Kind ontdekt koe

MIDDEN OP HET erf staat een grote schuur voor het vee, met een bordje voor de bezoeker op de schuifdeur: ‘Wil je een kijkje in de stal wagen, ga het dan eerst aan de boer vragen.’ Links van de veeschuur, achter een open loods, ligt de camping. Rechts is het woonhuis met de keuken, waar boerin Jeanne Schellekens koffie schenkt voor haar man Harrie. Aan de keukentafel verhalen boer en boerin enthousiast over hun ervaringen met campinggasten.

De boer: ‘Dit is het derde seizoen dat we vakantiegangers op de mini-camping hebben. Voorheen hadden we genoeg aan ons gemengd bedrijf met vijftig stuks melkvee en aan het verbouwen van maïs. Toen bleek dat onze Rob interesse had om in het familiebedrijf te stappen, zochten we een extra inkomstenbron. Schaalvergroting is inmiddels een onbetaalbare zaak geworden, dus zoek je het in de verbreding van je bedrijf. Met subsidie van de provincie hebben we een cursus Gastvriendelijk Ondernemerschap gevolgd. Het schuurtje met het sanitair en de woonkamer voor de gasten hebben we met eigen handen gebouwd. Er is plek voor vijftien tenten of caravans.
De buren hebben bezwaar gemaakt. Ze zijn bang dat ze hier straks in de file moeten staan, of dat ze geen mest meer mogen uitrijden. Dat is natuurlijk overdreven. Vorige week moesten we naar de Raad van State, maar de buren lieten verstek gaan. Zo ver is het al gekomen.’
De boerin: 'We hebben de bijverdiensten van de camping nodig. We hebben er geen last van dat we wat privacy moeten inleveren. Het is toch beregezellig zo? Als er een kalf wordt geboren, ga ik de camping rond met beschuit met muisjes. Op moederdag zet ik een doosje met bonbons voor de moeders in de gemeenschappelijke woonkamer. De reacties die je van de mensen krijgt, zijn hartstikke leuk.
Een keer waren hier twee jongetjes van zes. Die kwamen van een flat in Den Haag en die zaten de hele dag in het zand te spelen. Ze hielpen met de kalfjes en met het ophalen van de koeien uit de wei. Dat kenden ze helemaal niet. Dat is toch prachtig?’
Kampeerders Maria en Paul van Tubergen uit Hoofddorp, voor hun tent: 'Van de week was de boerin jarig. Iedereen werd uitgenodigd voor koffie en taart. Gisteren maakten we een praatje met de boer over zijn levenswandel. En over stormgaas, een vakterm. Dat zit in de luchtgaten van de schuur bij slecht weer. Maar wat nu precies het verschil is tussen een pink of een vaars? We weten het nog steeds niet. Het had iets met een bepaalde leeftijd van doen.
We komen hier niet speciaal voor de boerderij, maar voor de rust. In Hoofddorp komt geregeld vliegverkeer over. Hier hoor je alleen natuurgeluiden. We zouden hier niet het hele jaar willen wonen. Veel te stil.’
KAMPEERDER Bram Verolme uit Middelharnis, in de schuur: 'Kijk, die koe kalft binnen een week. Dat zie je aan de uier. En dat is de stier. Die gebruiken ze als nazorg voor als het niet één twee drie lukt met de KI. Daar heb je de kraamkamer. Ze hebben een camera om alles in de gaten te houden als er een koe moet bevallen. Dat kalfje daar is twaalf, dertien dagen oud. Eerst gaan de pasgeboren kalveren in een klein hokje, want ze worden in het begin niet zo geaccepteerd. Kijk maar, deze ligt ook een beetje apart. Pas op dat je niet met je vingers in z'n mond komt. Zie je dat bordje? “Om ziektes en bacteriën in te tomen, gelieve niet met uw vingers in de kalverbekjes te komen.”
