De jaren tachtig van Eberhard van der Laan

Kind van Schaefer

De huidige burgemeester van Amsterdam, Eberhard van der Laan, begon in de Amsterdamse politiek als assistent van de legendarische wethouder Jan Schaefer. Tijdens de krakersrellen had hij een pacificerende rol.

Medium van der laan 01

Op vrijdag 29 februari 1980, een grauwe winterdag, gonst het van de energie in de Amsterdamse Vondelbuurt. Jongelui met helmen en knuppels drommen samen. Het zijn krakers. ‘ME, weg er-mee! ME, weg er-mee!’ scanderen ze. Ze hebben zich met honderden tegelijk verzameld in de Eerste Constantijn Huygensstraat en de stille Vondelstraat. Uit de verte komt een groep van nog eens honderden demonstranten aangezet. ‘ME, weg er-mee! ME, weg er-mee!’ klinkt het. Deze krakers waren eerder op de middag bij het stadhuis om hun boodschap aan het stadsbestuur te verkondigen. Nu zijn ze terug in de Vondelstraat, waar een wit pand op de hoek van de Vondelstraat en de Eerste Constantijn Huygensstraat in hun vizier komt. Rond half vier beukt een klein groepje met koevoeten de achterdeur open. Stokken, stenen, verf en andere attributen gaan mee naar binnen en de voordeur wordt binnen tien minuten compleet gebarricadeerd.

Op deze schrikkeldag willen de krakers laten zien dat het gebouw op nummer 72 in de Vondelstraat écht van hen is. In het vorige weekend werden ongeveer dertig krakers na een kraak door de ME uit het pand verjaagd. Het ging om een verrassingsaanval, want eerder was nog met de politie afgesproken om te komen overleggen op het bureau. Een week later is de situatie anders: de krakers zijn terug met vijftienhonderd aanhangers – het zogeheten voetvolk. Deze keer zullen ze hun verovering vieren en het gebouw met hand en tand verdedigen.

Het is nu aan burgemeester Wim Polak (pvda) om de openbare orde in Amsterdam te handhaven. Kraken is officieel verboden, maar in de hoofdstad is het sinds halverwege de jaren zeventig een gewoonte geworden. Door de hoge woningnood zit er voor jongeren en studenten weinig anders op dan het bezetten van gebouwen die soms al jaren leegstaan. De eigenlijke huiseigenaren speculeren met hun vastgoed en liggen er niet wakker van dat grote groepen mensen zonder woning zitten. Het pand aan de Vondelstraat wordt sinds een tijdje gehuurd door de stichting Jezuskinderen, die het wil inrichten als opvangplek voor alcoholisten en drugsverslaafden. Omdat de verbouwing op zich laat wachten, denken de krakers dat er speculanten in het spel zijn.

De krakers van de Vondelstraat hebben goed contact met hun medestanders in het befaamde kraakcomplex De Groote Keijser aan de Keizersgracht, dat sinds 1978 bezet is. Naast dit bolwerk zijn er in Amsterdam tientallen andere gebouwen ingenomen; de grootste concentratie van kraakpanden ligt in de Staatsliedenbuurt. Van daaruit voert een groep radicalen hardhandige acties uit binnen en buiten hun gebied. Zij worden ook wel ‘de knokploegen van de kraakwereld’ genoemd. In totaal telt de hoofdstad in deze jaren twintigduizend krakers.

In de Vondelbuurt komt de ME in opdracht van burgemeester Polak in actie om het witte pand voor de tweede maal te ontruimen. Donkerblauwe busjes rijden aan het einde van de middag met loeiende sirenes de Eerste Constantijn Huygensstraat in; demonstranten stuiven alle kanten op, de zijstraatjes in. ‘ME, weg er-mee! ME, weg er-mee!’ klinkt het nog steeds. Sommigen gooien met vuurwerk en rookbommen naar de politie, die met gummiknuppels en honden probeert de menigte uiteen te drijven. Verslaggever Stan van Houcke van Radio STAD doet ter plaatse verslag: ‘De mobiele eenheid wordt teruggetrokken. Ik zie twee busjes van de ME die zich terugtrekken. Daar aan de andere kant vertrekken er drie. Hier zijn er ook twee die proberen weg te komen.’ Het is duidelijk: de politie kan de overmacht van krakers niet aan en trekt zich overhaast terug.

