook de naam van zijn (haar) moeder begon met een F (Fiordelisa, ontdekt Helena, die, mid friendship, naar Denemarken verhuist, verliefd is op George, haar van een afstand voor zich probeert te winnen via bij elkaar gegoogelde feitjes over de dode renaissancekunstenaar, en die, waarom ook niet, misschien wel de eigenlijke auteur is van dit tweede (eerste) deel, dat je heel goed kunt lezen als een langgerekte liefdesbrief aan George die zich, net als Francesco, onbewust lijkt te zijn van de aantrekkingskracht die ze uitoefent op haar vriend).

Kijken en scheppen, daar gaat het om in deze roman, steeds weer, op allerlei mogelijke manieren. Het is wat George’s moeder haar wilde leren: echt kijken, zien hoe niets kan bestaan zonder iets of iemand anders, hoe alles een verleden met zich meedraagt, en dat het helpt te weten wat zich onder de oppervlakte bevindt. Die ontdekking is, na haar moeders dood, méér dan een vorm van troost: het is een creatief proces. En dat, laat Smith zien, is een organisch proces: het een brengt het ander voort, zoals een moeder een kind, en zoals een kind, op haar beurt, haar moeder met zich meedraagt (en waren het misschien de fresco’s in het Palazzo Schifanoia, die de seizoenen moesten uitdrukken en waarvan Del Cossa het voorjaar op zich nam, die Smith aanzetten tot haar eigen seizoenen-kwartet dat ze in de jaren na deze roman schreef?).

How to Be Both is radicaal in de eigenlijkste zin van het woord: grondig, diepgaand, zoekend naar de wortels aan de oorsprong van het bovengrondse, zichtbare leven. Bij Smith is zo’n zoektocht altijd, en boven alles, een aanstekelijke aangelegenheid. Als geen ander, en in dit vreugdevolle boek in het bijzonder, laat ze zien dat experiment geen droge, theoretische exercitie is, maar de bron van het leven – en de literatuur – zelf.

How to Be Both is in vertaling van Arthur Wevers verschenen als Het een als het ander, Atlas Contact, 304 blz.