Na een periode van twintig jaar waarin de aandacht van rechts, met electoraal succes, vooral uitging naar het benoemen van het externe gevaar – ‘De Ander’, ‘de nieuwkomer’, ‘de gelukzoeker’ – raakte die populistische bombast langzaam uitgewerkt. Het wijzen naar ‘de vreemdeling’ kon niet langer verhullen dat de verf van het eigen huis aan het afbladderen was – en dat was niet de schuld van de vreemdeling, maar van de eigen huismeesters.

Bijna vier decennia van politiek beleid gericht op publieke verschraling begonnen hun tol te eisen, met als gevolg de onttakeling van de pijlers onder de verzorgingsstaat, zoals volksgezondheid, onderwijs, huisvesting en sociale zekerheid. Maar ook: het stagneren van het besteedbare inkomen van Nederlandse gezinnen op het peil van 2001; de huurstijgingen; de lastenverzwaringen voor werkenden en -verlichtingen voor bedrijven; het uitblijven van een doortimmerd klimaatbeleid; een verdubbeling van het aantal daklozen; en een ongezond financieel stelsel, zelfs na de financiële crisis – het is maar een greep uit de problemen in onze eigen achtertuin.

De boodschap van ‘het gevaar komt van buiten’ verwaterde, de opwinding en verontwaardiging zwakten af en een oplossing of concreet beleid bleef uit. Het scp trok al jaren aan de bel over de toenemende tweedeling in de samenleving en het feit dat opwaartse mobiliteit als drijvende kracht voor de middenklasse voorbij was. De angst voor het vreemde bood niet langer een afdoende verklaring; deze middengroepen als voornaamste achterban van centrum-rechtse partijen verdienden aandacht en zorg. Het was tijd om burgers te enthousiasmeren met een nieuw verhaal.

Een duidelijk teken dat er een verschuiving plaatsvond van een jarenlange negatieve boodschap van angst voor het externe gevaar naar een positieve boodschap van focus op het eigene (maar met hetzelfde uitsluitingsbeleid), was er in de zomer van 2019.

Binnen één week tijd gebruikten twee cda-kroonprinsen, getipt om Sybrand van Haersma Buma op te volgen als partijleider, exact dezelfde Amerikaanse uitdrukking: de fear of falling. De angst om te vallen. Een term gemunt door de Amerikaanse schrijfster Barbara Ehrenreich in 1989, in haar boek Fear of Falling: The Inner Life of the Middle Class. Daarin concentreert de schrijfster zich op de Amerikaanse middenklasse, en dan met name de professionele laag daarbinnen: managers, advocaten, consultants en andere experts uit de dienstensector die tussen de jaren vijftig en tachtig van de vorige eeuw door middel van ‘hoofdarbeid’ in hoog tempo een nieuwe, gegoede kaste hadden gevormd.

Ehrenreich legt uit waarom deze groep mensen het liberalisme en het gedachtegoed van de gelijkwaardige, vrije mens, stapsgewijs inruilden voor een meer vileine en egoïstische ideologie. Deze ‘nieuwe professionals’ waren vaak werkzaam in de vele functies die de rap uitgedijde private sector bood. Het was een klasse waarvan de leden snel in welvaart en status waren opgeklommen; nieuwe rijken die verlies van inkomen niet met reservoirs aan familiegeld of bezit konden opvangen, zoals de oude rijken. Ze raakten in de greep van twee angsten: het mogelijke verlies van hun positie in de samenleving, en het vooruitzicht dat hun kinderen een minder welvarend leven te wachten stond.

Volgens Ehrenreich lieten de leden van deze groep zich lange tijd voorstaan op deugden als professionele en morele integriteit en gelijke kansen voor ieder individu. Maar onder de druk van toenemende onzekerheden en economische stress mondde dat eind jaren tachtig uit in een vorm van ‘countryclub’-denken. Een middenklasse die angstvallig aan haar eigen status vasthield, de bereikte levensstandaard voor het eigen kroost gegarandeerd wilde zien, en daarom een streng deurbeleid voor mensen uit andere groepen en klassen opeens een prima optie vond.