’s Avonds vieren de krakers hun overwinning en zit Polak met zijn handen in het haar. Voor het eerst in de geschiedenis zijn krakers de politie de baas. Ze beginnen met het barricaderen van de hele Vondelbuurt. Stenen en asfalt worden uit de grond gehaald en op een hoop gegooid, zodat de Eerste Constantijn Huygensstraat onbegaanbaar wordt. Binnen een dag of twee is de Vondelbuurt een onbegaanbare vesting geworden, met vier- tot zeshonderd gemotiveerde krakers. Iedereen behalve de politie en burgemeester Polak is welkom om er een kijkje te nemen. Achter de schermen maken de mensen op het stadhuis en het politiebureau inmiddels overuren.

Alle ogen zijn gericht op de raadsfractie van de pvda, die de grootste is en het politiek gezien voor het zeggen heeft. Urenlang wordt er overlegd. De ene helft van de fractie wil de boel zo snel mogelijk ontruimen, de andere helft wil blijven onderhandelen en pas ontruimen als het echt moet. Fractievoorzitter Pelle Mug gaat met collega-fractievoorzitters naar het kraakgebied om te onderhandelen. Inzet: zonder geweld een einde maken aan de ontstane situatie. De fractievoorzitters pendelen veel op en neer naar het stadhuis, waar ze verslag uitbrengen aan de wethouders en Polak. Die staat weer in contact met minister Hans Wiegel (vvd) van Binnenlandse Zaken, die vindt dat de straat niet mag regeren en stelt dat er zo snel mogelijk ontruimd moet worden. Als Amsterdam niet tot actie overgaat, zal het rijk ingrijpen, desnoods met inzet van de krijgsmacht, zo krijgt Polak veelvuldig te horen.

De druk op de pvda-burgemeester neemt toe wanneer ook het gewestelijk bestuur van de pvda zich bemoeit met de discussie tussen hem en de opstandige fractieleden. De dominante gewestelijk bestuurders Norbert Smulders, Peter van der Gaast en Eberhard van der Laan (allen twintigers) willen doorgaan met onderhandelen tot het echt niet anders kan, net zo als de rest van hun bestuur wil. Het is een standpunt dat het bestuur al een paar jaar heeft: pacificeren gaat boven escaleren. Polak moet zich aan de politieke lijn van het pvda-gewest Amsterdam houden, aldus het bestuur.

Intussen gaan de onderhandelingen door en op zondag 2 maart stellen de fractievoorzitters en de krakers vast dat ze een oplossing willen zonder geweld. De krakers eisen echter dat ‘Nanda’, die is opgepakt bij de eerste ontruiming van de Vondelstraat, vrijkomt. Het Openbaar Ministerie laat weten dat Nanda waarschijnlijk maandag op vrije voeten komt. Op hun beurt hebben de fractievoorzitters ook eisen: de barricades moeten opgeruimd worden, het pand moet ongemoeid gelaten worden, en er mag geen geweld gebruikt worden. Daarna kan er op het stadhuis een open gesprek zijn over de toekomst van het pand.

Dan zijn er nog minister Wiegel en het kabinet, die het hele weekend volhouden dat bij een ontruiming het leger zal worden ingezet. De barricades zijn volgens het rijk onbegaanbaar voor gewone ME’ers en alleen een Leopard 1-tank met rupsbanden kan uitkomst bieden. Vermoedelijk hebben de krakers zware wapens bij zich en daar kan dit militair materieel prima tegenop, zo is de gedachte: zonder loop en met schuif kan de tank zijn werk doen. Het plan valt niet goed in Amsterdam. Een tank door de stad in vredestijd? Dat is een ramp, vinden veel mensen.