Dit hier is de opraapwagen. Daar gaat gras in. Die touwen zitten er bovenop zodat het er niet uit kan vallen. De koeien krijgen ook maïs en hooi. Nou, ik ga nog even een eindje fietsen, want de omgeving hier is mooi. Vooral de bossen.’
BUURBOER Frans Jansen tussen twee John Deer-tractoren: 'Schellekens had een mooi bedrijf in Riel, maar het moest groter. Toen is-ie naar dit ruilverkavelingsgebied gekomen. Nu hebben ze er een camping bij, maar die moet straks misschien ook groter. Hij heeft het wat hoog in z'n bol. En als ik nou bouwen wil? Dan krijg ik geen vergunning meer.
Als Schellekens nou een papiertje zou tekenen dat hij niet gaat uitbreiden, maar dat wil hij niet. Dat is jammer, want nu zit hij daar geïsoleerd van de buurt. Daar aan de andere kant zit een kinderboerderij. Soms staan er bussen in de berm en daar moet ik met mijn koeien langs als ik ze binnenhaal. Dan gaan er mensen klagen en dan mag er straks geen koe meer naar buiten. Burgers doen vaak moeilijk. Boeren onder elkaar, dat gaat beter.’
Buurboer Christian van den Broek naast de veeschuur: 'Mijn vader heeft ook meegedaan met het bezwaarschrift tegen de camping, maar hoe dat nu precies zit, weet ik ook niet. Ons land grenst aan de Boerenbaan, tegenover de camping. Er waren een keer kinderen in onze weide aan het vliegeren. Die heb ik er toen uitgejaagd.’
De ballonvaarder die ’s avonds op het land van Van den Broek landt: 'Meestal weten we wel zo ongeveer welke boeren moeilijk doen en welke niet. We betalen vaak een bepaald bedrag aan landingsgeld. Eén keer zijn we per ongeluk in een korenveld geland. Toen hebben we wel gezorgd dat we daar in no time weg waren.’
Een campinggast over een boer die tussen tien en half twaalf ’s avonds nog aan het maaien slaat in het perceel naast de camping: 'Dat doet toch geen gezond mens? Doet hij dat om ons te pesten of zo?’
Boer Schellekens: 'Die heeft net gehoord dat het morgen mooi weer wordt, dus die wil nog snel wat gras open hebben liggen, zodat het morgen kan drogen. Hoe het weer overmorgen is, moeten we nog maar afwachten.’
FRED DUYNMAYER uit Nijkerk naast zijn binnenstebuiten opgezette tent: 'We zoeken altijd een beetje rust en eenvoud in de vakantie. Niet zo'n hoipipeloi-camping. Het is voor het eerst dat we bij een Nederlandse boer staan. Andere jaren gingen we naar Frankrijk, maar we hebben nu een kleintje, dus blijven we dichter bij huis. Ik ga hier lekker veel melk drinken, wel twee liter per dag. Zelf hoef ik de melkstal niet in, dat heb ik twintig jaar geleden al eens gedaan.
De boeren van tegenwoordig vind ik niet zielig, maar het is wel triest dat ze zulke noodsprongen moeten maken om rond te komen. Ze verzinnen er van alles bij. Struisvogels en zo. Ik denk ook dat boeren en burgers te weinig van elkaar weten. Als de stedeling zijn eten maar krijgt is hij tevreden.
Meestal kopen we wel groen vlees, maar als het er niet is, nou dan niet. Ik ben wel een voorstander van positieve inspraak bij wat er met de groene ruimte gebeurt. Maar dan wel op een constructieve manier. In de buurt van Amersfoort zie je veel boerenbedrijven verdwijnen. Er komt nieuwbouw voor in de plaats. Zo'n boertje zit daar dan tussen met nog drie hobbykippen. En dan gaan de omwonenden klagen over de stank, zodat-ie ook nog die drie kippen moet opgeven. Dat is triest.’
