De kinderbescherming moet op de schop

Kind van de rekening

Hoe kan het dat in een hoogontwikkeld en rijk land als Nederland kinderen met problemen soms maanden moeten wachten tot er iets gebeurt? Ze worden soms van instelling naar instelling gesleept, van pleeggezin naar pleeggezin. Is de Raad voor de Kinderbescherming niet een onnodige tussenschakel?

Het is ongeveer een jaar geleden dat ze het ‘getreuzel’ van de Raad voor de Kinderbescherming niet langer wenste te accepteren, vertelt Sigrid van de Poel, directeur van Jeugdzorg Amsterdam. ‘Een melding via het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (amk) dat er een kind uit het raam was gevallen. Dood. In dat gezin was al eerder een kind verongelukt in huis. De ouders hadden opnieuw geen goede verklaring. Wij zeiden: die andere kinderen moeten het huis uit, nú! Maar de Raad had geen haast, zag de acuutheid van de situatie niet in’, blikt Van de Poel terug. ‘Ik heb hun gemaild: ik leg de verantwoordelijkheid voor volgende ongelukken bij jullie. Toen was de uithuisplaatsing snel geregeld.’

Op haar kantoor in een Amsterdamse buitenwijk schudt Van de Poel het hoofd. Het gebeurt zo vaak, zegt ze, dat de Raad voor de Kinder­bescherming vooral een vertragende factor is in de jeugdbeschermingsketen. ‘Ze gaan vaak uit van de papieren werkelijkheid, terwijl je soms binnen een uur moet kunnen handelen als een kind écht in de knel zit.’ Van de Poel zegt het onomwonden: ‘De Raad voor de Kinder­bescherming is overbodig. Het ministerie van Veiligheid en Justitie wil er niet aan.’

Van de Poel vertelt hoe ze zes jaar geleden overstapte van de Raad voor de Kinderbescherming naar de Jeugdzorg. Dertien jaar werkte ze bij de Raad, onder meer als vestigings­manager en hoofd beleid. ‘Maar het was mijn stellige overtuiging dat de rol van de Raad was uitgespeeld. De Raad toetst of anderen vóór hen hun werk goed hebben gedaan, en brengt daarover advies uit aan de kinderrechter. Dus wij, de Jeugdzorg, adviseren de Raad wat de Raad moet adviseren aan de rechter. En gemiddeld zijn er zes à negen maanden mee gemoeid voordat de rechter dan uitspraak doet. Haal die schakel eruit en laat de Jeugdzorg rechtstreeks rapporteren aan de rechter.’

Dat de Raad soms doorvraagt, even op de rem trapt, snapt Van de Poel ook wel. En dat de Raad de administratie en rapportages beter op orde heeft dan de ‘hulpverleners pur sang’ van de Jeugdzorg geeft ze ook volmondig toe: ‘Bureaucratisch gezien is de Raad geweldig en dat bedoel ik niet eens cynisch. Afspraak is afspraak bij hen. Maar in 97 procent van de gevallen volgt de Raad het advies van de Jeugdzorg. Moeten we voor die overblijvende drie procent zo’n bureaucratisch circus optuigen? Wat is de toegevoegde waarde van de Raad?’

De discussie over de positie van de Raad voor de Kinderbescherming hangt samen met de naderende stelselherziening van de jeugdzorg. Die gaat dan naar de gemeenten, terwijl de Raad landelijk georganiseerd blijft en rechtstreeks onder Justitie valt. De Tweede Kamer stelde voor om bij die gelegenheid de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling (amk’s), die onder Jeugdzorg vallen, dan meteen maar samen te voegen met de Raad voor de Kinderbescherming. De regering wil er echter niet aan en vindt dat bij de Raad voor de Kinderbescherming alles bij het oude moet blijven. Ze verwijst daarbij naar een recent rapport van advies­bureau Boer Croon dat stelt dat er geen overlap is tussen de amk’s en de Raad. In mei leggen de verantwoordelijke staatssecretarissen het in een brief aan de Kamer nog eens uit: het amk kijkt naar eventuele mishandeling en de Raad naar de opvoedingssituatie. De aanbeveling van Boer Croon om de samenwerking tussen Jeugdzorg en Raad nader onder de loep te nemen, laten de bewindslieden onvermeld.