Maar burgemeester Polak aarzelt geen moment. Hij realiseert zich dat een tank beladen is, maar gezien de overmacht van krakers in de Vondelbuurt is er ‘geen reële keus’. Hij beseft dat hij voortaan bekend zal staan als ‘de burgemeester die tanks heeft ingezet tegen vreedzame krakers’. Omdat het besluit zo beladen is, wordt afgesproken dat alleen bepaalde fractievoorzitters en wethouders in Amsterdam van de tank mogen weten. Het gewestelijk bestuur van de pvda wordt niet ingelicht.

De ontruiming met militair geschut komt ineens erg dichtbij wanneer op zondagavond de onderhandelingen alsnog mislukken. Op maandag 3 maart gaat een helikopter tegen zes uur ’s ochtends de lucht in en laat boven de buurt pamfletten vallen met de tekst: ‘Blijf in de huizen. De colonne, eenmaal in beweging, kan niet worden gestopt. Het is daarom levensgevaarlijk zich op of bij de barricaden te bevinden.’ Vanuit luidsprekers klinkt: ‘Er wordt gericht geschoten!’ en op de daken in de buurt zitten scherpschutters klaar om zonodig in te grijpen.

Hij durft zijn baas tegen te spreken en geeft tegengas bij het ochtend­humeur. Schaefer vindt dat wel leuk, zo blijkt

Rond zeven uur in de morgen rijdt de tank af op een brandende barricade in de Eerste Constantijn Huygensstraat en botst ertegenop. Vlammen schieten de lucht in en de metalen kolos walst dwars door de hoge berg heen, de straat in. Krakers gooien met stenen en klimmen op de tank. Tevergeefs. Schuivend over het kruispunt veegt de tank de straat leeg. Andere militaire voertuigen en achttien pelotons marechaussee, aangevuld met enkele ME-pelotons uit het land, volgen. Het gevecht wordt gewonnen door de autoriteiten. Wonder boven wonder vallen er geen doden.

Voorafgaand aan de ontruiming, zondagavond laat, krijgen Smulders en Van der Gaast lucht van Polaks besluit. Ze zijn woest. Met z’n tweeën vormen ze het dagelijks bestuur van het gewest Amsterdam en in die hoedanigheid schrijven ze een korte persverklaring die in de nacht van zondag op maandag wordt uitgevaardigd: ‘Het dagelijks bestuur van de Partij van de Arbeid is van mening dat het onverantwoord is dat de burgemeester en het Openbaar Ministerie via een ultimatum de inzet van mobiele eenheden geforceerd hebben om de barricades te verwijderen, met alle gevolgen van dien. (…) Nu de burgemeester en het Openbaar Ministerie hun eigen verantwoordelijkheid nemen, past slechts afwijzing van deze stellingname.’ De twee eisen het vertrek van Polak zonder dat de rest van het bestuur hierin gekend wordt, en de media nemen het over.

Het persbericht valt die maandagmiddag niet in goede aarde bij Van der Laan. In een spoedvergadering wordt de situatie besproken met de rest van het gewestelijk bestuur, de gemeenteraadsfractie en het jonge landelijke bestuurslid Felix Rottenberg. In dit overleg stelt Van der Laan dat de voorzitter en secretaris hun boekje te buiten zijn gegaan. ‘Waarom hebben jullie zelfstandig actie ondernomen?’ vraagt hij aan de twee. Volgens de 24-jarige jurist is hun soloactie verkeerd. ‘Procedureel gezien is dit niet juist. De fractie moet eerst haar mening vormen en die moet met de rest van de raad bepalen of de burgemeester mag blijven. Jullie hebben voor je beurt gesproken.’

Hij krijgt bijval van medebestuurslid en generatiegenoot Cees Weijers, die vindt dat Smulders en Van der Gaast te veel op de man hebben gespeeld. De onenigheid loopt hoog op. In de uren daarna schuiven de twee geplaagde bestuurders iets op. Met Van der Laan stellen ze een nieuwe verklaring op over de burgemeester van maar liefst zes pagina’s lang. Een korte samenvatting: het eerdere persbericht bevatte geen achtergronden. Door de ontruiming is het vertrouwen van de krakers volledig weggevallen en daardoor heeft het beleid ten opzichte van krakers ‘onherstelbare schade’ opgelopen. Het gemeentebestuur moet aan de slag om het vertrouwen terug te winnen en er moeten richtlijnen komen voor alle volgende ontruimingen. Polak hoeft niet af te treden. Onder de tekst staat de naam ‘Eberhard van der Laan’ prominent bovenaan, met daaronder die van Smulders en Van der Gaast.

