Kilometers waarheid

Walter van der Kooi ziet veel meer dan hij in zijn tv-kroniek kan bespreken. Deze week: Stad van twee lentes van regisseurs Frederick Mansell en Laurens Samsom.

© Stad van twee lentes

Il faut cultiver son jardin. Zo eindigt Candide ou l’optimisme waarin ramp na catastrofe leidde tot des hoofdpersoons verbluffende conclusie dat dit de beste aller denkbare werelden is. Het lijkt cynisch de bespreking van een documentaire over vernietigd Mosul (Irak) zo te openen. Maar dat is het niet. Want het begieten van de potten met fruitboompjes en bloemen die Ala’ (11) met haar papa aan het eind van de film in een soort tuincentrumpje, na afdingen, tussen de ruïnes heeft gekocht, is letterlijk wat Voltaire metaforisch adviseert. En ja, ook dat simpele water geven aan wat nog een tuintje moet worden is metafoor voor iets veel groters: de herbouw van Mosul, van Irak, na de materiële en immateriële vernietiging door IS. Het Kwaad bestaat, dat van de religieuze fanaten, zeker. Maar ook dat van hun tegenstanders in de machtsstrijd – Iraakse corrupte politici die gigantische sommen geld vragen en krijgen voor inderdaad noodzakelijke Wederopbouw. Maar die… enfin, kijk zelf naar Stad van twee lentes van Frederick Mansell en Laurens Samsom. Het is de ingekorte versie van een productie die eind maart in première ging op het Movies that Matter-festival in Den Haag, waarvan omroep BNNVARA mediapartner is.

Het is ook een dubbelportret van twee ijzersterke vrouwen: Lise Grande en genoemde Ala’ Fathi. Grande (Amerikaanse) was en is de hoogste VN-functionaris in zware brandhaarden (Congo, Zuid-Soedan, tijdens de documentaire Irak, sinds kort in Jemen). Kordaat, to the point, evenwichtig, diplomatiek, beleefd maar kritisch. Serieus, maar soms met twinkeling en glimlach. Ze staan bij een kleine energiecentrale, nagenoeg in puin. De beheerder legt uit: zes raketinslagen, twee generatoren verwoest, twee man dood. Ze kijkt, nog ernstig. Dan: ‘Weet u van wie de raketten kwamen?’, met een zowel lief als licht spottend lachje. Het trage antwoord, via de tolk: ‘Van de internationale coalitie’. ‘Oh, is it?’ En ze schatert, omdat dat waarschijnlijk het standaardantwoord is om geld los te krijgen. Dat mag onbeschoft lijken, maar als je haar een vergadering hebt zien voorzitten waarin de Irakezen vragen, of zelfs eisen, terwijl allerlei herstelprojecten niet van de grond komen omdat ze alleen familie en vrienden bij de uitvoering willen betrekken (om te zwijgen van de strijkstok), dan krijg je enig begrip voor het doorbreken van de hoffelijkheidscode.

Bovendien, de Irakezen krijgen in dit geval hun 47 miljoen dollar (van de zevenhonderd miljoen die sponsoren ter beschikking stellen), ondanks het feit dat ze, terug in de VN-auto, off the record zegt: ‘Ik weet niet of ik dit kloteding zou herstellen’. Om toe te voegen: ‘Ik geloof het wel.’ Wees gerust, dit is de meest baldadige scène, en dat pas vlak voor het eind van de film. En in een andere vergadering wordt duidelijk hoe oprecht wanhopig ook fatsoenlijke Irakezen zijn over de toestand van het land. Hoezeer ze de internationale gemeenschap medeverantwoordelijk houden voor veel ellende (en dan komt de invasie wegens niet-bestaande massavernietigingswapens nog niet eens aan de orde). Maar ook hoe razend ze zijn op hun regering die in Turkije van het goede leven geniet, om alleen terug te komen voor herverkiezing, terwijl zij zelf in de letterlijke en figuurlijke puinhopen moeten leven. Het is ook te gruwelijk allemaal.

