Rode flikkers

Kind aan huis bij Gert & Mattias

Large gert en mattias portugal 1984
Gert (links) en Mattias, 1984 © Stephan Sanders

Gert Hekma en Mattias Duyves, voorvechters van de seksuele vrijheid en de relationele ongebondenheid, zijn, o ironie, na veertig jaar nog altijd samen. Een weerzien met twee radicale homo’s.

Wie zegt dat je je eigen ouders niet kunt kiezen. Mij is het een tijdje gelukt, zo tussen mijn twintigste en 27ste. Ik hoefde gelukkig niet te bepalen wie de vader of de moeder was, want het ging om twee flikkers. Zo noemden ze zichzelf, zo noemde ik me ook, met een lichte ironie. Wij schrijven begin jaren tachtig, de Summer of Love in San Francisco (1967) was voor veel mensen definitief geschiedenis geworden; dat gold voor een oudere generatie, meest blank en hetero en man. Maar hun seksuele nazaten en andere liefhebbers kozen hun eigen historische moment. De ongelijktijdigheid van de geschiedenis. Dit is het verhaal van wat eigenrichting kan betekenen: in de pedagogie, de seksuele moraal, en in liefdesverhoudingen.

Laat ik ze voorstellen: Gert Hekma (1951) en Mattias Duyves (1953). Ze waren zo’n tien jaar ouder dan ik, begin-dertigers, en moesten niets weten van het papa-mama-kind-syndroom, zoals zij het reguliere gezinsleven samenvatten. Toch was ik uitgerekend bij hen ‘kind aan huis’. Mattias Duyves leerde ik kennen als de kandidaat-assistent in de vakgroep van socioloog Abram de Swaan: hij gaf colleges homostudies aan de Universiteit van Amsterdam. Duyves werd een intellectuele inspiratiebron die het werk van filosoof Michel Foucault zo intiem kon uitleggen alsof hij nog bij de Franse filosoof op schoot gezeten had (wat waar bleek te zijn).

Bovendien beschikte hij in die heetgebakerde, zeer politieke tijd over een stijl die je nog het best in het Engels kunt omschrijven: aloof, superieur afzijdig. Marxisten discussieerden of demonstreerden, radicale feministen wonden zich op, maar Mattias Duyves had goed naar stijlicoon Andy Warhol gekeken en verhief zich met een onaangedane glimlach boven dat gewoel. Hij gaf me als jonge student het idee dat er een wereld te vergeven was, ver voorbij de politieke strijd, de actiepunten en het onmiskenbaar alledaagse.

Zijn manier van praten is niet veranderd, 34 jaar later. Als ik hem voorleg dat het ironisch is dat uitgerekend Gert Hekma en hij, de twee voorvechters van de radicale, seksuele vrijheid en de relationele ongebondenheid, nog steeds bij elkaar zijn, merkt hij met een licht schouderophalen op: ‘Uiteindelijk ben ik altijd meer geïnteresseerd geweest in situaties dan in relaties. Een “relatie” heeft nooit de kern uitgemaakt van mijn levensfantasie.’

Dit is het aplomb dat ik herken. Of, even tegendraads en ongrijpbaar: ‘Snap jij nou waarom mensen tegenwoordig de hele tijd maar willen “verbinden”? Alles en iedereen moet met elkaar verknoopt raken. Ik heb altijd de marge gekoesterd, het breukvlak, de overschrijding van het alledaagse. Je moet het centrum niet opzoeken, integendeel: je moet ervoor waken dat jouw handelingsvrijheid, jouw “agency”, bepaald wordt door structuren. Zorg altijd dat je een exitstrategie achter de hand hebt, dat je altijd weer verder kunt. Sontags “always move on”, Ono’s “out of the now”, het poststructuralisme uit Parijs.’

Ja, hij heeft sociologie gestudeerd, ‘zoals iedereen deed die in die tijd de Volkskrant las’.

Dan Gert Hekma, Duyves’ geliefde of minnaar, men sprak in die kringen niet van ‘partner’. Een antropoloog die toen druk doende was te promoveren op de geschiedenis van de (homo)seksualiteit. Hij was de ideale pedagoog, de mentor die de meest obscure boeken kende, die meestal gewoon in zijn steeds uitdijende bibliotheek te vinden waren. In 1984 zou hij de eerste officiële wetenschappelijk medewerker homostudies worden, ook weer aan de Universiteit van Amsterdam. Ik werd in die tijd Hekma’s pupil, dat is de beste omschrijving. Hij de gedisciplineerde meester die me wees op de seksuologische theorieën van negentiende-eeuwse zenuwartsen; op verborgen homo-erotische pareltjes uit de internationale literatuur, en eigenlijk op elk geschrift waarin het vreemde, perverse en afwijkende werd verbeeld.

