Kijken is de kunst

En dan wagen ze het nog extra geld te vragen! In Metropolis M lezen we een pleidooi voor meer subsidie ten bate van ‘de kunstkritische meningsvorming als zelfstandig cultuurdragend produkt’. Heer, bewaar me!
Citaten zijn afkomstig uit de Volkskrant, catalogus Wild Walls (Stedelijk Museum Bulletin 1995 en 1996) en catalogus Jeff Wall (De Pont stichting, Tilburg 1995).{ Paul Kempers is medewerker van het blad Blvd. en als kunsthistoricus werkzaam bij de afdeling Wetenschappelijke Dokumentatie van het Stedelijk Museum Amsterdam.
KRITIEK OP DE KUNSTKRITIEK, het leek iets van alle tijden. Door de jaren heen kon je op openingen, in kroegen en op feesten de nooit verstommende klaagzang horen van kunstenaars die de kunstcritici de mantel uitveegden om hun slaapverwekkende teksten en artistiek onbegrip. En nog niet al te lang geleden koesterden zelfs museumdirecteuren een gezond wantrouwen tegenover kunstcommentaar. Zo beperkte Stedelijk-Museumdirecteur Sandberg zich in zijn catalogi het liefst tot beknopt-naieve teksten die getuigden van een onwrikbaar geloof in de verheffende werking van moderne kunst; de hem opvolgende jurist Edy De Wilde huldigde het principe dat ‘kunst van kijken komt’ en hield de kunsthistorische pen zoveel mogelijk buiten de inktpot.

Kunst was avant-garde en de teksten waren kort.
Hoe anders is het tegenwoordig. Na Wim Beeren, specialist in het optrekken van zware kunsthistorische rookgordijnen, schrijft nu ook de huidige Stedelijk- Museumdirecteur Rudi Fuchs zich de vingers blauw aan columns, voorwoorden en essays.
En de kunstkritiek - wel, die is tot een lawine van kunstschrijverij verworden.
Vuistdikke catalogi, glossy kunsttijdschriften en brievenbus blokkerende culturele supplementen rollen in een onophoudelijke stroom van de persen. Koffietafels dreigen bijkans te bezwijken onder de last van kilo’s kunstkennis terwijl de modale museumbezoeker - geconfronteerd met de zoveelste onverklaarbare installatie van zand, kippegaas en twee langzaam ontbindende sinaasappelen in een netje - steeds sterker het gevoel krijgt dat je pas over kunst mag meepraten als je ervoor hebt doorgeleerd.
Niemand echter verheft zijn stem tegen deze tekstuele overkill. Sterker nog, wie de rubberen taalgymnastiek van kunstpausen en -critici bespot, wordt met open armen ontvangen. Gerrit Komrij, de man die in zijn Brandende Kwestie van 1982 het kunstgezwatel op onnavolgbare wijze belachelijk wist te maken, de man die het verstand van Rudi Fuchs ooit vergeleek met een ‘kleedje voor de open haard’, werd door diezelfde Fuchs uitgenodigd om deze zomer een tentoonstelling samen te stellen in het Stedelijk. Even leek het erop dat de gevreesde polemist van weleer milder gestemd was geraakt, maar gelukkig: in het bij de gelijknamige tentoonstelling verschenen boek Kijken is bekeken worden bleek Komrij de pen nog altijd vaardig te hanteren: '95 procent van alles wat over kunst geschreven wordt is onzin’, zo beweerde de gelegenheidsconservator unverfroren in zijn inleiding.
Helaas lijken Komrijs vrolijk-opruiende woorden aan dovemansoren gericht. Want niet alleen vinden de kunstcritici hun schrijfsels 'van cultuurspreidend belang’, ze vinden ook dat ze beter betaald moeten worden om nog meer en nog diepzinniger teksten te publiceren.
Schreef Kurt Schwitters niet al vele jaren geleden: 'De kunstenaar schept, terwijl de criticus schaapt. Met heel buitengewone schaapzinnigheid ontdekt de geboren criticus de dingen waar het niet om gaat.’
Kort gezegd: de critici willen subsidie. Structurele schaapsubsidie zelfs.
Het lijkt een doldriest verzinsel, maar het is waar.
