Kind in kantoorboekhandel

Valery Larbaud schreef een lofzang op de fantasie van kinderen. Daar vinden zij het geluk, niet in de echte wereld. En volwassenen zijn dan tegenstanders.

Valery Larbaud rond 1920. Zijn Kinderscènes, vol melancholieke verhalen, is een boek om van te houden © Adoc-photos / Getty Images

De beste manier om nieuwe literatuur te ontdekken, is door de favoriete boeken te lezen van de schrijvers die je bewondert. In de jaren na mijn afstuderen was ik in de ban van Jacques Gans (1907-1972). Hij schreef twee geweldige romans: Liefde en goudvissen en Het vege lijf. Ze zijn met veel vaart en humor geschreven en staan vol met adagia à la: ‘Een fatsoenlijk mens leeft niet vóór, doch tegen het gelijk.’

Gans, bijgenaamd ‘een tientje’ omdat hij bij iedereen geld leende (en het niet teruggaf), leefde als een bohémien in Parijs. Hij woonde armoedig, begon een tijdschrift, kreeg een relatie die dramatisch eindigde en schreef in cafés. Ik ging ook in Parijs wonen, ook een beetje armoedig, en kocht bij de stalletjes langs de Seine de boeken van de schrijvers die Gans goed had gevonden. Een van hen was Valery Larbaud (1881-1957).

Er was alleen een probleem. Ondanks mijn taalcursus aan de Sorbonne kreeg ik niet zo gek veel mee van de boeken die ik aan de Seine kocht. In een café in Saint-Germain-des-Prés deed ik gemiddeld een uur over een pagina. Gelukkig was er van Larbaud een roman in het Nederlands vertaald: A.O. Barnabooth: Dagboek van een miljardair (1913). Over dat boek had ik al gelezen in Bij nader inzien van Voskuil. Daarin wordt Barnabooth ‘een mieters boek’ genoemd.

Omdat Voskuil en Gans de twee Nederlandse schrijvers zijn die me het meest beïnvloed hebben, kón het niet anders of ik ging Barnabooth ook waarderen. Dat gebeurde ook wel. Het boek is geestig, kosmopolitisch en prettig decadent. En het heeft een interessant onderwerp: de last van rijkdom. Maar Barnabooth is, mede vanwege de cultstatus, toch eerder een roman om mee te dwepen dan om van te houden.

Dat geldt zeker niet voor Kinderscènes, de nu net verschenen vertaling van Larbauds Enfantines (1918). Dat is juist bij uitstek een boek om van te houden.

Enfantines, vertaald door Katrien Vandenberghe, bevat negen verhalen waarin Larbaud zich telkens verplaatst in de binnenwereld van een kind. Hij doet dit volkomen natuurlijk en geloofwaardig. Soms vergeet je bijna dat je over kinderen leest, zo serieus neemt Larbaud ze en zo weinig kinderachtig zet hij ze neer.

De verhalen doen canoniek aan. Je weet steeds al bij de beginzinnen dat je een heel erg goed verhaal aan het lezen bent. Min of meer hetzelfde wat je ervaart als je aan een verhaal van Tsjechov begint. Maar Larbaud heeft niet de statuur van Tsjechov. En dat maakt deze verhalen verrassend.

Het eerste verhaal is meteen al schitterend. Het gaat over de twaalfjarige Rose Lourdin die op een provinciaal pensionaat zit en verliefd is op een van de andere meisjes. Of eigenlijk is ze niet alleen verliefd, ze wil haar zijn. Ik stond ervan te kijken hoe veel psychologische diepgang Larbaud aan deze bakvissenproblematiek weet te geven. Rose lijdt onder haar verliefdheid. Ze verlangt ernaar om berispt te worden door de juffen; ze sluit vriendschap met een klasgenootje dat haar weerzin en afgrijzen inboezemt. En ze laat zich vernederen door een van de andere leerlingen. Dichter bij het meisje op wie ze verliefd is, komt ze ondertussen niet.

Op een dag, tijdens de pauze, sluipt ze naar de kleedkamer en trekt ze een kledingstuk van haar aan – een scène die doet denken aan Thomas Ripley die de kleding van Dickie past in de roman van Patricia Highsmith. Rose wordt niet betrapt. Jaren later komt ze tot het pijnlijke inzicht dat de ander niet alleen nooit heeft geweten van de verliefdheid maar haar bovendien misschien wel allang is vergeten.

Rose is een personage dat ook na lezing van een betrekkelijk kort verhaal blijft fascineren. Hetzelfde geldt voor Milou uit Het hakmes, die ook al in het geheim verliefd is en daarom besluit zichzelf toe te takelen met een hakmes. Proust, die de Enfantines bewonderde, werd een jaar later nog onwel als hij aan die scène met het mes dacht.

Proust, die het boek bewonderde, werd een jaar later nog onwel als hij aan de scène met het mes dacht

Volwassenen zijn in deze verhalen buitenstaanders. Vaak zijn ze ook tegenstanders die de wensen en verlangens van de kinderen dwarszitten. Die willen met rust gelaten worden. Het geluk is voor hen vrijwel altijd te vinden in de fantasie en niet in de echte wereld. Rose is ongelukkig in het pensionaat en houdt zich staande door haar verliefdheid; Milou trekt er op uit met zijn denkbeeldige vrienden en leeft dan pas op; en het jongetje in het mooie derde verhaal vermaakt zich, wachtend op zijn leraar, door zich voor te stellen dat hij een boswandeling maakt met een prins die in de schouw zit verstopt.