In de bureaucratische brij rond de kinderbescherming gaat het wel eens mis – met soms een storm van verontwaardiging in Nederland. Zoals in 2001, toen lichaamsdelen werden gevonden van wat later bekend werd als het ‘Meisje van Nulde’. Het bleek te gaan om de vierjarige Rowena Rikkers uit Dordrecht, die overleed na mishandeling door haar moeders nieuwe vriend. Drie jaar later overleed Savanna, een driejarige peuter uit Alphen aan den Rijn, nadat ze was uitgehongerd en ernstig mishandeld door haar moeder en stiefvader. Het gezin stond onder toezicht van Bureau Jeugdzorg Noord-Holland. Justitie vervolgde de gezinsvoogd, maar die werd uiteindelijk vrijgesproken. In 2006 was er de affaire ‘Maasmeisje’, de twaalf­jarige Géssica Gomes, vermoord door haar vader. In 2009 overleden in Rotterdam drie pasgeboren baby’s, waarna de Inspectie Jeugdzorg het ‘niet acceptabel’ noemde dat Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming ‘na eerdere calamiteiten met pasgeboren baby’s’ nog steeds geen sluitende afspraken hadden over wie er precies verantwoordelijk was in de periode dat de Raad onderzoek doet.

Een half jaar geleden adviseerde de Kinder­ombudsman, mede namens het Kinderrechtencollectief, om bij de stelselherziening te bekijken of de verschillende taken rond kinderbescherming ondergebracht kunnen worden in minder organisaties met méér kwaliteit. Want ‘voor­komen moet worden dat iedere gemeente dit wiel anders en/of opnieuw uitvindt’.

Al met al reden genoeg om de samenwerking in het jeugdveld – en de toegevoegde waarde van de Raad – eens nader te bestuderen. De Raad zelf laat na enige bedenktijd weten ‘op dit moment geen direct belang te zien’ om aan een reportage mee te werken. ‘We zijn ons nog aan het bezinnen op welke punten we ons de komende tijd willen profileren’, aldus de uitleg.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft in feite twee gezichten: de ‘strafkant’ die ingrijpt als kinderen zelf in de fout zijn gegaan, en de ‘civiele kant’ die kinderen in moeilijke gezinsomstandigheden moet beschermen. En met name op dat laatste terrein is veel discussie over de taak van de diverse instanties, zo wordt duidelijk in de diverse gesprekken met wetenschappers en mensen in het justitiële veld. Er blijkt brede kritiek te leven op het hele stelsel van jeugdbescherming in Nederland. Bureaucratie, verzakelijking en versnippering staan een snelle en efficiënte interventie in de weg, zo luidt de klacht. De ene na de andere professional maakt zich boos over de tijd die verloren gaat voordat er daadwerkelijk actie wordt genomen rond een kind in de knel. Hoe kan het toch, vragen ze zich af, dat in een hoogontwikkeld en rijk land als Nederland kinderen soms maanden moeten wachten tot er iets gebeurt? Dat ze van instelling naar instelling worden gesleept, van pleeggezin naar pleeggezin, van instantie naar instantie?

Marjolein Rietbergen is advocaat gespecialiseerd in jeugdrecht in Rotterdam, voormalig bestuurslid van de Vereniging Jeugdrecht Advocaten Rotterdam en rechter-plaatsvervanger als kinderrechter in Amsterdam. De lijst aan mankementen aan de jeugdbescherming is lang, schetst ze. ‘Je helpt kinderen pas echt uit de problemen door ze vast te pakken en niet meer los te laten. Niet door steeds vervanger na vervanger op ze af te sturen. Kun je je voorstellen dat op maandag Ome Kees voor jouw kind zorgt en op dinsdag een onbekende Tante Sjaan? En rechtbanken krijgen weinig tijd om in deze zaken te oordelen, in een zitting van twintig à dertig minuten moet worden bepaald waar een kind gaat wonen. Ter vergelijking: in een comparitie voor de Handelskamer trekken ze rustig twee uur uit om een geschil tussen twee bedrijven te beoordelen.’