Als de rust enigszins is wedergekeerd, vergadert de gemeenteraad op 12 maart over de recente gebeurtenissen. In de bijeenkomst krijgt Polak geen steun van zijn fractie omdat deze te verdeeld is. De burgemeester ervaart dit als een nederlaag, maar stapt niet op. In plaats daarvan wil hij zijn ambtstermijn uitzitten. Dat blijkt geen verkeerde beslissing te zijn, want in de daaropvolgende maanden blijft het behoorlijk onrustig in de stad en kan Polak zijn ervaring inbrengen. De bekende kroningsrellen van 30 april 1980, de dag waarop koningin Beatrix wordt ingehuldigd, vormen het hoogtepunt van de onlusten.

Medium mai000003002369 009

Van der Laan ervaart deze Koninginnedag als de meest gewelddadige dag in Amsterdam tot dan toe. Duizenden krakers en sympathisanten proberen door een politiekordon heen te breken dat de hoge gasten in het Paleis op de Dam en in de Nieuwe Kerk moet beschermen. Na een gewonnen veldslag op de Blauwbrug rukken de relschoppers op naar de Dam, waar ze op het nippertje tot staan worden gebracht door de ME. Er is veel geweld en er vallen gewonden. Van der Laan volgt de situatie op afstand en is verbijsterd. Het verwondert hem dat er ondanks al het verschrikkelijke geweld geen doden vallen.

Door zijn optreden in de crisis rond de Vondelstraat is Van der Laans naam definitief gevestigd binnen de hoofdstedelijke pvda. Maandelijks hebben drie vertegenwoordigers van het gewestelijk bestuur overleg met burgemeester Polak, waarbij ook fractieleden en wethouders aanwezig zijn. Van der Laan wil graag aan het overleg deelnemen en mag mee met Smulders en Van der Gaast als ‘achtervang’. Eerst moet hij binnen het bestuur zijn plekje bij Polak zeker stellen. In de bestuursvergaderingen spelen zich volgens een ingewijde figuurlijke knokpartijen af: wie krijgt de eer om als derde man bij het overleg te mogen aanschuiven? Die verbale gevechten wint Van der Laan vaak, waardoor hij bijna altijd meegaat en voor de burgemeester een vaste gesprekspartner wordt.

Van der Laan blijft ook voor pvda-wethouder Jan Schaefer actief. In 1978 was Schaefer lijsttrekker en sindsdien is hij het boegbeeld van de partij in Amsterdam. Hij staat bekend als een politicus die zijn emoties gebruikt en geen blad voor de mond neemt. ‘In geouwehoer kun je niet wonen’, is een van zijn veel gehoorde uitspraken. Schaefer is een echte volkshuisvestingman die het tekort aan woningen wil aanpakken door huizen bij te bouwen voor de gewone man. Van der Laan voelt zich aangesproken door hem, omdat Schaefer geen kant kiest in de factiestrijd die in deze jaren binnen de Amsterdamse pvda-afdeling gaande is. Ook is Van der Laan onder de indruk van de manier waarop Schaefer draagvlak creëert bij de mensen.

De twee trekken met elkaar op en in 1980 behoort Van der Laan tot de kleine groep van vertrouwelingen die de politicus professioneel ondersteunt. Die steun is nodig. Schaefer is een man die zijn agenda het liefst leeg houdt en daarvoor een team nodig heeft. Op het stadhuis is assistent Frans van de Ven zijn rechterhand. Deze ambtenaar haalt de kastanjes in kraakdossiers uit het vuur door namens de wethouder met de krakers in gesprek te gaan. Zelf heeft Schaefer weinig op met krakers. Hij vindt kraken eigenlijk een vorm van stelen. Maar rond 1980 realiseert hij zich dat kraken niet alleen opgelost kan worden met ontruimingen.

