Hofland, de romancier

Kind van de oorlog

H.J.A. Hofland krijgt de P.C. Hooftprijs voor zijn beschouwend proza, volkomen terecht. Maar als romanschrijver wordt hij nog steeds niet op waarde geschat. Terwijl zijn zes romans staan als een huis. Hofland: Campert meets Céline.

Medium hh 02546801

1973 was voor H.J.A. Hofland een rampjaar. Na een door De Telegraaf opgeklopt relletje werd hij ontslagen als hoofdredacteur van NRC Handelsblad, waar hij, getergd en gedemoraliseerd, achterbleef als televisiemedewerker, uitgerekend het medium dat hij als het podium van eigentijdse blaaskakerij zag. Het nieuwe verraad der klerken, aldus een essay uit 1994, schuilt in het gebrek aan scrupules waarmee de nieuwe elite zich met dat medium encanailleert. Daarom is het alleen maar consequent dat we hem daar slechts hoogst zelden zien optreden - helaas, moet ik daaraan toevoegen.

Toch was die beledigende degradatie bij de krant vanuit het perspectief van de eeuwigheid een zegen, voor Hofland zelf evengoed als voor zijn lezers. Over zijn hoofdredactionele kwaliteiten durf ik me geen oordeel aan te matigen, al lijkt hij me niet begiftigd met de strategische beleefdheid en het geduld van de vergadertijger. Daarvan hoe dan ook bevrijd stuurde de politieke verslaggever en essayist nu een alter ego de wereld in onder het pseudoniem S. Montag, een geestige, soms vileine mopperkont die tot op de dag van vandaag wekelijks verslag uitbrengt van de kleine rampspoed die hij, wandelend door Amsterdam, aantreft. De teller staat op 1597 en het einde is nog lang niet in zicht.

Maar Montag had meer pijlen op zijn boog. Of misschien moet ik zeggen: zijn ergernis over de lompheid en de vadsigheid van zijn stads- en landgenoten was te groot voor een column en vroeg om meer omvattende verhalen. In de vroege jaren tachtig verscheen zijn eerste feuilleton in de krant, Nacht over Alicante, in 1982 gevolgd door een boekuitgave, tevens zijn eerste roman. Bij herlezing vielen me de repeterende zinnetjes aan het begin van sommige hoofdstukken op, waarmee hij de krantenlezer van destijds net het geheugensteuntje gaf dat hij nodig had om de draad van het verhaal te kunnen oppakken. Maar veel meer dan destijds was ik nu onder de indruk van de stilistische en satirische kwaliteiten van de roman.

Montag is een waarnemer, zijn eerste columnverzameling heet Overpeinzingen. Maar dat woord klinkt te gedistantieerd en vooral te herderlijk voor de toon die hij in deze roman aanslaat. Zeker, Nacht over Alicante is een satire, maar ik aarzel er het adjectief luchthartig aan toe te voegen. Te lachen valt er heel wat, zij het niet op de goedmoedige, relativerende manier van de man die in het door hem gehekelde gedrag vooral ook zichzelf herkent. Nee, voor geen goud wil de verteller deel uitmaken van het leger van twee miljoen botte Hollandse, Britse of Duitse toeristen die jaarlijks de Spaanse costa’s bezetten, en hij voelt zich ook in geen enkel opzicht met hen verwant.

In dit boek, en ook in zijn latere satirische romans, maakt Montag duidelijk waarom de politieke analist Hofland zich niet zomaar op traditioneel linkse wijze kan solidariseren met het volk, afkomstig uit welke klasse, stand of beroepsgroep dan ook. ‘Het gewone volk’, heet het in Man van zijn eeuw, 'is niet wat Simon Carmiggelt ervan heeft gemaakt.’ 'Het gewone volk is nog eerder bereid je met zijn monopolie van wijsheid te verpletteren dan de mensen in de betere buurten.’ Hoflands engagement, als dat woord al gebruikt mag worden, betreft niet zozeer een politiek ideaal als wel een geciviliseerde levenswijze. Dat hij de contouren daarvan niet uittekent, ligt voor de hand: individuele vrijheid en verantwoordelijkheid vormen er het fundament van, voorschrijven hoe een ander zou moeten leven is hem een gruwel. Maar van zijn walging voor andermans onbeschoft- en smakeloosheden maakt hij, zacht gezegd, geen geheim.