Het is allemaal te groot geworden, te ambtelijk en te anoniem, stelt de advocaat. ‘Jeugdzorg én de Raad voor de Kinderbescherming lijken soms weggedreven van hun oorspronkelijke doelen. Gezinsvoogden zijn case managers geworden die hulp inzetten. Vroeger gingen de gezinsvoogden met de kinderen op pad, ze zaten zelden op kantoor. En ga eens op bezoek in de instellingen waar de kinderen verblijven. Zó groot… Hoe groter een organisatie, hoe meer mensen zich kunnen verschuilen. Ze hebben ieder hun eigen stukje verantwoordelijkheid en zijn vaak niet meer in staat te zien waar het eigenlijk om gaat.’

Als rechter-plaatsvervanger ziet Rietbergen de problematiek ook vanaf de andere kant: ‘Stapels en stapels papieren krijg ik elke keer voor mijn neus. Terwijl ik als rechter gewoon wil weten hoe het gaat, wat er moet gebeuren maar zeker ook wat er in een gezin wél nog goed gaat. Die papierwinkel is een onderdeel van wat ik noem het Savanna-effect: alles moet tegenwoordig op papier worden verantwoord. Ik vind dat de aandacht weer meer moet komen waar die hoort: bij de kinderen.’

Mariëlle Bruning maakte de Savanna-affaire van nabij mee. Ze was jurist bij Bureau Jeugdzorg Noord-Holland toen de gezinsvoogd in die zaak werd vervolgd. Tegenwoordig is ze hoog­leraar jeugdrecht in Leiden. Tevens is ze rechter-plaatsvervanger bij de Amsterdamse rechtbank. Kijkend naar die kinderbescherming zit Bruning met één grote, telkens terugkerende vraag: ‘Waarom hebben wij in Nederland een aparte, extra organisatie in de keten gezinsprobleem-kinderbeschermingsmaatregel? We doen dus standaard twee keer onderzoek. Bureau Jeugdzorg plus de Raad voor de Kinderbescherming, ofwel het Advies- en Meldpunt Kinderbescherming plus de Raad. In veel landen is dat anders geregeld. Daar doet één organisatie zowel de hulpverlening als de verzoeken aan rechters om een maatregel.’ Bruning noemt Canada, waar ze promotieonderzoek deed, ze noemt Duitsland, waar één Jugendamt is, ze noemt Engeland, dat op dit terrein maar één organisatie kent.

Het argument in Nederland is dat een onafhankelijke instantie om de maatregelen rond een gezin moet verzoeken. ‘Maar we hebben toch al een onafhankelijke rechter? Voor hulpverleners is het makkelijker als ze de Raad voor de Kinderbescherming de zwarte piet toe kunnen spelen, maar dat vind ik geen argument voor een aparte, dure organisatie’, aldus Bruning. ‘Twee keer onderzoek is een zéér groot nadeel, want het levert vertraging op. Gemiddeld zitten er zes tot negen maanden tussen de eerste zorgmelding rond een gezin en een maatregel door de rechter. Voor een kind in nood duurt dat veel te lang.’

Er is simpelweg een organisatie te veel, betoogt Bruning. Ze geeft een kort lesje jeugdbescherming, om te schetsen hoe de situatie zo gegroeid is. Jeugdzorg, vertelt ze, is rond 1900 ontstaan als een particulier initiatief, vanuit de kerken. Het begon als een vrijwilligersorganisatie en uitvoerende dienst. De Voogdijraad zat erbij als neutraal orgaan tussen overheid en particulier initiatief. Vanaf de jaren vijftig werd de jeugdzorg steeds meer gesubsidieerd, het werd een soort zbo (zelfstandig bestuursorgaan) dat niet onder Justitie viel en niet onder het ministerie van vws. De Voogdijraad werd omgezet in de nieuwe Raad voor de Kinderbescherming. Met de invoering van de Bureaus Jeugdzorg in 2005 werd de Raad een tweedelijnsorganisatie; maatregelverzoeken moesten voortaan via Bureau Jeugdzorg aan de Raad worden gedaan, die er opnieuw naar kijkt en het merendeel vervolgens indient bij de rechter. ‘Het is heel vreemd dat die Raad er tussen is gebleven. Maar zo gaat dat altijd in Nederland: er komt telkens een organisatie bij, nooit gaat er eentje vanaf. Het gebeurt nu wéér, met de Centra voor Jeugd Gezin.’