Onder invloed van Van de Ven en Van der Laan kiest hij steeds vaker voor het pacificeren van kraaksituaties door bezette panden op te kopen. Nadat krakers een pand hebben bezet gaan Schaefers mensen voorzichtig een dialoog met ze aan. Wanneer dit iets uithaalt, worden er onderhandelingen gevoerd die soms maanden kunnen duren. Dit leidt er uiteindelijk toe dat het kraakpand van de rechtmatige eigenaar, meestal een speculant, wordt gekocht. Vervolgens is de dienst Herhuisvesting van d66-wethouder Gerrit Jan Wolffensperger aan zet om het gekochte pand te herverdelen in distributiewoningen voor gezinnen of hat-eenheden – huizen voor alleenstaanden en tweeverdieners.

In opdracht van Schaefer ontwikkelt jurist Van der Laan een nieuw woonconcept: de Schaefer-contracten. Jonge mensen zonder huis kunnen zich daarvoor aanmelden en krijgen dan een tijdelijke woning in Oost of de Indische Buurt. Door de overloop naar nieuwbouwsteden Almere en Lelystad hebben deze volkswijken last van leegstand en dankzij de jongeren met een Schaefer-contract kan kraken worden tegengegaan. Dit contractensysteem zou de voorloper zijn van het latere antikraaksysteem, dat inhield dat mensen tijdelijk in lege gebouwen konden wonen om krakers de wind uit de zeilen te nemen.

‘Ken je krakers met wie het zinvol zou zijn om te praten? We kunnen voorkomen dat het geweld in de stad escaleert’

Schaefer-contracten of niet, in zijn vrije tijd loopt Van der Laan zelf rond in de kraakwereld. Zijn vriendin Luit Tabak heeft veel contacten in de scene en samen komen ze soms op feestjes van krakers. Hun eigen woonsituatie noemen ze gekscherend ‘kraken met een huurcontract’. De krakers kunnen op de sympathie van de pvda’er rekenen, maar hij blijft vinden dat kraken niet per se wenselijk is. Dat komt mede doordat het anarchistische deel van de krakers zich blijft verzetten tegen het sluiten van akkoorden met de gemeente. Ontruimen blijkt vaak het laatste redmiddel om de vrede in de stad te herstellen.

De harde kern onder de krakers, zoals die uit de Staatsliedenbuurt, noemt jonge pvda’ers zoals Van der Laan ‘onderknuppels’. Als zij praten met de gemeente willen ze rechtstreeks met wethouders en raadsleden onderhandelen. Niettemin kan Van der Laan soms het verschil maken. Dat doet hij met onder anderen de jonge journalist Jos Verlaan. Deze van oorsprong Limburgse filosofie- en journalistiekstudent woont in een kraakpand in de Vondelbuurt. Verlaan loopt onder meer stage bij dagblad De Waarheid, waar hij op een werkervaringsplaats de Amsterdam-pagina’s verzorgt. Hij richt zich vooral op kraaknieuws en politieke verhalen.

In het wereldje van politiek, journalistiek en kraken heeft hij Van der Laan ontdekt. Hij interviewt de pvda’er bij hem thuis over zijn visie op geweld in de stad. De twee trekken daarna wel eens met elkaar op, praten dan over politiek en journalistiek, maar weten gevoelige zaken gescheiden te houden.

Op een dag in 1981 gaat bij Verlaan de telefoon. Het is Eberhard, die hem iets wil vragen. ‘Ik bel je ergens over dat geheim moet blijven. Ken je krakers met wie het zinvol zou zijn om te praten? We kunnen voorkomen dat het geweld in de stad enorm escaleert.’ In opdracht van het gemeentebestuur is Van der Laan op pad gestuurd om een geheime praatgroep te creëren. Daarin moeten burgemeester Polak en verschillende krakers zitting nemen, zo heeft de pvda-fractie achter de schermen besloten. De fractie wil dat de burgervader meer inzicht krijgt in wat de jonge activisten beweegt. Verlaan gaat aan de slag en trommelt zes betrouwbare krakers op, met wie in het geheim wordt afgesproken in het huis van Van der Laan aan de Leidsekade.