Nu, ruim dertig jaar later, ben ik bij Hekma’s afscheid van de universiteit. Homostudies is inmiddels getransformeerd tot sex and gender studies, en seks in het algemeen en homoseksualiteit in het bijzonder raken zoek in de marge van onderzoeksgebieden als etniciteit en genderverhoudingen. Bij het afscheidssymposium ter ere van Hekma, Perils and Pleasures: Confrontaties met erotische afslagen, sprak Mattias Duyves een lezing uit met de veelzeggende titel: ‘De zegevierende minderheid die het aflegde tegen een andere…’

Het controversiële van de radicale, niet burgerlijke vorm van (homo)seksualiteit die Hekma en Duyves voorstonden heeft zijn belofte verloren. Seks is in dertig jaar tijd eerder een risicofactor geworden dan een terrein dat om verdere verkenning vraagt. Of, zoals Duyves het samenvat: ‘Je kunt stellen dat homoseksualiteit steeds gewoner is geworden – steeds meer “geaccepteerd”, zoals het bedrieglijk heet. Maar vanuit een iets minder optimistische vooruitgangsblik kun je ook zeggen dat het wel erg “gewoontjes” is geworden.’

Duyves en Hekma kibbelen nu over de precieze inhoud van de George Mosse-lezing, door henzelf in het leven geroepen, die in 2008 door Gerrit Komrij werd uitgesproken. ‘Komrij riep het beeld op’, zegt Duyves, ‘van de breed schaterende, dijen kletsende Gordon en zei: “Lieve vrienden, het is nu tijd om afscheid te nemen en de homoseksualiteit uit te zwaaien.”’ Hekma: ‘Nee, zo zei hij dat niet precies.’ Duyves, die zijn plaatsbepalingen het liefst doorspekt met songteksten: ‘O wel zeker. Eerst had-ie het over Gordon, en toen: It’s time to say goodbye.’

Hekma gaat het nakijken, uitzoeken. Nu zou je ze een power couple noemen. Maar dat is een anachronisme, want het ging beiden veertig jaar geleden niet om macht of kracht, carrière, de mars door de instituties, status, autoriteit.

Ze leerden elkaar kennen in de jaren zeventig, in wat toen ‘flikkerkringen’ heette: het Flikkerfront, de Rooie Flikkers – clubs waarin onverholen pedant werd neergekeken op de koninklijk goedgekeurde vormen van homo-emancipatie, zoals belichaamd door het coc (vereniging voor integratie van homoseksualiteit, goedgekeurd in 1973). Hoezo moest de homoseksueel zich voegen naar het burgerlijke leven en ‘geïntegreerd’ worden in dat verwoestend hetero-normatieve systeem met z’n verstikkende status-quo? Hekma ging als jonge Amsterdamse student, vers uit Groningen, nog naar een coc-praatgroep: ‘Ik weet nog dat iedereen daar zo snel mogelijk een rijbewijs wilde halen. Maar ik wilde helemaal geen rijbewijs. Ik was gefascineerd door seks met jongens en mannen, ik droomde van satijnen voetbalbroekjes, en ik was ook nog eens tegen het kapitalisme. Wat had ik daar te zoeken?’

Duyves, die nog even in Nijmegen studeerde, keek om zich heen en zag ‘de rokende puinhopen van de heteroseksualiteit. Die mensen waren allemaal net gescheiden of stonden op het punt dat te doen.’ Toch waagde Duyves zich later aan een heuse liefdesrelatie, met alle hartstochten en jaloezieën van dien, met een jongeman die hem zou verlaten voor Gerard Reve. ‘Ik besloot toen dat ik zoiets nooit meer wilde, ik ben gewoon niet gebouwd op een dergelijk arrangement.’

