Kijken vanuit het struikgewas

Boeken over populisme vliegen ons om de oren. Maar zonder heldere definities en empirische toetsen blijven we blind.

Bas Heijne, Moeten wij van elkaar houden

De huidige Nederlandse publicistiek en het populisme: dat doet sterk denken aan de zes blinden en de olifant. Een olifantentemmer kwam in het dorp. De blinden zouden voor het eerst kennismaken met een olifant, want ze hadden er nog nooit van gehoord. De eerste blinde voelde de harige, stinkende staart en noemde de olifant een vieze borstel. De tweede liep tegen een poot op en zei: het is een boom. De derde voelde de slurf en zei: het is een slang. De vierde pakte toevallig een slagtand en riep dat het een speer was. De vijfde knalde met zijn hoofd tegen de harde huid: het lijkt wel een muur. De laatste blinde aaide over een oor, en meende dat de olifant op een tapijt leek. De blinden ruzieden lang over wat een olifant nou eigenlijk was en concludeerden dat ze vast allemaal een beetje gelijk zouden hebben. Als we al onze waarnemingen bij elkaar optellen, komen we wellicht het dichtst bij een echte beschrijving. Of dat het geval is, mag worden betwijfeld.
Sinds vorig jaar vliegen de boeken over het populisme ons om de oren. Waarom? Na de moord op Fortuyn in 2002 en de snelle ontploffing van de LPF, leek in 2003 de ‘opstand van de burger’ een kortstondig 'carnaval’ te zijn geweest, een straattheater opgevoerd door politieke avonturiers, potsenmakers en mafkezen, althans volgens de meeste toenmalige commentatoren. Er waren maar enkelen die Fortuyn en zijn revolte serieus namen. Dick Pels publiceerde in 2003 een originele studie De geest van Pim: Het gedachtegoed van een politieke dandy. Hans Wansink promoveerde in 2004 op De erfenis van Fortuyn: De Nederlandse democratie na de opstand van de kiezers. Let op het woordje 'na’, want die opstand leek voorbij.
Maar helaas, na Fortuyn kwam Van Gogh, kwam Hirsi Ali, kwam Verdonk, en toen kwam Wilders. En die werd in vijf jaar tijd van een eenmansfractie de spil in de Nederlandse politiek, als 'gedoogpartner’ van het huidige centrum-rechtse kabinet-Rutte.
De populisten blijken niet beschaamd van het toneel te verdwijnen als ze door de BN'ers van onze mediacultuur - Maarten van Rossem, Freek de Jonge en Peter R. de Vries - 'circusartiesten’ of ronduit 'fascisten’ genoemd worden. Dit zegt veel over de kracht van het verschijnsel, en trouwens ook over die zogenaamde almacht van de televisie. Zo kwam menig bekend auteur tot het inzicht dat het nuttiger is om het onderliggende verschijnsel te beschrijven, het populisme zelf. Ze komen nu van alle kanten op de olifant af, en vanuit alle disciplines. Meindert Fennema, die vorig jaar Geert Wilders: Tovenaarsleerling publiceerde, is politicoloog. Anton Zijderveld, die in 2009 het essay Populisme als politiek drijfzand schreef, is net als Dick Pels socioloog. Jos de Mul kwam onlangs met Paniek in de polder: Polytiek en populisme in Nederland. Hij is filosoof. Politiek-historicus Henk te Velde besteedde in zijn bundel Van regentenmentaliteit tot populisme de laatste vijftien bladzijden aan het populisme, vooral dat van Abraham Kuyper, in zijn ogen de grootste populist van toen tot heden. Maarten van Rossem kwam vorig jaar met een dun boekje Waarom is de burger boos? Over hedendaags populisme, met enige historische context en vooral veel scheldwoorden. En dan nu weer twee boeken. Het volk bestaat niet: Leiderschap en populisme in de mediademocratie van Dick Pels. En Moeten wij van elkaar houden? Het populisme ontleed, van Bas Heijne, letterkundige en columnist/essayist.
Al deze auteurs besloten de olifant te betasten. En nu ze die andere, in de psychologie bekende, 'elephant in the room’ - iets wat duidelijk zichtbaar is, maar waarover iedereen zwijgt - eindelijk zien, blijkt verdeeldheid troef. Soms lijken de auteurs meer elkaar te lijf te gaan dan de olifant. Elke auteur lijkt zijn partij of politiek-mentale mindset mee te nemen. Het is dus geen wonder dat Zijderveld (CDA-ideoloog) en Van Rossem (PVDA-lijstduwer) concluderen: leve de partijen, leve de elite. Terwijl Pels nu directeur is van het wetenschappelijk bureau van GroenLinks, is Heijne hardcore NRC Handelsblad, dat overwegend lijkt te bestaan uit dogmatische D66'ers voor wie de woorden rechtsstaat, redelijkheid en fatsoen de panacee zijn voor alles.