Hem beschuldigen van cultuurpessimisme is niettemin veel te gemakkelijk. Daarvoor ontbreekt het trouwens aan een 'vroeger’ als verloren of verkwanseld ideaal. Ook de kwalificatie 'fatsoensrakker’ raakt hem onvoldoende. De fatsoensrakker is de rechtse, vaak hypocriete bewaker van conventionele zeden en autoritaire verhoudingen die in het huidige tijdperk van ongebreideld consumentisme anachronistische trekken heeft gekregen en bijgevolg in het publieke domein het veld heeft moeten ruimen voor de schreeuwlelijk die overal waar hij komt zijn 'rechten’ opeist, brutaler naarmate hij met meer bankbiljetten kan wapperen. Aan de matigende effecten van de platitudes van de fatsoensrakker bestaat in de wereld als markt geen behoefte meer. Toch staat ook Montag voor een vorm van matigheid, zij het dat die bij hem eerder een esthetische en hygiënische dan een morele categorie is. In die zin is hij ook politiek hoogst actueel: hij belichaamt de verlichte, intellectuele, een tikkeltje anarchistische versie van de geborneerde 'fatsoensrakker’ van enkele decennia geleden.

De bewijsplaatsen daarvoor liggen in zijn romans voor het oprapen. Al direct in het begin van Nacht over Alicante is het raak. Op het terras van de Koning der Sorbets zijn we via de blik van de vrouw van een zich uitslovende kelner getuige van het 'zwijnsgedrag’ van de internationale 'bezettingsmacht’. Zij haatte het, de minzame onderdanigheid van haar man. En dan volgt deze wraakfantasie: 'Ze keek naar drie godinnen die juist van de kapper kwamen en die langzaam en vanzelfsprekend lepelden van de enorme berg ijs en room, door haar man met een elegante zwaai onder hun gecrèmde neuzen gezet. Plotseling wilde ze dat ze kon vliegen, om met de wraakzuchtige duikvlucht van een gier zich op de drie lepelende dames te storten, de bolle glazen met ijs in haar klauwen te nemen om die op de bespoten kapsels om te keren.’

Hofland heeft meer dan eens betoogd dat voor hem, kind van de oorlog, alles een vorm van oorlog is. Zijn romanfiguren gedragen zich vrijwel zonder uitzondering agressief en heerszuchtig. Iedereen die in hun blikveld komt is een concurrent die, liefst in het bijzijn van het nodige opgewonden publiek, geïntimideerd, terechtgewezen, gekleineerd, gedeemoedigd moet worden. 'Zijn levenslange behoefte was het, altijd en overal te winnen’, heet het van een steenrijke, overmoedige patser, 'vroeger met vechten en voetballen, daarna met geld verdienen en vrouwen. Maar het meest van alles wilde hij dat iedereen het goed zou weten. Ze hoefden het niet te zeggen, als hij het maar aan de mensen kon zien. Hij had een scherp oog voor andermans nederlaag.’

Montag schreef twee romans, Hofland vervolgens nog eens vier. Het merendeel daarvan heeft een satirische inslag. De Alibicentrale (1990), 'een sprookje voor bedriegers’, gaat over een bedrijf dat mensen alibi’s verschaft voor hun snode daden. In De Jupiter (1992) wordt een schrijver opgevoerd die erin slaagt zijn boek op de Top Tien te krijgen nog voor het in de winkel ligt. In Cicero Consultants (2007) gaat het om een even listig als cynisch duo dat klanten 'prothesen voor grote redenaars’ levert, oftewel toespraken, waarmee ze hun tegenstanders 'de eeuwige vernedering inbeitelen’. In zekere zin zijn het allemaal eigentijdse zedenschetsen, wat karaktertyperingen en stilistisch vernuft betreft enigszins vergelijkbaar met die van Remco Campert (Harm en Miepje Kurk zijn van dezelfde familie als Harm en Rutje uit het een jaar oudere Nacht over Alicante). Het grootste verschil: de nauwelijks gecamoufleerde misantropische blik van Hofland, wiens grimmige sombermansachtigheden de diepste apocalyptische afgronden tonen, niet getemperd door nostalgie. Hofland: Campert meets Céline.