‘Ik wilde geen rijbewijs. Ik was gefascineerd door seks met jongens, ik droomde van satijnen voetbalbroekjes’

Gerts geliefde uit die tijd, ook een Rooie Flikker, zou gevoeglijk het veld ruimen toen Duyves tamelijk overdonderend in beeld verscheen. Een opvallende, elegante verschijning. Men sprak over hem als de man met het ‘pre-rafaëlitische gezicht’. Ergens in 1977 ‘op de hoek van de Leidsestraat en de Prinsengracht’, herinnert Hekma zich precies, na weer eens een danspartij in coc-dancing De Schakel, vroeg Duyves aan hem: ‘Wil je misschien mijn kamer zien?’ Hekma raakte al snel begeesterd, Duyves vond en zocht de stabiliteit en de discipline die een tweede emotionele fall out moesten voorkomen.

Hekma: ‘Mattias is en was natuurlijk een promiscue jongen.’

Duyves: ‘Het was nu eens geen liefde op het eerste gezicht, maar wel een amor intellectualis. Je bouwt in de loop van de jaren ook zoveel cultureel kapitaal op met elkaar. Alle boeken die je hebt verzameld, toch iets anders dan molentjes, vind je niet? De films die je zag, de mensen die je ontmoette, de denkers, kunstenaars en intellectuelen. Daar ben ik wel degelijk verliefd op geworden.’

Hekma spreekt over Duyves als zijn ‘lover’. ‘Zelfs tegen zijn studenten’, huivert Duyves. In een onbewaakt ogenblik wil Hekma Duyves ook nog wel eens zijn ‘partner’ noemen. What’s in a word? Volgens Duyves heel veel – zelf noemt hij Hekma, na lang wikken en wegen, zijn ‘uitverkorene’.

Ze zijn nu veertig jaar samen, met elkaar, maar zelden alleen met elkaar. De ‘exclusieve tweerelatie’ was nooit een wenkend perspectief om uit te spelen. Dat wilde niet, boterde niet, dat was bepaald geen aanbeveling. Er waren genoeg mensen in die tijd die zowel Hekma als Duyves kenden, maar geen idee hadden van hun… eh, intieme verhouding. Ze woonden toen nog niet samen, inmiddels wel. Het idee van een ‘homohuwelijk’ zou ze potsierlijk in de oren hebben geklonken. Waarom de hetero’s imiteren, waarom die aanpassing aan het normale en heteronormatieve?

In 2007 zijn ze getrouwd. ‘Een concessie aan onze opvattingen’, zegt Duyves meteen. Een gezamenlijk huis, erfbelasting, al die saaie dingen hebben hen ertoe gedreven.

Er wonen inmiddels vier mannen op de twee etages aan de Oudezijds Voorburgwal, hartje roze buurt. Gert en Mattias, de veelbelovende student Robby Davidson die een proefschrift schrijft over de homobeweging en wat die te doen staat nu ze in Nederland van officiële zijde ruimschoots wordt erkend. ‘Hij heeft een erg goede werktitel bedacht voor zijn thema, de prijs van aanpassing’, zegt Duyves, ‘After Accommodation, wat te doen na acceptatie. Schitterend.’

En dan is er nog Ben Garstka, de jonge, inwonende knuffelzoon die hij liefst had kunnen adopteren. ‘Maar adoptie van volwassenen is er niet bij. Sinds het homohuwelijk is er geen vooruitgang meer geboekt in de modernisering van meermanshuishoudens.’ De ene dag eet hij met Gert, de andere dag met hem. ‘Het is een arrangement dat me past’, zegt Duyves.

‘Ik heb al lang geleden de barretjes en de strooptochten naar seks vaarwel gezegd’, zegt Hekma. ‘Ja, in die zin zou je me een “vergeestelijkte flikker” kunnen noemen.’ Het woord ‘droogneuker’ valt. ‘Ik zoek het in boeken, in broeken en broekjes van satijn, mijn fetisj, en ik heb het altijd gevonden bij enthousiaste studenten die je werkelijk iets nieuws kunt leren.’ Bovendien vindt Hekma: ‘Je kunt je levenspartner toch ook zijn seksuele plezier gunnen.’ Bromt: ‘Er wordt altijd zo’n drama gemaakt van liefde en seks, van jaloezie.’

Deze levenshouding, waarin het politieke, het intellectuele en het seksuele vanzelfsprekend samenvloeien, was voor mij een revelatie: in die zin waren Hekma en Duyves, ieder op hun eigen manier, mijn ‘rolmodel’ – ook weer zo’n woord van later.