Toen ik de Amerikaanse term in augustus 2019 dan ook opeens uit de mond hoorde van Hugo de Jonge, minister van Volksgezondheid, maar op dat moment vooral in de race voor het cda-leiderschap, spitste ik de oren. In zijn lezing tijdens het Christelijk-Sociaal Congres zei hij: ‘Veel mensen maken zich zorgen. Over de globalisering en de onrustige wereld waarin we leven. Over migratie en integratie, en of Nederland straks nog wel Nederland is. Over de zorg, waarover ik zojuist sprak. Over de veiligheid, of de overheid daar nog wel voor kan instaan en of de rechtsstaat nog wel in staat is om ons te beschermen. Het zijn zorgen die horen bij wat de Amerikanen “the fear of falling” noemen. De meesten van ons beseffen heel goed dat we in een mooi land wonen. Maar we voelen ook aan dat dat geen rustig bezit is. De zorg is dat onze kinderen en kleinkinderen het veel minder goed zullen hebben.’

Enkele dagen later, begin september 2019, presenteerde zijn rechtstreekse concurrent minister van Financiën Wopke Hoekstra zijn visie op Nederland en de kwesties waardoor ‘de samenleving uit balans dreigt te raken’ in de HJ Schoo-lezing. Opvallend genoeg gebruikte hij exact dezelfde uitdrukking: ‘Aan die keukentafel zitten namelijk heel normale Nederlandse gezinnen. (…) Opgevoed met het idee dat wie goed zijn best doet, en omkijkt naar z’n naaste, vooruitkomt in het leven. Het weer net een beetje beter zal krijgen dan de vorige generatie. Dat wie hard werkt, daarvan de vruchten moet kunnen plukken. (…) Maar juist die wederkerigheid staat onder druk. (…) Dames en heren, precies dat is wat in Amerika wel de fear of falling van de middenklasse wordt genoemd. De fear of falling: de angst om te verliezen wat verworven leek. Om van een kwartje opnieuw naar een dubbeltje te moeten. Onzekerheid over de toekomst. Die zorgen zijn terecht, want oude en vertrouwde economische zekerheden staan juist voor de middenklasse onder druk.’

Met een herhaaldelijke verwijzing naar liberale waarden als ‘wederkerigheid’ (veertien keer door Hoekstra) en ‘solidariteit’ (negen keer door De Jonge) leken beide cda-kroonprinsen hier te breken met het rechts-populisme dat hun vorige partijleider in steeds provocerender en ongefundeerder uitlatingen had omarmd. De boodschap was in ieder geval duidelijk: het is tijd voor zelfzorg, als noodzakelijke ingreep om weer ‘rustig bezit’ te krijgen en ‘onze’ (klein)kinderen een fijne toekomst te kunnen garanderen.

Laten we voor het gemak even aannemen dat migratie inderdaad een van de oorzaken is van een gebrek aan wederkerigheid en solidariteit; of ten minste een gevoel van onzekerheid dat bijdraagt aan de ‘angst om te vallen’. Dan blijft het interessant om te onderzoeken in hoeverre diezelfde sentimenten wellicht óók voortkomen uit eigenschappen van de middenklasse die lijken op wat Ehrenreich eerder in Amerika signaleerde, maar die door Hoekstra noch De Jonge werden aangestipt.

De radicale FvD-standpunten waren voor de Moederhart-vrouwen geen beletsel; eigen welzijn ging even voor Wellness

En dat is een naar binnen gekeerde mentaliteit die in toenemende mate in de middenklasse zélf heerst. Een mentaliteit die zich meer richt op verworven rechten dan op plichten, en een waardoor men meer bezig is met behoud van de eigen club dan met solidariteit met de mensen die er ook graag bij zouden willen horen – migranten, kwetsbaren, mensen op de rand van zelfredzaamheid. Een terugval, kortom, van echte liberale waarden.

De middengroepen in Nederland zijn heterogeen, maar één ding hebben ze gemeen: ze staan onder druk en ervaren steeds meer stress en onzekerheid. Een van de conclusies uit het rapport De val van de middenklasse? van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (wrr) in 2017 was dan ook: om daling op de sociale ladder te voorkomen moet men steeds grotere inspanningen verrichten; op één inkomen uit arbeid redden de meeste gezinnen het al lang niet meer.