In het getto van de kunsthistorische vakbladen leidde de roep om meer geld tot een heus debat over de stand van zaken in de kunstkritiek ('Is de kunstkritiek ingeslapen?’). Helaas bleef de dit voorjaar gevoerde discussie - waarin de critici een rotsvast geloof etaleerden in het belang van hun schimmige cultuuranalyses - grotendeels buiten de opiniebladen. Een teken aan de wand misschien? Zeker is dat de laatste tijd een - voorzichtige - roep opgaat om de vloedgolf aan kunstgeschriften te keren. Zo schreef Willem Kuipers in de Volkskrant dat de 'rijsteberg van academische verhandelingen, studies en beschouwingen (…) een dikke gecapitonneerde muur heeft opgetrokken tussen de kunst en de geinteresseerde liefhebber’. En zelfs in de kunstbladen horen we af en toe, bij monde van onafhankelijke columnisten, kritische geluiden betreffende het onzingehalte van de kunstschrijverij. Tijd dus voor een pleidooi voor het onbevangen kijken. Immers, het echte kunstgenot is woordloos kunstgenot.
EEN DOORDEWEEKSE DAG in het Stedelijk Museum. Een in een zwart ribfluweel gestoken man met een alpinopet op het hoofd doorkruist met driftige stappen de erezaal. Hoofdschuddend bekijkt hij de Naked Shit Pictures van het Engelse kunstenaarsduo Gilbert & George. Plotseling beent hij op de dienstdoende suppoost af en spreekt deze aan: 'Meneer, meneer… mag ik wat zeggen? Die strontkunst… daar vind ik nou geen reet 'an!’ Om vervolgens met verende tred naar de belendende zaal te verdwijnen, de suppoost in verwarring achterlatend.
De niets verbloemende directheid van de man met de alpinopet is een uitzondering in een wereld waarin breedsprakigheid, ondoorgrondelijkheid en mistig taalgebruik de middelen zijn waarmee de kunst te lijf wordt gegaan. De man is een kunstkritische verademing. Hoe vaak niet lezen we teksten van kunstcritici en tentoonstellingmakers die bedoeld zijn als verhelderende uitleg maar waarin de schrijver er zelden of nooit in slaagt om in begrijpelijke bewoordingen uit te leggen wat de kunstenaar bewogen heeft. Het zijn teksten waarin zulke pakkende volzinnen voorkomen als: 'de kunstenaar creeert in zijn werk een “tussenrealiteit” waarin heterogene elementen niet altijd in een logisch verband staan’, of raadselachtige one-liners als: 'de videofilmpjes verraden iets van het onophoudelijke komen en gaan van sculpturale inventies’, en: 'de contour van haar objecten krijgt een zelfstandige betekenis, als bepalend onderdeel van de decoratie, maar ook als omlijning van de vorm’.
Conservatoren, museumdirecteuren, critici, kunstwetenschappers. Allemaal worden ze geacht de kunst van hun tijd in de gaten te houden en een kunsthistorisch verantwoorde mening te formuleren. Essays, kritieken, catalogiteksten en proefschriften rollen uit hun printers en vormen de stille getuigen van de strijd die tussen beeld en taal wordt uitgevochten.
En het wordt maar meer.
En vooral: dikker. De kunstkritisch-historische gemeenschap is een verbaal zwellichaam.
En de kunst? Die lijkt tenonder te gaan in een mer a boire van verklarende en beschrijvende teksten.
Lijkt, want kunstenaars verzetten zich nauwelijks tegen de almaar uitdijende stroom publikaties waarvan zij het onderwerp vormen. De tijden dat er nog zoiets als animositeit bestond tussen kunstenaars en kunstuitleggers zijn zo goed als voorbij. In een grijs verleden wilden Cobra- schilders nog weleens te hoop lopen als de Parool- kunstcriticus Prange weer een van zijn gevreesde aanvallen op de 'kleuterkunst’ van de abstract-expressionisten had gelanceerd, maar tegenwoordig valt er van de kant van de kunstenaars geen onvertogen woord. Voorbij lijken dus die gouden jaren waarin critici tijdens van jeneverdampen doortrokken discussies aan de stamtafel van de kunstenaarssocieteit ervan beschuldigd werden zich als 'parasieten’ te voeden met de voortbrengselen van hun gastheer, de kunstenaar. De hedendaagse kunstenaar immers huldigt het principe 'het maakt niet uit wat ze over me schrijven, als ze maar schrijven’, en gaat onverdroten voort met het updaten van zijn publikatielijst.
Want gepubliceerd wordt er.