Heijne is er, na tien jaar columns tegen de platte mediacultuur, achter gekomen dat het om meer gaat, namelijk om identiteit en de behoefte aan geborgenheid. Zijn essay uit 2007 heette nog Onredelijkheid. Zijn conclusie was dat we weg moeten van de bijna opgelegde verplichting te moeten kiezen tussen wij-zij, voor-tegen, global-local et cetera. Het is een misvatting dat het kosmopolitisme en lokale/nationale eigenheid elkaars tegenpolen zijn. Ze zijn nauw met elkaar verstrengeld. 'Het gaat erom een kleine, houdbare wereld te maken in het besef dat de grote wereld zich niet laat negeren. Dat is een opdracht met de kracht van een ideaal’, aldus Heijne.
Sindsdien is hij doorgegaan met het complexe thema van de identiteit en vooral met de zoektocht naar de factoren die de geborgenheid hebben ondermijnd, en de vraag waar mensen die verloren geborgenheid proberen te vinden. Als een mens voor houvast in het leven moet weten waar hij vandaan komt, van welke plek, dan zal het getob van Heijne misschien ook te maken hebben gehad met het feit dat hij bij Halfweg is opgegroeid. Halfweg is immers letterlijk niets, behalve een tussenstation naar ergens anders. Als nomen est omen geldt, dan verbaast het niet dat Heijne een fraai voorbeeld is van de freischwebende Intelligenz. Hij raakte, met Oscar Wilde als inspirator, welhaast geobsedeerd door de mediacultuur. Zijn stijl mist de vileine scherpte van Wilde, maar een briljant stilist is hij, een ware opvolger van zijn 'peetvader’ H.J.A. Hofland. Zijn vrije zweeftocht brengt hem in de gebundelde stukken overal waar hij denkt iets interessants tegen te komen, zijn jeugd, Sarajevo, schrijvers, internet, de rijdende rechter, de bijbel en de Griekse goden.
Als er een lijn zit in deze bundeling van stukken, dan is het die van het contrast van de Verlichting en de Contraverlichting. Waarbij hij terecht constateert dat het populisme van Wilders op de ene dag de Verlichting aanhaalt - 'hebben die moslims niet ervaren’ - en de andere dag de Contraverlichting met haar nadruk op 'het volk’ en het sentiment in plaats van de ratio. Heijne’s conclusie is dat we het populisme serieus moeten nemen en proberen te doorgronden. Zoals hij ooit in een interview over een van zijn literaire helden Louis Couperus zei: de resident in De stille kracht ging ten onder omdat hij geen oog had voor 'de mystiek der zichtbare dingen’. Dat heeft Heijne intussen wel. Zijn nieuwerwetse hang naar het religieuze verwoordt hij in de laatste zinnen, over het lege altaar dat de Grieken hadden voor 'de onbekende god’. Heijne schrijft: 'De enige god voor wie het me tegenwoordig lukt te bidden, met overgave en overtuiging, is hun raadselachtige, onbekende god.’ Hij geeft zich hiermee bloot, en dat is dapper omdat het de vraag is of dit in zijn NRC-kringen op prijs wordt gesteld.
Mijn kritiek op Heijne is dat hij er geen boek over het populisme voor heeft opgeslagen. Nu hoeft een 'vrijzwever’ dat misschien ook niet.
Deze kritiek is veel zwaarwegender bij de bundel van Dick Pels. Hij is immers wetenschapper, zelfs hoogleraar sociologie geweest. Pels vond als een van de eersten dat het populisme serieus genomen moet worden. Nu is zijn conclusie dat dit verschijnsel zelfs kansen in zich heeft voor het bereiken van een meer directe, D66-achtige 'personendemocratie’. Ook dit is winst, hoewel Pels nu een stuk minder overtuigt dan in zijn Pim-boek. Zijn nieuwste boek is eigenlijk geen boek, maar een verzameling stukken die hij afgelopen jaren her en der heeft gepubliceerd, aangevuld met geparafraseerde delen uit eerdere boeken. Deze stukken heeft hij aan elkaar willen lassen tot één geheel. De kieren en gaten zijn evenwel duidelijk zichtbaar.
In stijl en werkwijze is Pels de tegenpool van Heijne. Pels heeft een bibliografie toegevoegd van wel vijftien bladzijden, alsof hij de dingen niet op eigen kracht durft te formuleren. Zo moet de lezer zich door een struikgewas van citaten worstelen: Socrates, Machiavelli, Mills, Burke, Michels, Weber, Bourdieu, iedereen komt langs. Pels is enorm belezen, maar hier lijkt hij wel de monteur die met behulp van alle bouwschema’s sinds de oude Grieken zelf een nieuwe auto-van-de-democratie in elkaar wil zetten. Maar zonder te bestuderen wie waar eigenlijk behoefte aan heeft. Burgers, groepen en sociale ontwikkelingen komen in dit boek nauwelijks voor, wat voor een socioloog toch opmerkelijk is.