Hoewel er voor de hogere middenklasse op het eerste gezicht minder reden voor acute bezorgdheid was, heerste ook daar het besef dat de vergaarde welvaart maar één generatie meegaat. De meesten van hen hadden geen buffer aan familiekapitaal om kinderen en kleinkinderen eenzelfde levensstijl te garanderen en hun inkomen kwam uit (goedbetaalde) arbeid die zwaar werd belast, terwijl vermogens fiscaal werden ontzien.

Daaruit vloeide meteen ook een belangrijke grief voort: met lede ogen moesten deze hardwerkende professionals toezien hoe de afstand tot de echte rijken groter en feitelijk onoverbrugbaar werd. Met een dagelijks leven dat steeds onzekerder werd en een toekomstbeeld dat onvoorspelbaar was, kwamen niet alleen werk, opleiding en status onder druk te staan, maar ook de liberale waarden waardoor veel mensen uit het middensegment werden gedreven.

Hand in hand met de westerse vrijemarkteconomie was het liberale mensbeeld tot bloei gekomen: eenieder moest zo vrij mogelijk zijn om zijn of haar bestaan naar eigen inzicht vorm te geven. Het mocht niet meer uitmaken wat je afkomst was en hoe je vader heette, of je uit een familie met bezit kwam en welke religie je aanhing: met onderwijs en hard werken kon iedereen zich toegang verschaffen tot een goed bestaan. Dubbeltjes konden kwartjes worden: een instelling die veel energie genereerde. Ik vergelijk het weleens met een reallife Pacman-spel, een van de succesvolste computerspellen aller tijden. Iedereen heeft hetzelfde speelveld en dezelfde startpositie en het poppetje dat het hardste werkt scoort de meeste bolletjes. Ondersteund door het extra vertrouwen van een vangnet van sociale zekerheden ontstond zo bovendien de ruimte voor vrijere waarden.

Hoe minder men zich hoefde te bekommeren om existentiële zorgen als bestaanszekerheid, veiligheid en ontwikkeling, hoe meer men het zich kon veroorloven er open denkbeelden op na te houden. Er ontstond een zekere bravoure waardoor men het aandurfde risico’s te nemen, durfde te verkennen wat er allemaal buiten de bekende terreinen als religie en culturele traditie gebeurde.

Zo kwam er, stap voor stap, ruimte voor een debat over vrouwen- of homorechten, ruimte om vrijheid boven zekerheid te verkiezen, welzijn boven welvaart, creativiteit boven discipline, diversiteit en tolerantie boven eenheid en geslotenheid. De sfeer van naoorlogse welvaart en de ontwikkeling van de verzorgingsstaat ademden niet alleen belofte, maar behelsden ook hoge verwachtingen voor het middensegment.

Ehrenreich identificeert twee elementen die cruciaal zijn om de fear of falling te begrijpen. Ten eerste de snelle opkomst van een klasse door middel van onderwijs en werk in plaats van eigendom en kapitaal, en het gevoel van status en zelfbewustzijn dat daarmee gepaard ging. Ze heeft het over de ‘hoofdarbeiders’, variërend van managers, academici en journalisten tot creatieven; voor een belangrijk deel kantoorlieden die een nieuwe laag boven de uitvoerende ambachtsmensen vormden.

In zeer korte tijd werden de hoofdarbeiders een groep in de middenklasse die behoorlijk aanzien genoot. Niet altijd omdat ze per se goed verdienden, maar ook omdat ze kennis en vaardigheden bezaten waardoor ze zich met zelfvertrouwen door de samenleving bewogen. Ze lieten zich bovendien voorstaan op hun liberale waarden en een zekere morele verhevenheid in hun visie op thema’s als ongelijkheid en armoede, waarmee ze zich afzetten tegen de arbeidersklasse en de binnen die groep veronderstelde overtuigingen van brute mannelijkheid en racisme.