De werkelijke effecten van de seksuele revolutie, die officieel in de jaren zestig losbarstte, vonden daadwerkelijk ingang in de jaren zeventig. Het kost even voordat revoluties zo vanzelfsprekend zijn geworden dat je ze niet meer als zodanig herkent. Ik koesterde begin jaren tachtig even de illusie dat seksuele vrijmoedigheid een fenomeen was zonder geschiedenis; dat Nederland onstuitbaar en collectief op z’n minst biseksueel zou worden, en dat de toekomst aan de libertaire pioniers zou toevallen.

Die toekomst is nu aangebroken en ik sta voor een lieu de memoire: het huis dat Hekma met een medeflikker in 1977 kocht, waar Mattias vaste huisgast was, waar ik ontelbare keren heb gegeten, waarbij Amerikaanse onderzoekers, Duitse studenten en Franse denkers regelmatig aanschoven. Het huis waarin gedronken en gedanst werd en gebladerd in nieuw aangeschafte boeken en bladen. Het huis met de steile trappetjes die naar zolder leidden, waar Hekma een uitzinnige bibliotheek had weten te installeren, kronkelend rond de spanten. In de kelder was toen nog gay & lesbian boekhandel Vrolijk gevestigd, en daar werden ook de redactievergaderingen gehouden van Homologie, het academisch geïnspireerde tijdschrift van homoland.

‘De islamitische, seksuele ethiek was benauwder dan alles waartegen we toen keer op keer met succes ageerden’

Wij bevinden ons op een steenworp afstand van het Amsterdamse Maagdenhuis, het bestuurlijke centrum van de universiteit. Het was een huis als een bubbel, het bevatte een complete wereld. Voetboogsteeg 7 en 7b. Nu is het huis leeg, onbewoond, lijkt het. Scheefhangende jaloezieën achter ruiten die gebarsten zijn. In de kelder moet tot voor kort een ‘barbershop’ gezeten hebben, ‘est. 2016’ lees ik op de gevel, maar ook dat moet een onderneming van korte duur zijn geweest. Het is een spookhuis geworden.

Mattias Duyves was onnavolgbaar in zijn contacten. Zoals Hekma boeken verzamelde, zo verzamelde Duyves mensen, althans, de mensen die er voor hem toe deden. Er waren in die tijd veel gezamenlijke uitstapjes, soms naar Berlijn, meestal naar Parijs, waar de plaatselijke homoactivisten werden bezocht. De filosoof Guy Hocquenghem, schrijver van het roemruchte Le désir homosexuel uit 1972, waarin een radicale queertheorie avant la lettre werd uitgewerkt, vriend en voormalige minnaar van Duyves. Wij bezochten Guy. De redactie van het Franse homoblad Gai Pied: wij waren zeer welkom op de burelen. Ook bij de krant Libération had Duyves zo wat connecties.

Felix Guattari en Gilles Deleuze, de psychoanalyticus en de filosoof, die in 1972 opzien baarden met L’anti-Oedipe, het boek dat een decennium lang het vademecum was voor radicale studenten: Duyves leidde ons erheen. En zat daar niet Hélène Cixous, de feministische theoretica en filosoof? Zoals er ooit een komintern had bestaan, de communistische internationale, ontdekte ik nu de homintern.

Het meest was ik onder de indruk van het adres op de Rue de Vaugirard waar Duyves een afspraak had. Daar woonde niemand minder dan de filosoof Michel Foucault (1928-1984), alweer een voormalige minnaar. Modern-spartaanse inrichting, hartelijke ontvangst. Wat verrassend, jullie hebben een student meegenomen. ‘De Rijn komt bij Lobith ons land binnen.’ Ik durf te stellen dat de seksuele theorieën van Foucault in de jaren zeventig bij Duyves en Hekma ons land binnenkwamen – en nog steeds vormen de delen van Foucaults Geschiedenis van de seksualiteit een ijkpunt in het denken over seks, identiteit en seksuele constructies.

En daar, op dat adres, was Duyves ooggetuige van een omwenteling, die hij toen niet als zodanig herkende, maar die later zeer bepalend zou blijken. Na een winternacht, eind januari 1979, keken Foucault en Duyves samen naar de kleine Sony-zwart-wittelevisie die verdekt stond opgesteld in het appartement. Foucault was zo’n man die eigenlijk geen tv keek. Maar nu waren daar de beelden te zien van ayatollah Khomeini die voet zette op Iraanse bodem en kort daarna de islamitische revolutie zou uitroepen. Foucault was opgewonden en enthousiast. Eindelijk een ander stramien dan die sleetse tegenstelling tussen kapitalisme en communisme. Dit was niet minder dan een ‘exitstrategie’.