TWEE JAAR GELEDEN AL constateerde Stedelijk- Museumdirecteur Rudi Fuchs in zijn wekelijkse Parool- column: 'Het probleem met kunstkritiek is dat er zo veel van geschreven wordt.’ Om vervolgens te reppen van 'een ware lawine van kunstschrijverij ontstaan in de afgelopen twintig jaar’. Harde woorden, zo leek het, van iemand die bereid was om de hand in eigen boezem te steken. Werd Fuchs zelf immers niet om de haverklap opgevoerd als archetype van de ondoorgrondelijk formulerende kunstexpert, wiens stukken, 'genoegelijk voortkabbelend van metafoor naar metafoor’, zo typerend waren voor wat die andere Parool-columnist en verklaard Fuchs-bespotter Theodor Holman ooit kort en bondig omschreef als kunsthistorisch 'geouwehoer’?
Toch was Fuchs’ column een eerste teken dat de stortvloed aan kunstgeschriften begon op te vallen, niet in de laatste plaats door haar betekenisloosheid. 'De kunstkritiek’, zo constateerde de museumdirecteur scherpzinnig, 'is een baaierd van meningen en theorieen geworden, de ene nog experimenteler en speculatiever dan de andere.’ Het zal geen verwondering wekken dat Fuchs’ column nauwelijks reactie wist op te wekken in kunstkritische kring. Het is nu eenmaal not done om je eigen broodwinning in gevaar te brengen; en ook Fuchs leek zijn eigen woorden te ontkrachten door aan de lopende band teksten voor catalogi en museumbulletins te blijven produceren. Die leverden dan wel weer prachtige staaltjes van kunsthistorische diepzinnigheid op. Onlangs nog mocht de graag bij een goed glas wijn en dito gematteerde sigaar voor zich uit mijmerende museumdirecteur wat theorieen ontvouwen over de 'hardnekkige’ schilder Edvard Munch: 'Maar het is (let op de beroemde fuchsiaanse cursivering! - pk) een feit dat toen Munch eenmaal terug was in Noorwegen, hij het landschap om hem heen begon te schilderen. De vele pure landschappen, met zelden een verwijzing naar een bepaald menselijk voorval, zoals in De moordenaar, dat hij in Kra>pa110<gero maakte en dat hij misschien opvatte als een soort project (…).’
Vele pure. Met zelden een verwijzing. Misschien. Menselijk voorval. Een soort project. Behalve dat met dergelijke zinnen niets beweerd wordt, trekt dit indringend kunstproza ook nog eens een zware wissel op je literair incasseringsvermogen. Wie kan in godsnaam zo'n tekst uitlezen zonder weg te sukkelen in een kunsthistorische halfslaap, om vervolgens wakker te schieten met het in onbewuste woede tot een papierbal samengeknepen Museumbulletin in de schoot? De enige die daarin slaagt is het gilde der beroepsinterpreteerders, de kunsthistorici en -critici.
Voor hen is kunst pas kunst als het gedrukt staat.
Wat ons brengt naar het eigenlijke probleem: de verhouding tussen taal en beeld en het misverstand dat kunstkritiek heet.
Wat wil de kritiek?
De kritiek wil zegbaar maken wat onzegbaar is.
Dat is een dapper maar tot mislukken gedoemd streven. De ondoorzichtige woordenbrij waarvan het gros van de kunstuitleggers zich bedient, is er het bewijs van.
Taal en beeld vormen nu eenmaal gescheiden werelden, en waar de literatuurcriticus zich nog van dezelfde taal kan bedienen als zijn onderwerp, ziet de kunstcriticus zich tegenover het beeld geplaatst als een inbreker tegenover een niet te kraken kluis. Op zo'n moment trekt de criticus zijn verbale sloophamer en begint zijn verwoestend werk. Met als gevolg dat de brokstukken in het rond vliegen.
'Zijn monochrome verticale verfstreken zijn niets minder en vooral niets meer dan dat.’
'Bestookt door de verbeelding van de toeschouwer, ondergaat het werk van Martin net zulke oneigenlijke transformaties als dat van Jones.’