Het eerste element schetst hun opkomst en verworven status, het tweede element verklaart hun angst. De maatschappelijke positie van deze relatief nieuwe middenklasse steunde meer op cultureel kapitaal (kennis, vaardigheden) dan op economisch kapitaal (vermogen), en daar zit ’m ook meteen de zwakke plek. Eigendom, (familie)geld en de juiste achternaam in een systeem dat daar waarde aan hecht, zijn tastbare zaken die je in een kluis kunt bewaren voor volgende generaties, zonder dat ze hun waarde verliezen. Maar hoofdarbeid gaat mee in het graf. Wanneer iedereen werkelijk vanuit een gelijk speelveld zou opereren, betekent het dat ieder nieuwgeboren familielid zélf aan de bak moet om, met opleidingen en hard werken, een soortgelijke positie te bereiken – een advocaat kan zijn diploma en kennis niet bij geboorte aan zijn zoon of dochter meegeven. Met dit besef groeide het belang van toegang tot de ‘juiste’ scholen, sportclubs, hobby’s en universiteiten.

De schepping van een afgebakende wereld om op de lange termijn toch de zekerheid en stabiliteit te kunnen creëren die voor het nageslacht dezelfde welvaart en status genereren; zelfbehoud is een van de belangrijkste motoren van de middenklasse.

Van de bravoure van liberale waarden en open poorten – ‘gelijke kansen voor iedereen’, ‘join the club!’ – deed men een stapje terug. Ehrenreich geeft een mooi voorbeeld: toen progressieve studentenbewegingen universiteiten begonnen te bezetten, met een oproep tot een radicaal egalitair beleid dat geen mensen meer buitensloot op grond van kleur, geslacht of armoede, kwam uitgerekend de middenklasse daartegen in het geweer. Het was ‘onfatsoenlijk’ om aan de autoriteit van universiteiten en hun professoren te tornen – dit waren nu juist de instituten en bijbehorende mensen die hun kroost een stempel van goedkeuring konden geven.

Deze onderwijsinstituties fungeerden als een nieuw soort zegelring; niet alleen als herkenbaar teken van je keurige afkomst, maar ook als sleutel tot een groep die gegarandeerd toegang bood tot een levensstijl en dezelfde sociale status als je ouders.

Voor het eerst ontstond binnen deze, voorheen op gelijkheidsdenken gefundeerde groep het gevoel dat wanneer anderen iets te winnen hadden, zijzelf iets zouden verliezen. Hieruit kwam een nieuw sentiment voort: eerst maar eens zorgen dat het eigen kroost binnen dat ‘gelijke’ Pacman-speelveld de beste vaardigheden had om voldoende bolletjes binnen te halen, en dan zien we wel verder. Het liberale vooruitgangsdenken, dat een einde aan alle klassen had moeten maken, was de moeder van een nieuw ongelijkheidssysteem tussen haves en havenots, met aan beide zijden reden voor groeiende verontwaardiging.

De middenklasse vreest dat wanneer anderen iets te winnen hebben, zijzelf iets zullen verliezen

Dat bepaalde klassen er een specifieke, eigen levensstijl op nahouden, is niet nieuw. De auto waarin je rijdt, je vakantiebestemming, het merk spijkerbroek dat je draagt en zelfs de namen van je kinderen zijn uitingen aan de buitenwereld om aan te geven tot welke groep je behoort of wil behoren. Kinderen die Jaydon en Kimberly heten, of Olivier en Lieve, vormen voor de buitenstaander een voorspelbaar doorkijkje naar twee totaal verschillende gezinnen, met vaak verschillende sociale posities.

Dat hoeft geen probleem te zijn – tot het als hindernis wordt opgeworpen om bij ‘de club’ te mogen horen. ‘De club’ betekent dan: de klasse of groep die de beste toegang heeft tot de opleiding of baan die je nastreeft.

Volgens het gelijkheidsideaal zou sociale mobiliteit voor iedereen mogelijk moeten zijn, welke naam, esthetiek, culturele bagage of gedragscodes je ook van huis uit hebt meegekregen. Maar om zekerheid te creëren voor het behoud van de eigen positie ontstond onder de gegoede middenklasse de ‘dictatuur van de goede smaak’. Het is een ongeschreven dictaat van de ‘juiste’ schoolkeuze, vakantiebestemming, hobby’s, kleding, taalgebruik en meer. Een slimme manier van risicospreiding: wanneer jij of je kinderen (nog) niet de gewenste vaardigheden of opleiding hebben, of een baan die je op de gewenste positie brengt, heb je alvast de levensstijl om uit te stralen dat je bij die klasse hoort.