Duyves keek het welwillend aan en dacht, geheel in de cultuurrelativistische trend van die jaren: ‘Waarom zouden mensen ook niet kiezen voor de sharia. Het leven houdt niet op bij het burgerlijk wetboek.’

Daar is hij van teruggekomen. ‘Ik stond erbij en ik keek ernaar. Ik heb me toen totaal niet gerealiseerd dat wij ook in Nederland in toenemende mate te maken zouden krijgen met een islamitische, seksuele ethiek die benauwder was dan alles waartegen we toen keer op keer met succes ageerden: onze conservatieve en christelijke tegenstrevers. Dat onze zegevierende minderheid op deze nieuwe minderheid nog lang geen vat zou krijgen.’

Het is een bescheiden groepje dat afscheid komt nemen van Hekma als universitair docent. Over een vitrine, die later gevuld zal blijken met Hekma’s publicaties, met een champagnefles, merk Marquis de Sade (een van Hekma’s favoriete auteurs), met foto’s en satijnen broeken, hangt nu nog een vlag. Het is een rode vlag met daarop geborduurd een roze driehoek – het merkteken van de homovervolging door de nazi’s. Het is dezelfde vlag die voor het eerst in Nederland werd gebruikt in 1975, in Nijmegen als actiewapen. Meer dan veertig jaar seksueel nonconformisme is erin samengebald.

Hekma herinnert de aanwezigen er nog eens aan dat het hem al die tijd te doen was om ‘seksueel burgerschap’, om de vrijheid en de mogelijkheid om de seksuele stijl te kiezen die het individu past. Om de academische vrijheid en de noodzaak het onderzoek naar seksualiteiten daarin zonder beperkingen op te nemen. Op de hem kenmerkende apodictische wijze sluit hij af: ‘Er zijn mensen die zeggen: er wacht nog een heel leven na het pensioen. Ik zie het toch meer als een stap dichter bij de dood.’ Het is geen ‘eind goed, al goed’-praatje, zoals dat gewenst is bij dergelijke gelegenheden. Hier wordt wel degelijk een tijdperk begraven.

Dan is er Abram de Swaan, emeritus hoogleraar sociologie, bij wiens vakgroep homostudies Amsterdam zo lang een onderkomen heeft gevonden. De Swaan memoreert zijn eigen studententijd, begin jaren zestig, ‘toen je geen homo’s zag op de universiteit, die bestonden gewoonweg niet’. Hekma typeert hij voorzichtig als een ‘seksuele enthousiast’, en als iemand die seksualiteit en sensualiteit ‘als waarden in zich beschouwt, die niet een of andere functie hoeven te vervullen’.

Ook hij herinnert aan het idee van academische vrijheid, en hoe Hekma daar maximaal gebruik van maakte; ook als hij sprak en schreef over pedofilie of over sadomasochisme, waarna bedreigingen volgden, en waarschuwingen van bestuurlijke zijde. Hekma, zegt De Swaan, begaf zich op ‘grensgebieden, waar het gevaarlijk is’, maar waarover toch gesproken, gedacht en geschreven moest worden. Laatste zin: ‘Wij zijn allemaal brave borsten, maar Gert Hekma niet.’

Er wordt nog even nagepraat, ik zie oude bekenden van dertig jaar geleden. Een jonge sociologe, die nog geboren moest worden toen Hekma flikkeracties ondernam, vertrouwt me toe dat ‘de universiteit mensen als Hekma nodig heeft: het is hier zo’n eenheidsworst’.

Wanneer ik het universitaire complex verlaat stuit ik op Mattias Duyves en Gert Hekma, beiden met de fiets in de hand. Duyves torst een flink boeket met zich mee, dat hij me speels aanreikt. Het ontbreekt er nog maar aan dat hij gooit en ik vang, als in zo’n film waarin jonge vrouwen graaien naar de bruidsruiker. Dan fietsen ze weg. Duyves ontvoert Hekma voor een geheim weekend dat hij heeft gepland. Ik denk: hun tweede huwelijksreis – die uiteraard niet zo mag heten. Maar samen zijn ze.