Rudi Fuchs in Museum De Lakenhal

Kijken is herinneren

Rudi Fuchs komt terug naar Leiden, de stad waar hij zijn eerste stappen in de kunstgeschiedenis heeft gezet. Met een ‘deftige parade’ van portretten keert hij in gedachten terug naar het Leiden van rond 1970.

Medium s 367 wiu2013 vzml

In 1986 maakte Rudi Fuchs in het Van Abbemuseum in Eindhoven een tentoonstelling die nog lang zou nagalmen in kunsthistorisch Nederland: Het ijzeren venster. De tentoonstelling was opgezet als een drieluik van dubbelpresentaties, waarin hedendaagse kunst schitterde naast klassiek-moderne werken. Zo was het neo-expressionistische werk van Georg Baselitz te zien naast subtiele, zinnenprikkelende schilderijen van Kurt Schwitters. De kleur- en vormstudies van Jan Dibbets konden vergeleken worden met de ritmische ordeningen van Piet Mondriaan, en de monumentale gebaren van Jannis Kounellis vonden een contrapunt in stevige composities van Kazimir Malevich.

Medium inld4

Volgens Fuchs was het een ode aan de ‘kritische nervositeit’ van de moderne kunst, die ontsnapt aan traditionele kunsthistorische onderverdelingen in stijlen, periodes en invloedssferen. In zijn visie is artistieke stijl niets anders dan ‘een voertuig dat gebruikt en achtergelaten kan worden’, zo lang de kunstenaar maar trouw blijft aan zichzelf, zijn attitude en zijn manier van kijken. Het ijzeren venster kan gezien worden als een postmodern manifest, maar moet vooral een wonderschoon voorbeeld zijn geweest van de eigenzinnige manier waarop Rudi Fuchs naar kunst kijkt. Ik stel me de tentoonstelling voor als een visueel gedicht. De catalogus staat al heel lang in mijn boekenkast.

In 1994 mocht ik als student kunstgeschiedenis voor het eerst een eigen tentoonstelling samenstellen, in de Stadsgalerij Heerlen, tegenwoordig bekend als SCHUNCK. Het jaar daarvoor was Fuchs directeur geworden van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Hij opende zijn directoraat met de tentoonstelling Het materiaal, waaruit eenzelfde alineaire, ogenschijnlijk chaotische, maar in wezen poëtische benadering van beeldende kunst sprak als in Het ijzeren venster.

‘Kunstenaars houden zich evenmin aan plannen en afspraken. Dat is de kritische kracht van onze kunst’

Fuchs presenteerde zichzelf – nogal brutaal – als equivalent van een kunstenaar; zoals een schilder de kwast hanteert, kan een museumdirecteur kunstwerken arrangeren. Beiden zijn even vrij om de compositie naar hun hand te zetten. Een van de mooiste combinaties uit Het materiaal bestond uit een voluptueus torso van Jean Arp, geplaatst naast een zinderend schilderij van Robert Mangold. Deze combinatie liet ik naar Heerlen afreizen om te figureren in de tentoonstelling (Im)Possible Waltz, die ging over het auteurschap van kunstenaars en tentoonstellingsmakers.

Voegt een tentoonstellingsmaker kwaliteit en betekenis aan een kunstwerk toe, of juist niet? Kun je in de beeldende kunst een vorm van authenticiteit respecteren, ongeveer zoals er een ‘authentieke uitvoeringspraktijk’ bestaat in de oude muziek? Het was mijn ‘debuut’. En de attitude van Rudi Fuchs vormde een belangrijk deel van mijn referentiekader. Niet dat ik het altijd met hem eens was, maar hij zette mij wel op scherp.

Medium inld2

Het omgekeerde gebeurde ook. In 2006 publiceerde ik samen met Edwin Jacobs en Stijn Huijts het Manifest voor een mondig museum in NRC Handelsblad. Het was een pleidooi voor museale vernieuwing dat nogal wat stof deed opwaaien in de Nederlandse museumwereld. We vonden dat musea zich inhoudelijk meer rekenschap moesten geven van ontwikkelingen als globalisering, digitalisering, beeldcultuur, emancipatie en mondig burgerschap, die niet alleen sporen nalaten in het leven, maar ook in de kunst.

Rudi Fuchs reageerde met een uitgebreid artikel in het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad, waarin hij de vrijheid van kunst en kunstenaars bezong. Die hoeven zich helemaal nergens rekenschap van te geven: ‘Kunstenaars houden zich evenmin aan plannen en afspraken. Dat is de kritische kracht van onze kunst. Haar energie is onvoorspelbaar.’ Bij hem komen de kunstenaar, het kunstwerk en het kijken altijd op de eerste plaats. Artistieke vrijheid is het fundament waarop het kijken naar kunst is gebouwd. Al het andere is bijzaak.

Medium inld1

En dan nu. Inmiddels ben ik directeur van Museum De Lakenhal in Leiden. Het is de stad waar Rudi Fuchs tussen 1960 en 1975 zijn eerste stappen in de kunstgeschiedenis heeft gezet. We zien elkaar met tussenpozen in het Leidse museum. Hij haalt herinneringen op. Op een dag vertelt hij Museum De Lakenhal te zien als zijn ‘moedermuseum’. Het idee voor een tentoonstelling is snel geboren. Rudi weet het meteen. Hij ziet een reeks portretten voor zich die allemaal op ooghoogte zijn opgehangen, zodat het spel van kijken en bekeken worden zich langs een denkbeeldige horizon van ogen kan afspelen. Hier en daar wordt er een spiegel tussen gehangen, zodat je ook jezelf in de ogen kunt kijken.

‘Kijken is herinneren’, aldus Rudi Fuchs. Met deze ‘deftige parade’ van portretten keert hij in gedachten terug naar het Leiden van rond 1965. Naar het ontzag dat hij als jonge student had voor de geleerden en notabelen in de stad. En naar de geweldige colleges van professor Henri van de Waal, die hem meenam naar het museum om de klassieke portretkunst te bestuderen, die hem leerde om intens te kijken naar kunst, en die hem daarna aanmoedigde om zijn eigen weg te gaan.


Meta Knol is directeur van Museum De Lakenhal


Beeld: (1) Jan Anthonisz. van Ravesteyn, Portret van Emerentia Banningh_, 1626. Olieverf op paneel, 82 × 70,5 cm. (2) Anoniem, kopie naar Mostaert,_ Portret van Johan II van Wassenaer, burggraaf van Leiden_, 17de eeuw (?). Olieverf op paneel (achter glas), 89,5 × 67 cm. (3) Ferdinand Bol,_ Portret van Pieter Burgersdijk_, 1664. Olieverf op doek, 135,5 × 117,3 cm. (4) Anoniem,_ Portret van Margaretha Egbrechtsdr. Ramp, alias Proost_, 1550-1560. Olieverf op paneel, 112,5 × 90,5 cm. Museum De Lakenhal, Leiden_