In het eerste gesprek heeft Wim Polak zichtbaar moeite met de anarchistisch ingestelde jongelui, die gekleed in leggings en leren jacks en met hanenkammen in de huiskamer zitten. In de voorstelronde noemen ze alleen hun voornaam, om te voorkomen dat ze vervolgd worden. ‘Weet je wat, noem mij dan maar Wim’, zegt de burgemeester tijdens het rondje. Vervolgens spreken ze over de redelijkheid van ontruiming en over de vraag of politie-inzet ook de-escalerend kan zijn.

De avond verloopt niet best, onder meer omdat duidelijk is dat Polak het als ‘een moetje’ ziet. De groep gaat niettemin vriendelijk uiteen en in de daaropvolgende tijd komen Polak en de jonge mensen nog drie keer samen. De krakers vertellen over hun kant van de zaak en de burgemeester luistert. Het project, dat constructief lijkt te verlopen, krijgt na drie bijeenkomsten een onaangename wending: een van de krakers vertelt Verlaan dat ze zijn bedreigd door de harde kern, die lucht heeft gekregen van het geheime overleg. Hij belt Van der Laan en vertelt wat er aan de hand is. Samen besluiten ze dat het beter is als de ontmoetingen niet meer plaatsvinden.

Wel blijft er contact bestaan tussen Van der Laan en Polak. De burgemeester vraagt zijn jonge partijgenoot om mee te denken over de kraakproblematiek en maakt aantekeningen tijdens de gesprekken. In de twee schrijfsels van Polak over Van der Laan die nog te vinden zijn, staat het volgende: ‘Algemene strategie: er wordt ontruimd ten behoeve van de knokploeg – Zoeken naar mogelijkheden om de redelijken iets te laten verdienen – Politiekern maken van ontruimingen – Of conflicten issues worden is buiten bereik van de burgemeester – Spiegelstraat, Houtman, driemanschap Schaefer, WP, Wim Polak – Op de lange baan overleg met krakers – Premie op overleg zetten (zonder afkopen) – Middelen om iets symbolisch te laten maken of juist niet – Buurtcentra informeren [draagvlak] over eisen die je gehoord hebt die reëel waren (bijvoorbeeld malafide eigenaren) – Generaal Pardon (is schonelei-gedachte – en daarna wel hard).’

Deze aantekeningen van Polak zijn zeer cryptisch en moeilijk te herleiden. Feit is dat Van der Laan destijds met zijn voorganger mogelijk entre nous over veiligheidszaken en kraakproblemen heeft gesproken.

Ondertussen blijft de goede band tussen leerling Van der Laan en leermeester Schaefer bestaan. Als wethoudersassistent Van de Ven tegen de zomer van 1982 besluit om er een poosje tussenuit te gaan om zijn proefschrift af te maken, wordt Van der Laan gepolst of hij diens post tijdelijk wil overnemen. De twintiger grijpt deze buitenkans meteen aan. Hij parkeert zijn studie aan de Vrije Universiteit en gaat voortaan dagelijks naar het stadhuis om Schaefer te dienen. Al op zijn eerste werkdag roept de politicus de nieuwe assistent bij zich, vijf minuten voor een moeilijke vergadering. Hij moet weg en vraagt zijn jonge partijgenoot voor hem in te vallen en het besluit te nemen om vijfhonderd verkrotte woningen te laten slopen.

‘Doe het’, zegt Schaefer, waarna Van der Laan de vergaderkamer in loopt en het besluit in zijn plaats neemt.

Er is meer te doen voor Van der Laan, vooral schrijven wordt een belangrijke taak. Zijn baas is namelijk licht dyslectisch en dicteert zijn stukken graag aan zijn assistent. Ook moeten dikke nota’s worden samengevat tot één A4’tje. Naast het vele schrijfwerk zijn er vergaderingen met onder meer de wethouders en hun assistenten. Op Schaefers kantoorkamer praten de twee veel met elkaar. ‘Je moet dit vak leren. Als jij later daar zit moet je het goed doen’, zegt de leermeester tegen zijn gezel, terwijl hij naar zijn eigen bureaustoel wijst. Het vertrouwen dat hij uitstraalt, stimuleert Van der Laan om nog beter zijn best te doen. Op een gegeven moment heeft zijn baas genoeg geloof in hem en mag hij vaker als zijn plaatsvervanger aanschuiven bij de vergaderingen.