Heb je wel al het gewenste bereikt, dan fungeert het als een soort levensverzekering: men houdt elkaar onderling in stand. Dat is belangrijk, omdat binnen die klasse een rad van zelfbehoud draait dat bijna net zo waardevol is als een financiële erfenis: alle leden dienen elkaars belang en zo verschijnen hun kinderen met een voorsprong aan de start.

Hetzelfde mechanisme werd pijnlijk zichtbaar in de documentaireserie Klassen, over kinderen in groep acht uit Amsterdam-Noord die opgroeien zonder enig sociaal of cultureel kapitaal, tegenover hun leeftijdsgenoten van hoogopgeleide ouders die even verderop een totaal ander toekomstperspectief hebben – en niet per se omdat ze meer talent, intellect of arbeidsethos bezitten.

Wanneer je al die stutpalen van sociaal en cultureel kapitaal zou weghalen en de kansen écht gelijkwaardig zouden zijn, blijkt hoe ‘gewoon’ veel mensen uit deze groepen eigenlijk zijn en hoe groot de concurrentie opeens is met andere ‘gewone’ mensen.

Een van de redenen dat mensen uit de huidige (gegoede) middenklasse weinig aandrang voelen zich in te zetten voor meer dan kortetermijnzelfbehoud, is dat bijna niemand in die groep vindt dat hij of zij nou zo bevoorrecht is. Doorgaans wordt vol afschuw gereageerd op de suggestie dat ze deel uitmaken van een ‘elite’ – een woord dat niets meer betekent dan een groep die vanwege haar vaardigheden of voorrechten een comfortabele positie inneemt en van daaruit dus ook iets voor een ander zou kunnen betekenen.

Een mooie anekdote om dat te illustreren is een filmpje van satirisch programmamaker Roel Maalderink, waarin hij op een dorpsplein in ’t Gooi mensen aanspreekt. ‘Hoe elitair bent u?’ en ‘Hoort u bij de elite?’ vraagt hij aan voorbijgangers – mannen in jagersjassen, vrouwen met pareloorbellen, allen even keurig en beleefd. De passanten antwoorden overwegend ontkennend en soms zelfs beledigd, alsof ze ergens van worden beticht. Op één dame na (‘Mensen durven niet in de spiegel te kijken’) worden ze allemaal overvallen door de vraag en lijken er nooit eerder bij stil te hebben gestaan hoe groot hun culturele, sociale dan wel financiële kapitaal is.

In theorie vinden de meeste mensen heus wel dat een bepaalde mate van kansen, invloed of vermogen gepaard moet gaan met verantwoordelijkheden. Iets met lusten en lasten, minder zorgen dus meer tijd voor vergezichten. Het klinkt logisch, maar in de praktijk blijkt het toch vaak een illusie: razendsnel van de bestuurdersstoel naar de achterbank te duiken zodra er zwaar weer in zicht is – een soort privilegeparadox.

Zo was daar redelijk recent de kredietcrisis, waarbij de slimme koppen die in de aanloop ervan hun status en welvaart vergaarden, zich angstvallig stilhielden. Opgeleid aan de beste universiteiten en gevormd door ’s werelds meest prestigieuze zakenbanken, waren ze niet in staat het volk voor het financiële ravijn te behoeden, noch hadden ze daarna de moed om met een radicaal ander, beter systeem te komen. Schrijver William Deresiewicz noemde deze groep mensen excellent sheep, uitblinkende schapen. Nadat Deresiewicz in de aanloop naar de kredietcrisis tien jaar had lesgegeven aan de vooraanstaande Amerikaanse universiteit Yale, was hij geschokt over wat hij daar bij zijn studenten had aangetroffen. Dit waren de knapste geesten van het land, de veelbelovendste studenten met een gegarandeerde carrière in de top van de politiek en het bedrijfsleven. Op de weg richting een topuniversiteit waren deze kinderen door hun ouders en peperdure privé-begeleiders jarenlang gedrild in een keurslijf van de ‘juiste’ middelbare scholen en sportclubs, hoge cijfers en een inschrijving die las als het cv van een pensionado.