Het gevolg is een ‘log systeem, waarbinnen het lang duurt voordat de hulp echt op gang komt’. ‘Niemand zegt: we gaan het hele systeem opnieuw opbouwen op een manier die vooral goed is voor het kind. Vanuit Justitie kan ik me dat nog wel voorstellen. Zij willen de Raad dicht bij zich houden. Kinderbescherming moet je centraal organiseren’, aldus de hoogleraar. Simpelweg opheffen van de Raad en de taken overhevelen naar de Jeugdzorg is echter niet de oplossing, betoogt Bruning: ‘Ik ben voor één instelling. Maar ik zou me zorgen maken als Bureau Jeugdzorg nu als enige verantwoordelijk zou worden. Het juridische product dat Jeugdzorg levert is namelijk onder de maat. Of: op het randje. Ze hebben een toezichthoudend oog nodig omdat ze te veel fouten maken. Jeugdzorg heeft twee juristen per bureau, die doen niks anders dan brandjes blussen als er iets misgaat, ze kunnen nauwelijks structureel iets betekenen. De Raad voor de Kinderbescherming heeft veel meer juristen, die kijken vanaf het begin mee in elke zaak. Ze hebben een waakhondfunctie tegen té snel ingrijpen in een gezin, ze kijken met een analytische blik of er echt voldoende grond is. Dat dwingt tot zorgvuldig en transparant werken.’

De juristen van Jeugdzorg hebben meestal geen tijd om mee te gaan naar de rechtbank, terwijl de hulpverleners zelf – in de woorden van Bruning – het ‘lastig vinden om een rechter op één A4’tje uit te leggen waarom een kind uit huis moet.’ Een jurist kan dat wel, is haar ervaring. Die juridische kennis mag niet zomaar worden weggegooid, waarschuwt ze. ‘Als je dus naar één organisatie wil, zou het hele team van de Raad mee moeten gaan naar Jeugdzorg.’ Ze ziet in de praktijk ook de beweging dat beide instanties naar elkaar toe groeien. ‘Ze zitten tegenwoordig samen aan tafel in het zogeheten Casusoverleg Bescherming. Een goede ontwikkeling.’

Ido Weijers, voormalig hoogleraar jeugdstrafrecht, is sinds juli vorig jaar bijzonder hoogleraar jeugdbescherming op een leerstoel die is ingesteld door de Raad. Het eenvoudigweg opheffen van de Raad zou hij een ‘riskante, zeer onwenselijke ontwikkeling’ vinden. ‘Het is hoogst noodzakelijk dat een onafhankelijk oog kijkt naar de zaken die Jeugdzorg aandraagt. Ik zie in té veel dossiers dat ze ernstige steken laten vallen. Van die adviezen dat een kind maar uit huis moet omdat Jeugdzorg niet goed met de ouders overweg kan. Of ze laten opdrachten een half jaar liggen. Bureau Jeugdzorg is vaak te weinig professioneel, laat ze maar niet al te stoer doen en de hand vooral ook in eigen boezem steken.’ De Raad kijkt volgens Weijers ‘een niveau hoger of het allemaal wel klopt’. Maar, erkent ook hij, er is ‘allereerst een beleidsmatige omwenteling nodig op dit terrein’.

De verantwoordelijke instanties moeten zich concentreren op de evidente gevallen waarin het misgaat met een kind. ‘Niet ingrijpen bij allerlei ditjes en datjes, een moeder die onzeker is over de opvoeding of een vader die incidenteel eens een tik geeft. Het gaat ongelooflijk goed met de opvoeding in Nederland. We zijn te gauw bezorgd en dat komt mede door de angst om afgerekend te worden. De hele sector is, na Savanna en het Meisje van Nulde, bang om een ingreep achterwege te laten en dan vervolgd te worden. Het gevoel heerst van “beter te vroeg ingrijpen dan te laat”. We moeten juist zuiniger worden met ingrijpen.’