Het is duidelijk dat Larbaud met Enfantines een lofzang op de fantasie van kinderen wilde schrijven. Het boek heeft daardoor automatisch een melancholisch karakter, want het bezingt datgene wat volwassenen over het algemeen zijn kwijtgeraakt.

De mooiste verhalen gaan over de kinderen die in de overgangsfase zitten, die de wereld van de fantasie al bijna vaarwel hebben gezegd: de pubers. Een voorbeeld is Vakantietaken, waarin een jongen zich tijdens een zomervakantie ontpopt tot studiebol en dichter, verliefd wordt op meisjes en verlangt naar zijn schoolvriend. Vooral de toon van dit verhaal is ongelooflijk goed getroffen. Om een idee te krijgen van de schoonheid van Larbauds taal, hierbij een fragment over de aankomst in het zomerverblijf: ‘Het was te laat op de dag om nog op pad te gaan. Maar zodra de zon de volgende ochtend de oude drempel van het huis bereikte, deden we de deur open en liepen traag de treden van het bordes af, verbaasd over de stilte op de velden en de eenvoud van de lucht.’

Volmaakte literatuur, als je het mij vraagt.

Larbaud was 36 toen het boek uitkwam. Hij had zelf geen kinderen. In Gwenny-all-alone, het laatste, autobiografische verhaal, omschrijft de ik-persoon zichzelf als ‘een arme vrijgezel die er genoegen mee moet nemen om op een afstandje van andermans kinderen te houden’. Het contact met volwassenen geeft hem ‘een triest en vervreemd gevoel’ en hij heeft een ‘scherp besef van het verloren kind in mij’. In het verhaal staat ook: ‘Laat me de draad van mijn kindertijd oppakken waar ik was gebleven.’

Hij groeide op in Vichy, als zoon van een rijke fabrikant van bronwater. In veel verhalen in Kinderscènes speelt standsverschil een rol en dat zal vast autobiografisch zijn ingegeven. Zo realiseert de hoofdpersoon van Het grote tijdperk zich na een vakantie waarin hij geweldig heeft gespeeld met twee kinderen dat die dat misschien wel alleen maar deden omdat hij de zoon van de fabrieksbaas is. Ze stonden nooit op gelijke voet. Het privilege van de jongen leidt tot eenzaamheid. Net als bij Barnabooth, wiens miljardairschap het contact met anderen in de weg staat.

Toen Larbaud acht was, overleed zijn vader. Eenmaal volwassen, hoopte hij dat hij vrijelijk zou kunnen beschikken over de erfenis, maar zijn moeder stak daar een stokje voor. Net als Baudelaire, wiens vader eveneens vroegtijdig overleed (en ook met een veel jongere vrouw was getrouwd), kreeg Larbaud maandgeld. Tot zijn moeders dood bleef hij financieel afhankelijk van haar.

Katrien Vandenberghe geeft in het nawoord een boeiend portret van Larbaud, die er enkele merkwaardige preoccupaties op nahield. Zo schijnt hij gefascineerd te zijn geweest door uniformen en had hij een bijzondere belangstelling voor nijlpaarden en schrijfbenodigdheden. Dat laatste blijkt wel uit het begin van Vakantietaken, waarin een jongen het liefst álles in een kantoorboekhandel zou willen kopen. Maar over die nijlpaarden had ik op zich wel meer willen weten.

De verhalen in Kinderscènes zijn gevoelig, universeel, diepzinnig en luchtig tegelijk. Ze hebben een overduidelijke hoge kwaliteit. Waarom werd Larbaud dan toch niet meer dan ‘een kleine vergeten schrijver van het begin van de twintigste eeuw’, zoals hij zichzelf omschreef? Du Perron, groot bewonderaar van Larbaud, gaf er drie verklaringen voor.

In de eerste plaats was Larbaud buitengewoon bescheiden. Volgens een van zijn beste vrienden heeft hij er zijn leven lang alles aan gedaan om onbekend te blijven. Daarnaast had hij een zwakke gezondheid. ‘Er bestaat een theorie’, schrijft Du Perron – en ik vind dit een typische Du Perron-zin, prachtig geformuleerd – ‘dat het in de grond Larbauds ziekelijkheid was, zijn altijd zwak en bedreigd gestel, dat hem belet heeft zich nog completer te realiseren.’

Maar er is nog een derde verklaring. Larbaud was namelijk een Adriaan Morriën-achtig type: iemand die zich enorm inzette voor literatuur uit het buitenland. Larbaud vertaalde en schreef essays over destijds nog onbekende auteurs die later beroemd werden, zoals James Joyce. Hij beijverde zich kortom meer voor boeken van anderen dan voor die van hemzelf.

Er is een mooi stuk van Du Perron, waarin hij schrijft over zijn ontmoeting met Larbaud. Du Perron had denk ik een beetje hetzelfde met Larbaud als wat ik met Jacques Gans had. Hij schreef een keer ’s nachts in een hotel in Dijon een brief aan hem, die hij ’s ochtends verscheurde. Toen ze elkaar dan eindelijk ontmoetten, bleek Larbaud een klein, broos mannetje. Du Perron, semi-professioneel bokser, was ‘voortdurend bang hem te stoten’.