De verrukkelijke Ala’ leren we kennen als ze nog met het gezin in het vluchtelingenkamp woont, waar haar vader in een telefoongesprek zegt: ‘We komen híer om door de hitte of thuis door IS.’ Ala’ zit ernaast en hoort en ziet alles; zoals alle kinderen daar dingen horen en zien en meemaken die je nooit moet meemaken, zeker niet als kind. Ze is ongelofelijk wijs en bijdehand. Met haar elf is ze de oudste van vijf of zes kinderen en als een volwassen vrouw sjouwt ze met baby en peuter rond, wast ze, doet ze de was en voedt op. Mama komt letterlijk en figuurlijk nauwelijks in beeld, zoals in de meeste documentaires over het Midden-Oosten. Ze wil niet of mag niet, al lijkt papa Mohammed behoorlijk liberaal.

Dat Ala’ in het kamp continu rondloopt in haar roze kruising tussen pyama en trainingspak, maar vooral dat ze ongesluierd is, beschouwt deze kijker onnadenkend als vanzelfsprekend. Maar terug in Mosul, op haar eerste schooldag sinds tijden, blijkt ze een van de weinige meisjes zonder hoofdbedekking. Overigens ligt een grote kracht van de film in de vanzelfsprekende en diepe liefde tussen dochter en vader en vader en dochter. Ontroerend hoe die van elkaar genieten en hoe relaxed papa in elke situatie weer is. Als ze, terug in Mosul, in zijn taxi vertelt dat ze de meester heeft gevraagd of hij nou leraar of een ezel is (hij vertelt dat planten alleen in water groeien), denk ik: ik zou toch bezorgd of zelfs boos reageren als ze mijn dochter was, zeker in een patriarchale cultuur. Maar hij lacht en vraagt of ze dat echt zei. Ja dus, maar ze kreeg wel een tik met de liniaal, waar hij dan weer niet mee kan zitten. Zij eigenlijk ook niet.

Ala’ kan nog niet schrijven, dus dicteert ze papa in het kamp een brief aan oma en opa. Dat ze veel van ze houdt en dat ze ze mist. En dat ze veel van ze houdt (‘dat heb je al honderd keer geschreven’, zegt papa). En dat ze terug thuis een tuin zou willen: ‘dan stoppen we dingen in de grond, tomaten, bloemen, selderij. Dat is alles wat ik wil.’ Het begieten maakt dus de verhaalcirkel rond. En zelfs als dat een dramaturgisch idee van de makers zou zijn; en als de wandeling die vader en dochter, haast sprakeloos, hand in hand door verwoest Mosul maken (‘daar was een apotheek, daar een kledingwinkel, daar elektra’) dat ook zou zijn, ik zou het liefdevol accepteren, omdat ik voor een millimeter bedrogen zou worden en daarmee voor kilometers waarheid terug had gekregen.

In deze film komen het structurele (VN, geld, herbouw, politiek, corruptie) en het persoonlijke (vlucht, terugkeer, school, taxi, tuintje) afwisselend voorbij. Maar ze hebben natuurlijk echt met elkaar van doen. Misschien schrijf ik hier te weinig over dat grote, over die fascinerende vergaderingen die een soort koorddansen zijn tussen respect en kritiek (van beide kanten trouwens); en te weinig over de Nederlandse ambassadeur Jan Waltmans die een positieve bijrol vervult. Maar ik ben echt vervuld van dat prachtige meisje dat vaak zo prachtig gefilmd wordt. En bedenk dan dat zij het nog zo getroffen heeft met een gezin zonder slachtoffers, met een topvader, met een huis dat er bij terugkeer nog blijkt te staan in die woestenij. Want als de juf op school Engels gaat geven en aan elk kind vraagt wat ‘daddy’, ‘baba’ nu doet (waterleiding herstellen, chaufferen), dan kan een meisje geen woord uitbrengen. Niet omdat ze de vraag niet begrijpt, maar omdat ze alleen maar kan huilen. Godlof zie je de troostende hand van juf dan om het gezichtje. Want hoeveel baba’s en broers en ooms en opa’s zijn er niet dood door IS? En door bombardement ook mama’s, zusjes, oma’s? Hopelijk bloeit het sinaasappelboompje van Ala’. En zij zelf.


Frederick Mansell, Laurens Samsom, Stad van twee lentes, BNNVARA, maandag 22 april, NPO 2, 21.00 uur.