Twee romans wijken in toon, thematiek en opzet af van de overige, Man van zijn eeuw en Het diepste punt van Nederland, beide uit 1993. Man van zijn eeuw gaat over een historicus die zich bedrogen voelt in de liefde, stikt van de jaloezie en zint op wraak. Daarbij moet vooral een politicus het zwaar ontgelden, ene Evert Drijver, in wie Hofland zijn niet geringe afkeer van het type van de opportunistische machtswellusteling heeft samengebald. Drijver is 'een weerzinwekkend varken’, in de 'vriendenclub’ is hij het middelpunt van afgunstige bewondering en knechtachtige nieuwsgierigheid, iedereen wil naast hem zitten. 'Zonder dat er nog iets van ze is gevraagd, zonder een teken of een vermoeden dat ze iets zullen terugkrijgen, beginnen ze al hun diensten te verlenen. ’t Is het begin van de collaboratie; in de oorlog had je jongens die op een straathoek gingen staan in afwachting van een Duitser die de weg vroeg.’

Critici hebben opgemerkt dat de roman te traag op gang komt, te veel uitweidingen en ongeloofwaardigheden kent. Misschien is dat zo, maar wat kan het me schelen als ik op elke bladzijde word getrakteerd op juweeltjes van formuleringen, dwarse observaties en onverwachte inzichten? 'Alles is altijd een vorm van oorlog’, ook in deze roman, die zich ten dele afspeelt tegen het decor van de sloop van de Berlijnse Muur en daar zijn wat geforceerde titel aan ontleent. Maar de werkelijke oorlog, Hoflands eigenlijke leerschool, komt aan bod in wat ik zijn beste roman vind, Het diepste punt van Nederland, nauwelijks opgemerkt maar mij liever dan De aanslag.

Daarin vertelt hij de geschiedenis van een avontuurlijke Rotterdamse jongen die verdacht veel weg heeft van hemzelf. Die jongen, Arnold Boekestein, is dertien als de oorlog uitbreekt. Op school is hij een minimalist, daarbuiten een en al energie en geconcentreerde aandacht. Hij is in alles de tegenhanger van Frits van Egters, dat toonbeeld van een trage, zich vervelende, initiatiefloze pestkop, in wiens treurigheid half naoorlogs Nederland zich herkende. Als de jonge Boekestein, toch ongeveer een leeftijdgenoot, hem was tegengekomen, zou hij hem ongetwijfeld links hebben laten liggen.

Boekestein is, gewapend met kompas, horloge en schrift, getuige van het bombardement van de stad, bedenkt het Ontwerp voor een onoverwinnelijke luchtmacht en komt via een joodse antiquaar die zijn kostbare spullen bij hem thuis in veiligheid brengt in bezit van een boek van Le Corbusier, dat zijn leven een radicale wending geeft. Hij ontwerpt complete nieuwe stadswijken in Corbusiers modernistische geest voor de wederopbouw, maar na de oorlog, als hij zich in Parijs aan Sartre vergaapt en zich vervolgens op Les chemins de la liberté stort, hebben de Nederlandse regenten geen enkele belangstelling voor een nieuwe wereld, liever storten ze zich in een oorlog tegen de bevrijdingsbewegingen in Indonesië. Die lafheid zou Boekestein, alias Hofland, hen nooit vergeven; de afkeer ervan inspireerde zijn Tegels lichten en voedt zijn non-conformisme tot op de huidige dag.

Hofland krijgt de P.C. Hooftprijs voor zijn beschouwend proza, volkomen terecht. Maar als romancier wordt hij nog steeds schromelijk onderschat. Dat moge blijken uit het treurige feit dat zelfs op dit feestelijke moment geen van zijn zes romans in de reguliere boekhandel te koop is.

Credits: Vincent Mentzel/HH