Dat moet ook wel, want Schaefer heeft suikerziekte waardoor hij niet de hele dag op topniveau kan functioneren. Tijdens vergaderingen gaat hij staan zodat het bloed beter doorstroomt en soms ligt hij zelfs op de grond of op een bankje. De komst van Van der Laan in de vergaderingen brengt iets teweeg: een aantal wethouders en assistenten heeft het gevoel met een nieuwe wethouder te maken te hebben, onder meer omdat de vervanger van Schaefer overal serieus bovenop blijkt te zitten. Hij heeft veel kennis en is niet bang om mee te discussiëren met de wethouders. Dit wekt zowel wrevel als bewondering op.

‘Begin de stadsvernieuwing op de hoek van de straat. Dan zien de mensen in twee straten dat de vernieuwing op gang komt’

Behalve om zijn vermogen anderen verantwoordelijkheid te geven staat Schaefer bekend om zijn emotionele gedrag. Hij heeft een ochtendhumeur en jarenlang krijgt assistent Van de Ven elke morgen een veeg uit de pan. Tegen andere ambtenaren kan hij ook bikkelhard zijn: wie niet op zijn niveau meedraait krijgt er verbaal van langs. In collegevergaderingen is Schaefer dominant aanwezig en vult hij figuurlijk een groot deel van de ruimte. Aan het einde van de middag is hij meestal niet te genieten omdat hij dan last heeft van zijn suikerspiegel. Door zijn mentale gebruiksaanwijzing hebben ambtenaren en collega’s soms moeite om met hem om te gaan. Ze zijn onder de indruk van zijn straatvechtersmentaliteit en laten zich geregeld intimideren.

Wethoudersassistent Van der Laan laat zich niet wegbluffen. Hij durft zijn baas tegen te spreken en geeft tegengas bij het ochtendhumeur. Schaefer vindt dat wel leuk, zo blijkt, want er zijn weinig mensen die hem durven te tarten. Vol overgave laat hij aan zijn jonge assistent zien ‘hoe politiek maken moet’. Zo vertelt hij dat je eerst draagvlak moet creëren onder de bevolking voordat je beleid uitvoert. Samenwerken met bewoners is zijn devies. ‘Wil je tien problemen tegelijk oplossen, dan heb je er elf. Begin gewoon bij de eerste twee, los die op, en schep zo draagvlak om probleem drie en vier aan te pakken.’

Van der Laan knoopt het in zijn oren en ziet dat de aanpak van de wethouder werkt. Dat komt onder meer door de heldere communicatie van Schaefer. Als voormalig banketbakker heeft hij geleerd hoe hij zijn taartjes in de etalage moest zetten. ‘Begin de stadsvernieuwing op de hoek van de straat. Dan zien de mensen in twee straten dat de vernieuwing op gang komt’, zegt hij tegen Van der Laan. Die krijgt vertrouwen in ‘de kracht van de samenleving en de voortrekkersrol die de overheid soms kan hebben’.

Namens Schaefer gaat hij ook de stad in. Op de Oostelijke Eilanden, een volkswijk, speelt in 1982 een discussie over saneren of renoveren. Van der Laan komt op inspraakbijeenkomsten in wijkcentrum Kattenburg, waar hij in debat gaat met boze bewoners. Buurtactiviste Marie Altelaar beklaagt zich na afloop: ‘We hebben er een tweede Jan Schaefer bij.’ Door anderen wordt hij ook wel ‘het kind van Schaefer’ genoemd.

Als wethoudersassistent krijgt Van der Laan uiteraard ook te maken met de kraakproblematiek. In 1982 zijn de grote spanningen nog niet voorbij. In het najaar is in het Museumkwartier een impasse ontstaan rond het gekraakte pand Lucky Luyk. Een klein jaar daarvoor hebben krakers de stadsvilla in de Jan Luykenstraat gekraakt. De eigenaar, de niet onomstreden vastgoedmagnaat Bertus Lüske, zon op wraak en stuurde er zelf een knokploeg op af om het pand te ontruimen.