Maar volgens Deresiewicz was de rode draad in hun mentaliteit een absoluut gebrek aan autonomie, creativiteit of kritisch denkvermogen. Ze hadden geen enkele sense of purpose; deze toekomstige leiders was vooral geleerd hoe ze goed door de juiste hoepels moesten springen; hun eigen morele kompas was onderontwikkeld en feitelijk irrelevant. Een innerlijke motivatie om met hun opleiding en talent de wereld beter in te richten was totaal afwezig. Vandaar zijn term ‘uitblinkende schapen’: mensen met alle kansen om te excelleren in het leven en echt iets te betekenen, maar gedoemd tot een carrière lang meelopen in een systeem dat slechts hun zelfbehoud en dat van hun soortgenoten diende.

Zo werden op allerlei verschillende manieren ‘clubjes’ gecreëerd met exclusieve toegang voor de eigen leden, en een ballotage die meer was gebaseerd op herkenning, zelfbehoud en elkaars belang dienen dan op capaciteiten.

In de middenklasse heerst een mentaliteit die zich meer richt op verworven rechten dan op plichten

Naast de voorheen liberale middenklassen was er nog een groep Nederlanders die zich ineens aan de rechterkant van het politieke spectrum opdook. Dit was een ontwikkeling die in de aanloop naar de verkiezingen van maart 2021 nauwelijks werd opgepikt door politieke commentatoren – wat in de meeste gevallen misschien niet verwonderlijk was, gelet op hun leeftijd, geslacht en geringe kennis van het online-universum waar deze vrouwen hun platform hebben. Maar wie zich al langer verdiepte in de wereldwijde ontwikkelingen rond de alt-rightbeweging zag deze golf vanuit Amerika aankomen. Het ging om een groep die voorheen apolitiek was, althans, zich in deze georganiseerde vorm nog niet eerder in de politieke arena had laten gelden: bezorgde moeders en sociale-media-influencers uit de welzijnshoek.

Wat het voor buitenstaanders extra lastig maakte greep te krijgen op deze nieuwe zijtak van de radicaal-rechtse stroming was het feit dat de betreffende vrouwen naar eigen zeggen helemaal niets met discriminerend gedachtegoed of uitsluitingsbeleid te maken wilden hebben. Sterker nog: ze zagen zich juist gedwongen tot deze politieke voorkeur omdat ze zichzélf uitgesloten voelden, met name door de coronamaatregelen.

De ‘Vrijheidskaravaan’ van Forum voor Democratie die in campagnetijd door Nederland trok voor een onbekommerd samenzijn terwijl een pandemie de samenleving op slot had gezet, speelde in op sentimenten die binnen deze groep al veel langer leefden. Door corona viel alles samen: de noodzaak tot zelfzorg, in combinatie met wantrouwen jegens de heersende machtsbolwerken.

Uit kiezersonderzoek van Ipsos bleek dat bij bijna driekwart van de FvD-stemmers in maart 2021 de coronamaatregelen en/of de (on)betrouwbaarheid van de overheid een grote rol speelden in hun stemkeuze. Maar liefst een kwart van de FvD-stemmen bestond uit ‘nieuwe’ politieke deelnemers, die tijdens de vorige parlementsverkiezingen überhaupt niet hadden gestemd.

En waren het bij de Tweede-Kamerverkiezingen van 2017 en de Provinciale-Statenverkiezingen van 2019 nog overwegend mannen die op FvD stemden, de aanhang in 2021 was opeens gelijk verdeeld tussen mannen en vrouwen – ondanks (of dankzij?) de alleen maar toegenomen retoriek over antisemitische complottheorieën, ‘ritueel kindermisbruik’, ‘deep state’ en onwetenschappelijke tot zelfs gevaarlijke ‘viruswaarheden’ over corona. ‘Deze verkiezingen zullen worden gewonnen door de moeders,’ tweette FvD-leider Thierry Baudet op de ochtend van 6 maart 2021, een week voor de verkiezingen. ‘Moeders die hun kinderen beschermen tegen wattenstaafjes elke ochtend in de neus. Tegen 1,5 m en gedwongen thuiszitten. Tegen semi-verplichte vaccinaties. En tegen quasi-pedofilie op de npo. Moeders stemmen #FVD.’