De politiek slaat echter de tegenovergestelde weg in, met voorstellen voor verplichte opgroeiondersteuning. ‘Daarmee worden de kinder­beschermers opgejaagd en overbelast waardoor ze hun werk minder goed kunnen doen. Bovendien gaat dit miljoenen kosten, en die hebben we niet. De Raad moet juist een stapje terug doen, de positie kiezen van de dokter die soms zegt: “Nou, het valt allemaal wel mee, hoor.” Maar als Jeugdzorg overgaat naar de gemeenten en daarmee een relatief sterkere positie krijgt, is er des te meer behoefte aan een kritisch, onafhankelijk oordeel voordat de zaak wordt voorgelegd aan de rechter. Dan hebben we het tegenwicht en de bredere blik van de Raad des te harder nodig.’

Otto van der Bijl, jeugdofficier van justitie in Amsterdam en verbonden aan het Veiligheidshuis-West, kent de Raad alleen van de strafrechtelijke kant. Op het parket aan de Parnassusweg in de hoofdstad geeft hij een korte schets van het jeugdstrafrecht, en de positie van de Raad daarin. ‘Het is de backbone van de jeugdstrafrechtspleging. Zonder de Raad ís er geen jeugdstrafrecht. Negentig procent van de jeugdstraffen is taakstraf. Slechts een heel klein deel is boete of detentie. En de Raad is, als uitvoerder van die taakstraffen, ontzettend belangrijk.’

Van der Bijl zegt de Raad te kennen als een ‘betrokken en kwalitatief goed werkende organisatie, erg begaan met het lot van kinderen’. Soms adviseren ze wel eens iets te vaak een kind nóg een kans te geven, laatst nog bij een jongen die al achttien hulpverleningstrajecten had doorlopen, waar het OM geneigd is ‘in zo’n geval gewoon eens een keer af te rekenen’. Maar, denkt de officier, de raadsonderzoeker heeft vaak urenlang contact met een verdachte, terwijl het OM zo’n jeugdige misschien twintig minuten ziet. ‘Dat werkt een wat cynischer houding in de hand.’

De rapporten van de Raad zijn volgens hem van goede kwaliteit, en het verwijt van bureaucratie? ‘Ach, het OM is óók bureaucratisch. Het strafproces ís nu eenmaal een bureaucratisch verschijnsel.’ De suggestie vanuit Jeugdzorg-hoek om de Raad maar op te heffen onderschrijft Van der Bijl dan ook niet: ‘De vraag is of het zelfvertrouwen van Jeugdzorg, dat zij het allemaal wel alleen af kan, wel zo op zijn plaats is.’

Ook rechters schrijven de Raad voor de Kinderbescherming niet zomaar af als overbodig. Althans, dat is het standpunt van Dia Flinterman, kinderrechter in Groningen. ‘Een orgaan dat ingrijpt in een gezin als het echt nodig is, moet klein zijn en rechtstreeks verantwoording afleggen aan het ministerie’, stelt ze. De Raad, benadrukt ze, is er specifiek voor onderzoek. Het zou volgens haar een ‘onzuivere stap’ zijn als Bureau Jeugdzorg de onderzoeken zou verrichten en de geadviseerde maatregelen vervolgens ook zelf uitvoert: ‘Beide organisaties moeten niet te veel naar elkaar toe groeien, met het oog op de scheiding der machten.’ Flinterman zou zelfs graag zien dat de Raad méér mogelijk­heden en financiële middelen krijgt om kinderen te onderzoeken. Ze pleit ervoor om wettelijk te regelen dat ook ouders zelf gedwongen kunnen worden mee te werken aan een onderzoek van henzelf als er bijvoorbeeld sprake is van verslaving of vermoedens van psychische problematiek, zoals borderline. ‘Dan kom je pas toe aan super-kinderbescherming!’