Onbevredigend is het ontbreken van enig empirisch bewijs. Terwijl Pels in zijn Pim-boek heel origineel het 'hoefijzermodel’ - populisten beginnen links en eindigen rechts, waarbij links en rechts elkaar bijna raken - uitvoerig demonstreerde, blijft het nu bij losse theorieën. Neem het model van de 'wisselwerkingsdemocratie’: horizontaal betekent dit de klassieke scheiding der machten, en verticaal de noodzakelijke communicatie en onderlinge correctie van 'de elite’ en 'het volk’. Dit noopt tot meer directe democratie, referenda, verkiezingen van de burgemeester - het D66-programma van weleer. Over hoe dit in de praktijk gaat - in Californië, of bij ons in de stadsdelen, buurten of het maatschappelijk middenveld - lezen we niets.
Hetzelfde geldt voor de 'personendemocratie’. Pels is daar als vrijzinnig 'socialistisch-individualist’ (sic) erg voor. Ik ben ook voor meer directe democratie, dus ik wil graag hierin meegaan, maar de vraag blijft onbeantwoord hoe voorkomen kan worden dat de goede personen en niet de slechte aan de macht komen. Het antwoord van Pels? Dat Wilders nu zo populair is, komt door het 'mediapopulisme’ van ook de publieke omroep. De instelling van een strenge nationale ombudsman en een 'media watch’ moet daar een einde aan maken. Tja, betekent dit censuur? We hebben het meest democratische en diverse omroepbestel van de hele wereld. En Wilders komt bijna nooit in talkshows. De Tweede Kamer en - zijns ondanks - de rechtszaal zijn z'n belangrijkste podia.
Echte antwoorden hebben Heijne en Pels dus niet. Vandaar dat de ene uitroept: 'Waar blijft de nieuwe Pericles?’ En de andere steevast: waar blijft het nieuwe 'grote verhaal’ van links? Ik zou zeggen, schrijf dat verhaal zelf.
Het grootste gemis bij beiden is het ontbreken van enige definitie van populisme. Uit zijn lange literatuurlijst, en uit de tekst zelf, blijkt niet dat Pels zich erg in het populisme heeft verdiept. Ernest Gellner, Isaiah Berlin, Edward Shils en vele anderen hebben zich erover gebogen. Zelfs Populism (2002) van de Britse politicoloog Paul Taggart ontbreekt, terwijl dat een overzicht geeft van het wereldwijde onderzoek naar het verschijnsel. Ook de Nederlandse populismeonderzoekers Cas Mudde en Koen Vossen worden niet of nauwelijks besproken.
Nu is populisme, net als Heijne’s identiteit, een 'akelig vloeibaar begrip’. Zo blijft onbesproken dat de partijvorming in Nederland rond 1900 begon met stevig populisme. Dat de onafhankelijkheidsbewegingen na 1945 in de Derde Wereld populistisch waren. En dat Van Mierlo en Nieuw Links ook enigermate populistisch waren, al gingen zij uit van actief participerende weldenkende burgers en niet van 'de zwijgende meerderheid’ en een charismatische messias. De SP van nu is ook deels populistisch.
Omdat populisme vooral een sociaal-politieke beweging - meer een mentaliteit dan een ideologie - is tegen de heersende vorm van bestuur, en dus in verschillende tijden en oorden verschillende uitwerkingen heeft gehad, is het lastig één sluitende definitie te geven. Maar de kern is overal wel de overtuiging dat er in de politiek in sommige tijden een acute en heftige morele tegenstelling ontstaat tussen twee zogenaamd homogene groepen: het 'goede volk’ en de 'slechte elite’. Deze tegenstelling ontstaat meestal als reactie op ontwikkelingen als industrialisering, modernisering, immigratie en globalisering. Een ideaaltypisch populisme bestaat uit vier kenmerken: volksverheerlijking, conspiratisme, maakbaarheidsdenken en de voorkeur voor een drempelloze directe democratie. In de praktijk vertonen politici van allerlei pluimage elementen hiervan. Zo presenteerde zowel Jimmy Carter als Barack Obama, maar ook George W. Bush en nu Sarah Palin, zich als buitenstaander die de 'verkeerde elite’ in Washington aan de kant zou schuiven, ten gunste van het 'goede volk’ in het 'heartland’.
Een studie naar de ontwikkelingsgang van het populisme in Nederland volgens deze vier kenmerken moet dus nog geschreven worden. Nu moet de lezer vanuit dat struikgewas van de theorie maar geloven dat die inspraak van de burger in politiek en mediazaken de beste oplossing is. Door het ontbreken van de empirische toets van die populismekenmerken is het te veel jumping to conclusions. Zo zijn wij, als lezers, helaas nog betrekkelijke blinden. Vanwege de grote verschillen in aanpak en ideologie moet je ál die boeken en boekjes lezen om enig benul te krijgen van de aard en omvang van het populisme. Het wachten blijft op een studie die, aan de hand van die genoemde vier kenmerken, de historische ontwikkelingsgang van de diverse verschijningsvormen van het populisme - zeg maar van Kuyper via Van Mierlo tot Fortuyn en Wilders - beschrijft.

DICK PELS
HET VOLK BESTAAT NIET: LEIDERSCHAP EN POPULISME IN DE MEDIADEMOCRATIE
De Bezige Bij, 224 blz., € 18,50

BAS HEIJNE
MOETEN WIJ VAN ELKAAR HOUDEN? HET POPULISME ONTLEED
De Bezige Bij, 128 blz., € 15,90