Wie waren deze vrouwen?

Alt-right en moederliefde, dat was een novum – althans: zo leek het. Want in een parallel, digitaal universum was deze kruisbestuiving al langer gaande. Om het ontstaan ervan te begrijpen, moeten we terug naar de Amerikaanse bron. Onder het beginnende presidentschap van Donald Trump trof een willekeurige selectie van zijn aanhangers elkaar online om haat jegens de ‘liberals’ te spuien – in Amerika een scheldwoord voor progressieve mensen en Democraten, of simpelweg iedereen die met te losse waarden de conservatieve familiemoraal bedreigt. Vanaf eind 2017 ontstond uit deze groep een steeds extremistischer cultus van nationalisten en alt-rightaanhangers die de uitzinnigste complottheorieën aanhingen, onder de naam QAnon (spreek uit: kjoe-anon). De ‘Q’ verwijst naar de vermeende inlichtingenfunctionaris van de regering die de geestelijk vader van de beweging is, ‘Anon’ staat voor anoniem. Centraal in deze onlinegemeenschap stond het heilige geloof dat hun leider, president Trump, een geheime oorlog voerde tegen een wereldwijde elite van Satan vererende pedofielen op machtige posities in de zakenwereld, de politiek en de media – met name joden.

Extremistische groeperingen worden van oudsher gedomineerd door mannen, althans: op het oog. Achter de schermen vormen vrouwen vaak een belangrijke stuwende kracht bij dergelijke bewegingen, van de eta, de ira tot de kkk, hoewel ze door de buitenwacht niet altijd even serieus worden genomen. Dat was bij QAnon in eerste instantie niet anders. De inlichtingendiensten volgden het spoor van testosteron-gedreven bombast die witte, mannelijke extremisten online achterlieten. Het was dan ook niet gek dat de radicalisering online van een specifieke groep vrouwen langere tijd onopgemerkt bleef. Deze vrouwen leken in alles het tegenovergestelde van de stereotiepe alt-rightmannen en stonden juist bekend om hun zachtaardige, natuurgerichte en menslievende uitstraling. Het ging om vrouwen uit de spirituele hoek, die niet of nauwelijks macht bezaten in de politiek of op een traditionele werkvloer, maar die online een enorm bereik hadden.

Ze verkeerden in een virtuele wereld die draait om zaken als alternatieve geneeswijzen, geestelijke en fysieke gezondheid, fitness, ‘natural birth’ of ‘hypno birth’, het moederschap en vrouw-zijn, meditatie, mindfulness, yoga en spiritualiteit. In dat online-universum hadden deze vrouwen zowel een platform als grote onderlinge verwevenheid, en dus een wereldwijd bereik binnen een muisklik. Hun gezamenlijke achterban bestond uit miljoenen volstrekt ‘normale’ vrouwen (en in mindere mate mannen) van over de hele wereld, die hen volgden voor licht verteerbare content over het alledaagse leven.

Ook hier fungeerden het coronavirus en de wereldwijde lockdowns als een vliegwiel: online nam de zoekactiviteit over het virus vanaf medio 2020 aanmerkelijk toe en zo ook onder deze vrouwen. Van oudsher bestond er bij deze groep al wantrouwen jegens de farmaceutische industrie of ‘Big Pharma’, en was er sprake van een bovenmatige focus op het moederschap. Dat allerlei theorieën over bijwerkingen van het coronavaccin en een mogelijk gedwongen vaccinatie van jonge kinderen juist binnen deze gemeenschap razendsnel vruchtbare bodem vonden, was dus niet verwonderlijk.

