Kijken is nog geen schilderen

LIDY VAN MARISSING
ZOEK DE LEGE GEBIEDEN
Van Gennep, 96 blz., € 16,-

Weer zitten de bangste mensen weg-
gedoken, hurkend onder
de trap, handen tegen oren
of handen over de kop, een kap
op gevederde schedel, vogel-
achtige wezens drukken zich bijeen in bevende ver-
stijving schouder aan schouder, ingebunkerd
zich verwerend tegen
naderend onheil

niet tien, niet twaalf of twintig
maar heimelijke massa’s diep in de steden
wachten af, zacht bonzend, met weg-
gedraaide gezichten, kinderen op straat
spelen al moordenaartje
In Kleur de schaduwen, de vierde dichtbundel van K. Michel, staat een gedicht getiteld Appel. Daarin droomt de ik-figuur van een dode persoon A. die verzucht dat het eten van ‘een gewone appel’ zo’n genot geeft. Hierop begint Michel tegenstribbelend te zingen: ‘een jona een cox ja/ een gala een granny een james grieve/ een elstar ach nee/ een gewone appel bestaat helemaal niet’. Er is met andere woorden niet alleen het verschil tussen appels en peren, er zijn ook talloze appel- en peersoorten. Zoiets zou je als metafoor kunnen nemen voor dichtbundels: je kunt ze met elkaar proberen te vergelijken, dat maakt ze nog niet gelijksoortig. Toen K. Michel in het jaar 2000 met zijn derde bundel Waterstudies de VSB Poëzieprijs won, leek het even of hem alsnog de staatsloterij was toegevallen, zoals hij in zijn debuut voorspeld had. Zoiets is natuurlijk een tamelijk onzalige gedachte, want allemaal wijze mannen m/v hebben daarover nagedacht en uitgebreid met elkaar vergaderd.
Voor de VSB Poëzieprijs 2009 nomineerde de jury dichtbundels van Lidy van Marissing, Bart Meuleman, Alfred Schaffer, Nachoem M. Wijnberg en B. Zwaal. Wijnberg publiceerde Het leven van, waarmee hij een controversieel dichter blijft met zowel uitgesproken liefhebbers als ferme tegenstanders. Schaffers aangrijpende, vijfde bundel Kooi is alweer zijn derde nominatie voor ‘de VSB’. B. Zwaal is bij de bekendmaking van de nominatie van zijn tiende bundel Zouttong ‘een Hollandse meester’ genoemd: ‘Elk uitzicht draagt bij hem betekenis.’ Bart Meulemans bundel omdat ik ziek werd is ongeposeerd, grimmig, en toont juist in zijn afkerigheid affectie.
De enige bundel die ik niet eerder besprak en die mij voor nominatie ook niet onder ogen is gekomen, heet Zoek de lege gebieden, de zevende dichtbundel van Lidy van Marissing, voormalig Volkskrant-journalist, die in 1971 debuteerde met 28 interviews met schrijvers die eerder in die krant verschenen. In het laatste nummer van het tijdschrift Raster, ‘Het einde’, staat haar gedicht Verkruimelende berichten vooraan. Van Marissing was geen redacteur van het tijdschrift, maar wel van de reeks Rasterboeken die tussen 1972 en 1976 verschenen. Haar eerste bundels hadden kenmerkende titels als De plons van een vlok (1991) en De sprong van een slak (1994). Van Marissing schrijft gedichten in rustige, prozaïsche taal. ‘in deze kamer ruikt het naar bananen’, staat er in Zoek de lege gebieden. Vergeleken met haar laatste bijdrage aan Raster opent de genomineerde bundel opvallend poëticaal. ‘ga je niet midden in de taal/ zitten, raak je verloren’, meldt de proloog.
De bundel bestaat uit zes series van tien tot twaalf gedichten. De eerste reeks ‘mensen over de vloer’ draait rond een verteller: ‘ook hij is een vel papier dat steeds weer dichtgroeit’. Van Marissing is expliciet, zonder daar al te eenduidig mee te worden. ‘de verteller kan wel inpakken/ verfrommelt zichzelf tot prop papier’. Het lijken notities, observaties, soms niet direct te plaatsen (‘iemand leeft zoals hij zit of staat te eten’), op andere momenten juist weer traditioneel (‘de wind/ verandert op water in rimpeling’). Van Marissing stelt vragen in haar poëzie en schuwt het engagement allerminst. ‘als geschiedenis al een trein zou zijn/ waar dendert hij heen met ons?’ en ‘de toekomst ligt erbij als luchthaven/ in dichte tot zeer dichte mist’. Tegelijk blijven al die mensen over de vloer uit de titel ook een concrete kapstok voor de serie, zoals onder meer blijkt door telkens andere impressies van in een stoel gesmeten jassen. Met de conversatie maakt het bezoek behoorlijk wat lawaai: ‘de woorden hangen maar/ losjes aan elkaar’. Per gedicht wordt de serie gewelddadiger, en in het achtste gedicht stapt ook de verteller op en laat ons zitten ‘op lelijke stoelen/ en daar zitten we dan’.
Van Marissing lijkt sterker naar voren te komen in gedichten die op zichzelf gelezen kunnen worden en niet alleen in serieverband, zoals in een gesprek tussen vier stemmen of het treffende gedicht trefpunt, waarin het gesprek goed op gang komt:

Wie armen uitstrekte sloeg
misschien een slag, deed een gooi of
greep verwoed ergens
naast (…)
De tweede serie ‘Reisverslag’ is metafysischer van aard. De dichter spreekt over ‘de landkaart van je leven’ en holderdeboldert daar overheen: ‘je kent/ de weg niet maar de weg kent jou’. Het is veel drukkere poëzie plotseling. ‘vooruit ga je het mooist’, schrijft Van Marissing, maar ‘het heden is vandaag al lang geleden’ klinkt stukken minder geruststellend, ook niet als ‘de toekomst haar verte/ verliest’. De derde reeks ‘Manieren om de wereld voor te stellen’ sluit daarop aan, bijvoorbeeld bij het ‘op-/ tillen van onbekende tapijten terwijl/ je blik loerend eronder springt’. In het gedicht Anekdote weet een blinde hovenier het volgende: ‘kijken is nog geen schilderen’. Soms beklijft een strofe als Van Marissing langer een beeld uitwerkt, zoals dat van een roodharig meisje dat haar gezicht tegen het raam van een treindeur drukt, waarbij een korst op haar kin en een litteken op haar wang zichtbaar worden. En dan komt er een kentering in de bundel, als ‘het herkenningsmechaniek plots-/ klaps piepend omslaat in/ iets dat je niet meer verdraagt’.
Er spatten glazen kapot en opwaaiende gordijnen gooien flessen van de vensterbank. ‘dit/ is een venijnige tijd’ staat er in de serie ‘Klopsignalen’ en ik ben geneigd die uitspraak niet anders dan letterlijk te nemen. ‘de mensen, ze schrijven/ met kruipende hand-/ beweging tegen de te snelle tijd in’. Ook de serie ‘Het overvolle’ is onversneden maatschappijkritisch, zoniet cultuurpessimistisch – en zeker niet vrolijk. Van Marissing dicht over ‘de kop waarin wij/ ons verstoppen’. Met intelligente afbrekingen en autocommentaar (‘hè, hè, even/ een stilgezet beeld’ staat er tussen haakjes na het woord ‘tuinhek’) doorsnijdt ze haar gedichten. ‘(datgene alleen/ waarover/ geen gras groeien zal/ noemen ze later/ geschiedenis)’
Ik denk niet dat Zoek de lege gebieden van Lidy van Marissing de VSB Poëzieprijs 2009 wint. Maar ik ben wel blij dat de jury vijf uiteenlopende, indringende en experimentele bundels onder de aandacht heeft gebracht.