Kijken naar de dood

Achter in Het uur van het violet, verstopt tussen een reeks opmerkingen over haar bronnen, vertelt Katie Roiphe dat ze voor het eerst speelde met de gedachte een boek te schrijven over het sterven van een handvol schrijvers toen ze Swimming in a Sea of Death recenseerde, het boek dat David Rieff schreef over de dood van zijn moeder Susan Sontag. Die recensie, opgenomen in Roiphe’s bundel Lof van het rommelige leven uit 2013, opende met de observatie dat Sontags dood ‘niet bijzonder privé bleef’. Roiphe schreef over de filosofe: ‘Ze stelde ooit dat ze haar lezers niet kon vertellen “hoe het echt is om naar het koninkrijk van de zieken te emigreren en daarvan de nationaliteit te verwerven”, maar andere mensen waren vastbesloten dat voor haar te doen.’

Small katie roiphe
Katie Roiphe gelooft niet dat je kunt leren sterven © Jason Andrew

Dat Roiphe zich nu zelf bij die andere mensen schaart – het eerste hoofdstuk van Het uur van het violet is volledig gewijd aan het sterven van Sontag – lijkt tussen de regels door een direct gevolg te zijn van dat wat haar schokte toen ze Rieffs verhaal las: hoe Sontag in het zicht van de dood plots zo gewoon had geleken en hoe haar reactie op de diagnose ‘merkwaardig alledaags’ was geweest. In de auto naar huis zei Sontag slechts: ‘Wow.’ Roiphe, een geboren bewonderaar, herpakte zich snel en concludeerde in haar recensie: ‘Hoe veelzeggend is het dat een van de meest welbespraakte vrouwen van de eeuw wanneer ze net te horen heeft gekregen dat ze kanker heeft juist dat zegt: “Wow.”’

In die anekdote komt een belangrijke bijwerking van de dood tot uitdrukking: het is een grote gelijkmaker die tegelijkertijd allerlei verhoudingen in de war schopt. Niet alleen is iedereen voor de dood gelijk, onbeduidendheden kunnen plots heel wezenlijk toeschijnen, dat wat eerder essentieel leek juist banaal.

In Het uur van het violet is direct duidelijk dat Roiphe vastberaden is Sontag terug op haar voetstuk te zetten. ‘Als er ooit iemand op aarde zelf had kunnen besluiten om niet dood te gaan, dan was het Susan Sontag wel geweest; ze had een ijzeren wil, ze was onverzettelijk en keerde zich mordicus tegen het lot dat ons allen wacht.’ (Waarom de vertaler ervoor koos de zin in een andere tijd te vertalen, alsook Sontags onverzettelijkheid alleen op haar sterfelijkheid betrekking te laten hebben, weet ik niet. Roiphe schreef: ‘If there is anyone on Earth who could decide not to die it would be Susan Sontag; her will is that ferocious, that unbending, that unwilling to accept average fates or outcomes the rest of us are bound by.’)

De dood is een grote gelijkmaker die tegelijkertijd allerlei verhoudingen in de war schopt

Naast een proloog waarin Roiphe vooruitblikt en vertelt over enkele momenten waarop ze zelf met de dood werd geconfronteerd, en een epiloog waarin verschillende lijnen samenkomen tijdens een gesprek met James Salter, is het boek opgebouwd uit vijf lange hoofdstukken waarin telkens het leven, werk en sterven van een enkele auteur centraal staat. Behalve Sontag passeren achtereenvolgens de laatste dagen van Sigmund Freud, John Updike, Dylan Thomas en Maurice Sendak.

Roiphe bezit de gave andermans feilbaarheid scherp te beschrijven zonder ooit te vervallen in iets wat neigt naar een morele veroordeling. Of het nu gaat om Freuds onwil het advies van zijn dokters op te volgen en te stoppen met roken (‘het was een argument op zich, een geval van je persoonlijkheid aan de feiten opleggen’) of Updike’s overspel (‘ik heb een zwak voor mensen die proberen de dood met seks te bezweren’), ze weet telkens een manier te vinden om zulke zaken binnen de context van haar verhaal over het leven en schrijven in de wetenschap te moeten sterven tot iets te transformeren wat complexer is, iets wat vanzelfsprekend onderdeel wordt van haar bewondering. Sterker: net als in het geval van Lof van het rommelige leven kun je je niet altijd aan de indruk onttrekken dat ze ook een beetje geniet van haar eigen ruimdenkendheid.

De vraag klinkt cru: maar waarom precies dit boek? Waarom graven in het sterven van een zestal schrijvers die niets anders gemeen hebben dan dat ze worden bewonderd door Katie Roiphe? Welk verband tussen leven, werk en dood van een schrijver hoopt ze bloot te leggen? De gedachte dat de dood en het leven en werk van een schrijver elkaar met betekenis vullen? Ik vermoed dat Roiphe deze vragen niet eenduidig zou kunnen of willen beantwoorden. Ze is uiteindelijk niet uit op antwoorden op haar vragen, maar op de worsteling zelf; nieuwsgierig naar wat er te leren valt van de poging iets te begrijpen wat zich domweg niet laat begrijpen.

Roiphe gelooft niet dat je kunt leren sterven, schrijft ze. Sterven is geen kwestie van wijsheid vergaren of voorbereidingen treffen. Ze gelooft hooguit dat je naar de dood kunt kijken en minder bang kunt zijn. Roiphe’s schrijven is dit kijken naar de dood: en terwijl ze het sterven zo zorgvuldig mogelijk probeert te beschrijven, vindt ze deze portretten van de dood, sterfscènes met een lange aanloop, op een vreemde manier enorm geruststellend. ‘De schoonheid van het leven spat ervan af’, schrijft ze.

Nadat ze zes uiteenlopende auteurs in liefdevol en kraakhelder proza heeft geportretteerd, schrijft ze: ‘Ik ga stukje bij beetje inzien dat ik niet echt bang ben voor de dood, maar voor de angst voor de dood.’ In de nabijheid van de dood balanceert het allemaal vanzelfsprekend tussen het wezenlijke en het willekeurige, het betekenisvolle en het banale.