Geconfronteerd met kunst is de modale criticus met analytische stomheid geslagen. Maar opgeven? Nooit! De zoektocht naar de betekenis achter het werk is voor hem bijna tot een dwangneurose geworden. Had de ongelukkige maar geluisterd naar de wijze woorden van de Duitse schilder Gerhard Richter - een spaarzaam en weloverwogen formulerend kunstenaar die weet dat goede kunst zich onttrekt aan uitleg in woorden. Richter zei het zo: 'Schilderijen die te duiden zijn en een betekenis bevatten, zijn simpelweg slechte schilderijen. Een schilderij is de belichaming van het Onlogische, Onoverzichtelijke en Onzinnige. (…) Het ondergraaft onze zekerheid omdat het de betekenis en de namen van de dingen wegneemt.’
In de drukke beroepspraktijk van de critici en kunstwetenschappers heeft dit idee niet postgevat. De gedachte dat de kunst een raadsel is, blijkt voor de kunstexegeet onverteerbaar.
VALT ER DAN HELEMAAL niets zinnigs te beweren over kunst? Natuurlijk wel.
Al blijft de kunst dan mysterie, over datgene wat haar unieke kwaliteit uitmaakt, hoeven we niet te zwijgen: de ontroering, verbazing, schoonheid of irritatie die de kunst weet op te roepen - daarvan kan de criticus verslag doen. Niet om de kunst 'uit te leggen’ maar om de lezer te prikkelen zelf te gaan kijken en zijn oordeel te meten met dat van de criticus.
Om zo te schrijven dien je te beschikken over literair talent (= een persoonlijke stijl), kennis van zaken en… passie.
Hoe anders is de praktijk. Kunstexegeten beschouwen de kunst als een metafysisch cryptogram dat slechts met behulp van semiotische hulpmiddelen kan worden opengebroken. Met als gevolg de door Fuchs geconstateerde zielloze 'lawine van kunstschrijverij’ waarin onbegrijpelijke en quasi-diepzinnige interpretaties de boventoon voeren.
'Walls lichtbakken (Jef Wall, Canadees kunstenaar - pk) zijn een oplossing van het probleem hoe een kunst te construeren die picturaal is en tegelijkertijd aan de vorm refereert waarin deze wordt gepresenteerd; een kunst die, op paradoxale wijze, TEGELIJK Brechtiaans is - door het “vervreemdingseffect” een kritisch zelfbewustzijn teweegbrengt - EN absorberend - de kijker tot een denkbeeldige vereenzelviging brengt met het fantasmagorische beeld. Op deze manier wordt, telkens wanneer men een werk van Wall bekijkt, het tegenstrijdige karakter van de moderne tijd, van het naast elkaar bestaan van vrijheid en onvrijheid, weer opgevoerd.’
Mijn god… Breng me vochtcompressen! Brechtiaans en absorberend… Fantasmagorisch! Duur klinkend jargon dat, voortstrompelend op de steunzolen van cursief gezette kapitalen, de bodem onder elk kunsthistorisch inzicht wegslaat. Mystificatietaal waar de kunstschrijverij al sinds jaar en dag patent op heeft en dat de modale kunstliefhebber tot wanhoop drijft. Het is de geheimtaal van een beroepsgroep die bewust - zo lijkt het - niet begrepen wil worden om de exclusiviteit van het gezelschap te waarborgen.
Sla een willekeurige catalogus, museumbulletin of kunsttijdschrift open en het literaire onvermogen waait je tegemoet. 'De doeken van Jones en zijn collega’s beschikken over een aangename sculpturale aanwezigheid.’
'Als een wig komt het werk de textuur van de kunst binnen, als vooral ook laconieke samenvatting van belangrijke momenten in de moderne kunst, van Kubisme via abstracte kunst tot pop art; en omdat het ook een commentaar is, zoals zoveel moderne kunst, heeft het een in het oog lopend onderwerp dat mensen nog steeds opwindt.’
Bedoeld wordt - het citaat is van Fuchs - Bruce Naumans neon-werk Seven Figures, enige tijd geleden door het Stedelijk Museum aangekocht, en het 'in het oog lopend onderwerp dat mensen nog steeds opwindt’ verwijst naar datgene wat de zeven neon-figuren doen, namelijk neuken. Vooruit, 'de liefde bedrijven’ had hier ook kunnen staan om het wat platte n-woord te vermijden. Wat is er toch aan de hand met die kunstprofessionals dat ze, gezeten op de ijle Olympus van de kunstexegese, zelfs de meest elementaire menselijke driften niet adequaat weten te verwoorden?
En toch, onvoorstelbaar maar waar, is er iemand opgestaan die pleit voor nog meer tekst.