In grote lijnen voldoet het huidige stelsel, vindt de Groningse rechter. De naderende stelselherziening waarbij Jeugdzorg wordt overgedragen aan de gemeenten vindt ze dan ook bepaald geen verbetering: ‘Bureau Jeugdzorg begint eindelijk te leren hoe de huidige wet uit 1995 bedoeld is, namelijk dat het zélf dwingende aanwijzingen aan ouders kan geven om de situa­tie voor een kind te verbeteren. De sanctie kan een uithuisplaatsing zijn, of de verplichting dat het kind bij de andere ouder gaat wonen dan waar het voorheen verbleef.’

De gedachte wetswijziging zal alleen maar voor nieuwe verwarring zorgen, voorspelt Flinterman. Ouders kunnen dan opvoedondersteuning opgelegd krijgen, als lichtste maatregel in het geval van ‘bedreiging’ van een kind. ‘Maar hoe moet je als rechter in hemelsnaam onderscheid maken tussen een “bedreiging” en een “ernstige bedreiging”? Dat wordt een woud van ellende, het gaat niet werken.’

Ook Huub Friele, directeur jeugdbescherming en jeugdreclassering bij Bureau Jeugdzorg stadsregio Rotterdam, pleit voor een ‘grote versimpeling in het jeugdveld’: ‘Je moet je echt afvragen of je zo veel aparte organisaties moet hebben. Het kan efficiënter én goedkoper.’ Opheffen van de Raad voor de Kinderbescherming gaat ook hem te ver, maar de functies van Raad en Jeugdzorg onder één dak zou welkom zijn: ‘Ik weet dat sommige gemeenten al spreken over oprichting van zo’n nieuwe organisatie.’ Hij trekt een vergelijking met de reclassering, waar onderzoek en uitvoering van de eigen adviezen onder dezelfde koepel zitten maar daarbinnen strikt van elkaar zijn gescheiden. Het kan dus wel, wil Friele maar zeggen.

De Jeugdzorg-directeur erkent dat de samenwerking met de Raad voor de Kinderbescherming in zijn eigen regio de voorgaande jaren niet goed was: ‘Er was weinig contact, weinig onderling respect, en er gingen regel­matig zaken fout. Bij die incidenten rond de dode baby’s in 2009 werden alarmerende meldingen teruggestuurd omdat de dossiers niet volledig waren. De bureaucratische procedures stonden voorop, niet de veiligheid. Maar dat is sindsdien erg verbeterd. Dossiers sturen we nu niet meer op en neer. Eérst aan de slag, daarna eventueel steggelen of de administratie wel volledig is.’

Het blijkt een terugkerend thema in de gesprekken: de versnippering die zorgt voor vertraging in de hulpverlening aan kinderen. Iedereen ziet het, maar na iedere stelselverandering blijft de verdeeldheid bestaan. Ook de komende overgang van Jeugdzorg naar de gemeenten brengt er geen verandering in. Tot grote ergernis van Adri van Montfoort, jurist, pedagoog, lector jeugdzorg en jeugdbeleid aan de Hogeschool in Leiden, en raadsheer-plaatsvervanger bij het gerechtshof in Den Haag. In zijn ruime kantoor naast de spoorlijn in Woerden pakt hij een stift en begint te schetsen op een flip-over. Hij trekt cirkels rond het amk, Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming, geeft met pijlen aan of de budgetten van het ministerie van Veiligheid en Justitie of van vws komen, al dan niet via de provincie, en concludeert: ‘Compleet idioot! Ik word boos als politici roepen dat de uitvoerders niet samenwerken. De overheid heeft zelf het hele terrein actief in stukjes gehakt. En daardoor zit er gemiddeld negen maanden tussen de eerste melding rond een kind en een uitspraak van de kinderrechter. Gemiddeld hè – dat betekent dus dat het soms ook wel twee jaar duurt.’ Van Montfoorts visie is eenduidig: als de overheid zich ongevraagd bemoeit met een gezin moet dat gebeuren vanuit één organisatie, ‘maar in ieder geval onder één bestuurlijke verantwoordelijkheid. Melding, onderzoek, eventueel de stap naar de rechter en uitvoering van de maatregel moeten in één hand zijn.’ Net als hoogleraar Bruning verwijst hij naar het buitenland: ‘In Engeland, Scandinavië, Duitsland is het al lang zo geregeld. Het kan best.’