Freds vrouw Hetty: 'Ik kom uit een landelijke omgeving, dus ik heb vroeger bij een vriendinnetje op de boerderij alles al meegemaakt: kalfjes gevoerd, gemolken, alles. Ik kom niet van een flat vallen om nu voor het eerst een koe in het echt te zien. Een stier kan ik wel van een koe onderscheiden. Probeer ’m maar eens te melken.
Nijkerk, waar we nu wonen, is ook een vrij landelijke gemeente. Iedereen groet elkaar. Ik kom uit een vissersfamilie, maar geef mij maar boeren. Dat is een gemoedelijker volkje.’
De boerin op het erf: 'Ik heb net de post naar de kampeerders gebracht. Ik hoorde van iemand dat er gisteren nog heel laat licht brandde in de woonkamer. Was jij dat? Hij dacht dat er misschien iemand daar geslapen had. Ja, sociale controle, hè.’
FOKKE HEIDA, gepensioneerd docent biologie en campinggast: 'De betrokkenheid van deze boer bij zijn werk dwingt respect af. Hij weet waar de misverstanden tussen burgers en boeren liggen. Je hoeft maar op een knopje te drukken of er komt een verhaal. Ik heb wel eens eindexamenkandidaten meegemaakt die dachten dat melk bij de Albert Heijn vandaan kwam. Je hebt nu ook dingen als grasboter en graseieren. Vroeger waren zulke productnamen ondenkbaar. Het was logisch dat boter en eieren van het land kwamen.
Van de week liep er hier een kind met een vader in de schuur en dat kind zei: “Pap kijk, dat kalfje is tien maanden.” En die vader nam dat voor waar aan. Maar dat kalf was geen tien maanden, maar tien dagen oud. Zo ver staan die mensen van de natuur. Ze kunnen het verschil niet meer zien.
Ik ben een boerenzoon. Toen ik in mijn vrijerstijd op stap ging, ging ik van tevoren wel drie, vier keer onder de pomp, zodat het maar niet te ruiken zou zijn dat ik van de boer kwam. Ik heb ervoor gekozen te gaan studeren in plaats van boer te worden, omdat je elke dag om vijf uur op moet als boer. Ook op zondag. Tegenwoordig is de boer geen vrije jongen meer, maar een manager. Hij moet economisch verantwoord werken, plannen, de gezondheid van zijn dieren continu controleren. Vroeger kende de boer elke koe bij naam. Ik denk dat dat bij de boeren van nu minder is. Niet omdat ze minder om hun beesten geven, maar omdat ze het daar te druk voor hebben. De verplichte administratie, alleen al op mestgebied, zorgt voor meer afstandelijkheid. Elke koe heeft een oormerk met een levensnummer en een halsband met een bedrijfsnummer en een zendertje voor de voercomputer.
Dat er strengere regels zijn, vind ik niet overdreven, maar het heeft consequenties voor de menselijke kant van het vak: de boer kent minder vrijheid.’
Rob Schellekens, de bedrijfsopvolger, tijdens het melken: 'Ik ken de koeien niet meer bij naam, maar wel bij nummer. Vooral als er iets bijzonders met ze is, weet je dat. Kijk, dat is nummer 44. Ik heb niet gespiekt. Die is onkant; dat betekent dat je haar maar aan twee van de vier spenen kunt melken. Dat spul dat ik op de spenen spuit, is om ze soepel te houden en om te ontsmetten. We melken tien koeien tegelijk, vijf aan elke kant. Het duurt ongeveer tien minuten om ze leeg te melken. Een goeie koe kan wel twintig liter per keer geven. Ze worden twee keer per dag gemolken. Gemiddeld geeft een koe 305 dagen per jaar melk. Dan zetten we haar twee maanden droog, en als ze een kalf heeft gekregen, gaan we haar weer melken.’
Rosanne van der Stel schrijft in het gastenboek: 'Elke dag gingen we naar het melken kijken. Eén keer kregen we een koeietand. En we mochten de kleintjes voeren met melk. De wat grotere kalfjes brokjes en stro, en de nog grotere alleen stro. Ik zou hier best nog een weekje willen blijven.’