Tineke Reijnders, freelance critica en vertegenwoordigster van de Nederlandse sectie van de AICA (Association Internationale des Critiques d'Art), stelde een jaar geleden voor om een aparte subsidie in te stellen ter bevordering van 'de kunstkritische meningsvorming als zelfstandig cultuurdragend produkt’. Gek genoeg deed dit bizarre voorstel toen nauwelijks stof opwaaien in de kunstwereld. Alleen Melle Daamen, directeur van de Mondriaanstichting reageerde passend op het in Metropolis M afgedrukte pleidooi voor financiele ondersteuning van de kunstkritiek: 'Het probleem van de kunstkritiek, zo dat er is, is geen aanbod- maar een vraagprobleem.’
Daamen had natuurlijk gelijk: waarom een aparte subsidie instellen voor meer publikaties terwijl we nu al dreigen te bezwijken onder de lawine van kunstkritische commentaren en studies met montypythoneske titels als: 'Alighiero Boetti: Synchronisme als principe van acausale verbanden’ of 'De vierde dimensie en non-euclidische geometrie in de moderne kunst: aanzet tot een analyse.’
En het houdt niet op. Volgens Reijnders zou de kunstkritiek 'een verhelderend licht werpen op de dynamiek van de cultuur’ en 'kunstenaars inspireren en tentoonstellingmakers beinvloeden’. O, ijdelheid der ijdelheden! Niet alleen verduistert de kunstkritiek het zicht op de kunst, het berooft haar beoefenaren ook nog van het vermogen de reikwijdte van hun moeizaam tot stand gekomen analyses realistisch in te schatten. Kunst kan gebaat zijn bij een levendig cultureel debat, maar echt noodzakelijk is dat theoretische discours niet. Grote, indrukwekkende of meeslepende kunst ontstaat in de eerste plaats in de stilte van het atelier, in de bovenkamer van de kunstenaar waar het - als het goed is - creatief borrelt en gist. Maar hoogst zelden hoor je van kunst die direct geinspireerd zou zijn door kunstkritiek. Paradoxaal genoeg was het Rudi Fuchs die ons, in een opmerkelijk moment van helderheid, wees op de beperkingen van de kunstschrijverij. 'Iedereen in de kunstwereld zegt die modieuze kunstkritiek nooit te lezen’, schrijft hij in zijn Parool-column. 'Waarschijnlijk is dat waar. Het is een schrijverij die zich tot kunst verhoudt als de achtergrondmuziek tot een film: een atmosferisch gegeven. Je kunt er ook niets van leren.’
'Astanblaft!’ zou Jules Deelder zeggen. 'Je kunt er niets van leren’, zegt de man die er verstand van heeft. En de critici maar pleiten voor meer geld! Want alleen dan kunnen ze de benodigde diepgang aanbrengen in hun geschriften.
Wat de kunstkritiek nodig heeft, is niet meer geld, maar meer talent. Niet het middelmatige talent van de ondervoede kunstscribent, maar het talent van de echte schrijver. Dat de kunstkritiek zo slecht betaalt zegt iets over het maatschappelijk belang dat deze beroepsgroep wordt toegekend; dat zo weinig schrijvers zich tot de kunstbeschouwing geroepen voelen, zegt iets over hun vermoeden dat het over kunst lastig schrijven is zonder in onzin te vervallen. Er is dan ook een apart talent voor nodig om datgene wat over kunst gezegd kan worden, zo prikkelend mogelijk te verwoorden.
Ach! Hadden wij maar een Robert Hughes, een Tom Wolfe of een kunstkritische Gerard Reve!
KEREN WE TERUG naar de man met de alpinopet, die dappere, mondige museumbezoeker die voor zijn eigen mening uitkomt en zich niet langer laat intimideren door hineininterpretierende kunsttheoretici. Voor die man zou eigenlijk een monument bij de museumingang moeten worden opgericht; het liefst een soort variant op de Dokwerker, de stoere kop bedekt met een ferm hoofddeksel en een hand turend voor de ogen. In het onverzettelijke voorhoofd gegraveerd zouden we dan de door reclamebureau Saatchi & Saatchi bedachte slagzin lezen: 'Kijken is de kunst.’
En een machtige stilte zou neerdalen over de rond het beeld verzamelde groep kunstkritische broodschrijvers.
Wat een aanlokkelijk vooruitzicht.
En een zegen voor de kunstliefhebber.