In vogelvlucht gaat ook hij door de geschiedenis van de kinderbescherming in Nederland, de kloof tussen hulpverleners en justitie in de jaren zestig en zeventig, het ontstaan van het nieuwe fenomeen ‘vertrouwensartsen’. Die gingen in de jaren negentig op in het amk, dat in 2005 weer werd ondergebracht bij Bureau Jeugdzorg. ‘Daar zijn we goed in, een nieuwe organisatie optuigen en de oude laten bestaan. Twee verantwoordelijke ministeries, wvc/vws versus Justitie, en als iets eenmaal onder twee departementen valt krijg je het nóóit meer bij elkaar.’ Het gevolg is, doceert Van Montfoort, dat als tegenwoordig iemand belt en zegt dat een kind mishandeld wordt, hij bij het amk uitkomt, en als hij zegt dat het niet goed gaat met dat kind hij wordt doorverbonden naar de afdeling toegang van Jeugdzorg. ‘Het zijn te veel vakjes, met elk eigen procedures en een eigen aanpak. Zo doen we dat in Nederland, knippen en plakken.’

Van Montfoort adviseerde jaren geleden al om de diverse schakels tot één te smeden, om snelheid te winnen. ‘In de huidige plannen voor de stelselwijziging wordt de versnippering nóg groter. We hebben dan een Centrum voor Jeugd en Gezin, en los daarvan een combinatie van het amk en het Advies- en Steunpunt Huiselijk Geweld. De Raad blijft als aparte schakel bestaan, terwijl onduidelijk is waar de gezinsvoogden worden ondergebracht. Er moet, samen met de gemeenten, echt een herontwerp van de jeugdbescherming worden gemaakt. Zoals het nu gaat vind ik echt schandalig. We zijn wereldkampioen versnippering, en het lukt ons om het nóg erger te maken.’


Raad voor de Kinderbescherming

De Raad voor de Kinderbescherming heeft diverse taken. ‘De Raad wordt ingeschakeld als de omstandigheden van een kind en zijn gezin zorgelijk zijn, de geboden vrijwillige hulpverlening niet (meer) voldoende is of het gezin geen hulp accepteert’, zo vermeldt de instantie in een eigen voorlichtingsfolder. Bij ‘ernstige opvoedingsproblemen’ komt de Raad om de hoek kijken, evenals bij jongeren die met de politie in aanraking komen. Daarnaast is de Raad betrokken bij het afstaan of adopteren van kinderen en kan ze, op verzoek van een rechter, betrokken worden bij echtscheidingen waar de ouders het niet eens worden over afspraken over de kinderen. In de werkpraktijk zijn die taken verdeeld over de vier takken bescherming, gezag en omgang, straf, en ASAA (afstand, screening, adoptie en afstammingsvragen). De Raad mag haar werk ‘ongevraagd en tegen de wil van de ouders’ uitvoeren. Alleen Bureau Jeugdzorg (BJZ), het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK), politie en rechter kunnen de Raad inschakelen. Andere personen en instanties kunnen dat alleen als er sprake is van een ‘acute en ernstige bedreigende situatie voor het kind’.

Als de Raad er bij is gehaald, wordt een onderzoek uitgevoerd, waarna de Raad aan de kinderrechter een kinderbeschermingsmaatregel kan vragen. Meestal gaat het om een (voorlopige) ondertoezichtstelling (OTS), waarmee het ouderlijk gezag wordt ingeperkt en een gezinsvoogd wordt toegewezen. In 2011 deed de Raad dit 11.255 keer, waarvan 3018 maal in combinatie met een uithuisplaatsing. Dit laatste kan Bureau Jeugdzorg ook verzoeken. De gezamenlijke rechtbanken namen vorig jaar 12.808 nieuwe beslissingen over OTS en 7421 over uithuisplaatsingen, zo meldt de Raad voor de Rechtspraak desgevraagd. Omdat maatregelen ook worden verlengd ligt het totaal aantal kinderen dat het betreft een stuk hoger: in 2010 waren volgens cijfers van het Kinderrechtencollectief 38.097 kinderen onder toezicht gesteld en 10.552 uit huis geplaatst.