Kilroy was here

Ib Michael, Kilroy Kilroy. Uit het Deens vertaald door Gerard Rasch. Uitg. De Bezig Bij, 310 blz., 3 49,90.
Wie is die tweemaal in de titel genoemde Kilroy in deze roman van de Deense schrijver Ib Michael? Hij weet het zelf niet en hij zal het nooit weten. Tweemaal verliest hij zijn geheugen, twee keer wordt het door de flits van een atoombom leeggebrand. De eerste keer was dat een ongeluk met een van de eerste versies van de Enola Gay, een proefbom die generaal MacArthur op eigen houtje boven de Stille Zuidzee wilde testen, waarvoor hij de stuntvlieger Scotty Sapiro had uitgekozen.

Die naam, overigens toen ook al een deknaam, zegt hem meer dan vijftig jaar later niets meer; zijn geheugen komt niet terug, ook niet als een toenmalige strijdmakker hem alles over die tijd vertelt. De proef mislukte: de bom bleef in het luik hangen en ontplofte; de piloot belandde in zee bij een koraaleiland. Daar beleeft hij een paradijselijke periode nadat hij door de bewoners van het Polynesische eiland, tevens een geallieerde basis, is opgelapt. Ook zijn taal is hij kwijt en om in elk geval iemand te zijn kiest hij de naam die hij overal geschreven ziet, Kilroy.
Een tijdlang deelt hij dit leven van vissen en parelduiken met een jonge Japanse kamikaze-piloot die op het eiland is geland. Als deze door GI’s gemarteld wordt en alsnog zelfmoord pleegt, gaat Kilroy over de rooie: hij vlucht in het Japanse vliegtuigje, schiet een legertje Amerikaanse vliegtuigen die een Japans vliegdekschip aanvallen overhoop en na door de Japanners als held te zijn binnengehaald, vecht hij tot begin augustus 1945 aan hun kant. Dan verliest hij andermaal zijn geheugen, wanneer hij te voet op weg naar Hiroshima de eerste officiële atoombom ziet vallen. Vervolgens wordt hij door MacArthur persoonlijk naar Amerika teruggestuurd; alleen bestaat er voor hem geen terug. Tientallen jaren leidt hij een leven dat voldoende herinneringen oplevert voor meer dan één leven terwijl hij ondertussen alles doet om te achterhalen wie hij werkelijk is; uit de archieven is hij spoorloos verdwenen.
Het toeval brengt hem in de jaren tachtig in China, als hij een opdracht aanneemt om een aantal oude jachtvliegtuigen op te knappen voor een reünie van piloten die in de jaren veertig in Zuidoost-Azië gevlogen hebben. Daar komen de diverse lijnen samen. Hij stuit er op zijn oude maat, die na de mislukte atoomproef in Japanse gevangenschap belandde en later de kant van de Chinezen zou kiezen. En ontmoet er een Tibetaanse lama die hij in de jaren zestig in Indiana heeft gesproken, de broer van de Dalai Lama, die nu aan het hoofd staat van het gewapende verzet tegen de Chinese bezetters. Verbindende persoon aldaar is een jonge Europese vrouw, die er rondreist omdat zij haar verleden juist wil vergeten.
Behalve een oorlogsroman wordt het boek door haar verhaal ook nog een fascinerend reisverhaal. Verbazingwekkend is de ongelooflijke hoeveelheid details waarover de schrijver beschikt, of het nu gaat om het ritueel van het badhuis of in een boeddhistische klooster of om een kleine opera, hij vertelt over de opvolgingsgeschiedenis van de Lama’s evengoed als over de lijdenswg die mensen doorliepen in de verschillende seizoenen van het Chinese regime. Zelfs de uitwerking van de atoombom wordt beschreven alsof de schrijver de ontploffing met eigen ogen heeft gezien. Zijn beeldende stijl past trouwens goed bij die aandacht voor details. En het is een boek waaruit je nog eens wat opsteekt: over het slachten van schildpadden bijvoorbeeld. Dat alles weet Michael bovendien, ingenieus zijn verhaallijnen wevend en zorgvuldig doserend, tot een overtuigend geheel te maken.
Zo'n boek mag toch niet zomaar ongemerkt passeren, een bijzonder en zelfs moedig boek, want wie durft er zomaar een roman over de eerste atoombom te schrijven en het in diezelfde roman ook nog over het Tibetaanse verzet te hebben?