Een van de eerste verbindingen tussen deze twee op het oog onverenigbare werelden ontstond toen QAnon-aanhangers massaal de hashtag #SaveOurChildren (in Nederland: #redonzekinderen) begonnen te gebruiken. Steeds meer vrouwen en moeders begonnen aan te haken bij het geloof dat op grote schaal kinderen werden misbruikt, kinderporno werd verspreid en kinderhandel plaatsvond, ten behoeve van de perverse behoeften van de machtigen op aarde die alles in het werk stelden om deze praktijken toe te dekken. Ook het ‘verzinnen’ van het coronavirus zou een strategische zet zijn in het grote plan van de elite: alle vrijheidsbeperkende maatregelen, de verplichte mondkapjes en het invoeren van coronapassen zouden de opmaat vormen naar een autoritaire staat, waarin het volk volledig gecontroleerd werd.

Het resultaat: de betreffende vrouwen vielen via hun telefoon- of computerscherm ‘down the rabbithole’, het konijnenhol in, waarin een compleet alternatieve realiteit zich aan hen openbaarde. Het duurde dan ook niet lang tot de keiharde, van agressie doordrenkte QAnon-terminologie in verzachte vorm terugkwam in de online-wellnesswereld. Op de sociale media van populaire vrouwelijke influencers werd het gedachtegoed verweven met hun gebruikelijke content – eerst in Amerika, vervolgens ook in andere landen, waaronder Nederland. Door middel van tegelwijsheden tegen een dromerige achtergrond van een zonsopgang, of filmpjes waarin vrouwen met een zalvende stem hun volgers toespraken, werd desinformatie verspreid over het virus, over vaccinatiedwang, over seksueel misbruik en het grote plan dat erachter zou zitten. Ook werd continu ingespeeld op het moedergevoel: hashtags als #SaveOurChildren en #weareallthechildren werden overgenomen, en legden zo een virtuele brug naar QAnon-content met dezelfde terminologie.

Deze Nederlandse vrouwen, met een rechtstreeks bereik waarvoor een politicus een moord zou doen, variërend van tienduizenden tot soms miljoenen volgers, begonnen in de loop van de pandemie hun zorgen te uiten over het virus, gaven tips om mentaal en fysiek gezond te blijven tijdens lockdowns en voerden discussies over de mogelijke gevolgen voor hun kinderen. Velen verzetten zich tegen het test- en vaccinatiebeleid van de overheid, omdat die inbreuk zouden maken op de levenssfeer en de lichamelijke integriteit. De overlap met de gemeenschap van alternatieve genezers en virusontkenners was snel gemaakt.

In de aanloop naar de verkiezingen van maart 2021 vonden deze vrouwen ook gehoor in politieke hoek: bij FvD. De radicaal-rechtse standpunten van FvD en de jarenlange normalisering van xenofobie, racisme en aanvallen op democratische instituties vormden blijkbaar geen beletsel; het eigen welzijn ging even voor. Wellness-rechts was geboren.

In razend tempo haakten mensen aan en in dorpen en steden in alle uithoeken van Nederland ontstonden lokale Moederhart-afdelingen. Op Instagram en Facebook nam het initiatief een hoge vlucht en al snel was er geen moeder met thuiswonende kinderen meer te vinden die er niet van had gehoord.

Het is een belangrijk moment, omdat hier een duidelijk markeerpunt voor het ‘witwassen’ van extremistisch gedachtegoed ontstond, op een wijze die eerder zichtbaar was rond fenomenen als de ‘fear of falling’ of welvaartschauvinisme. Met, soms, de beste argumenten van de wereld en, naar eigen zeggen, zonder zelf racistisch te (willen) zijn, werd een beweging genormaliseerd en aan meer macht geholpen die als uitgesproken doelstellingen (etnisch) uitsluitingsbeleid en het aanvallen van democratische beginselen heeft. De rode raad bij al deze ontwikkelingen is dezelfde. ‘Ik ben geen racist of antiliberaal; ik sta slechts op voor mijn eigen vrijheid en welzijn, en dat van mijn kinderen.’ Ik ben niet tegen iets, ik ben vóór iets.

Deze tekst is een bewerking van Roxane van Iperens Eigen welzijn eerst: Hoe de middenklasse haar liberale waarden verloor dat deze week verschijnt bij Thomas Rap