Na de ontruiming door de mensen van Lüske slaagden krakers uit de Staatsliedenbuurt erin het gebouw opnieuw te kraken, waarna er een gerechtelijke procedure volgde met een hoger beroep. Nadat het Gerechtshof in juli 1982 burgemeester Polak bevolen heeft om de Lucky Luyk te ontruimen, komt er een onderhandelingsproces met de krakers op gang. De gesprekken worden gevoerd door Schaefer en de jonge wethouder Walter Etty (pvda) van Financiën. Zij staan onder meer in contact met Van der Laan, die namens zijn pvda-werkgroep Volkshuisvesting adviseert om het pand voor drieënhalve ton te kopen en er distributiewoningen van te maken. De wethouders nemen het advies over en krijgen de krakers van de Lucky Luyk mee, ware het niet dat hun pand een dag later wordt ingenomen door fanatiekere krakers uit de Staatsliedenbuurt. Zij willen geen distributiewoningen – oftewel gewone huurhuizen – en eisen hat-eenheden in de Lucky Luyck. Zijzelf moeten voorrang krijgen bij de toewijzing van de jongerenwoningen. De partijen komen er op het laatste moment niet meer uit en de gemeente gaat op 11 oktober over tot ontruiming van het pand.

Polak kiest deze keer voor een nieuwe methode: hij kondigt de noodtoestand af in de hele stad zodat er effectief kan worden opgetreden. Voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog is het in Amsterdam verboden ‘zich zodanig te gedragen dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zulks geschiedt om de openbare orde te verstoren of te bedreigen’. De politie mag iedereen aanhouden die zich bij het kraakpand ophoudt. Mensen worden opgepakt, ook niet-krakers, en de Lucky Luyk wordt door de ME ontruimd. Dit verloopt niet zachtzinnig: krakers van de harde kern uit de Staatsliedenbuurt vechten vanuit de Lucky Luyk terug met onder meer rook- en verfbommen, molotovcocktails en andere brandende voorwerpen. Niet veel later gaat een tramstel op het kruispunt Van Baerlestraat-Paulus Potterstraat in vlammen op.

Toch krijgt de politie de situatie onder controle en worden alle krakers weggehaald. Simultaan laat Polak twee andere kraakpanden ontruimen: de Paula Pot in de Paulus Potterstraat en de Binnenspiegel in de Nieuwe Spiegelstraat. Na drie dagen wordt de noodtoestand opgeheven en keert de rust terug. De ravage in het Museumkwartier is enorm en het grote publiek heeft genoeg van de krakers. Met name de brandende tram doet bij de gewone mensen de deur dicht. In de jaren daarna zullen de autoriteiten de publieke opinie aan hun kant hebben.

Vlak na de ontruiming van de Lucky Luyk rijden twee mannen ’s nachts in een busje naar het Museumkwartier. Ze zijn op zoek naar een kabelhuisje van Kabel Televisie Amsterdam (kta) voor hun piratenzender tv Einstein, waarop onder andere porno en andere illegale zaken te zien zijn. Al snel breken ze een kta-kastje open, dat vlak voor de voormalige Lucky Luyk staat. Zo willen ze de kabel aftappen voor hun station. Krakers in een naburig kraakpand zien het gebeuren en raken in paniek. Ze denken dat het stille agenten zijn die het kastje willen gebruiken om hen af te luisteren. Een groepje krakers stampt naar buiten, duwt het busje van tv Einstein omver en jaagt de sleutelaars weg. Drie uur later bellen die naar het kraakpand. Ze zeggen langs te komen met een knokploeg die het pand met wapens zal ontruimen.

Uit voorzorg bellen de krakers met Jos Verlaan. Ze willen dat hij zijn contacten met Van der Laan aanwendt om politiebescherming te regelen, waarna de journalist ophangt en meteen met zijn politieke vriend belt. Ze concluderen dat alleen de wethouder die weekenddienst heeft, Michael van der Vlis (pvda), hiertoe kan besluiten. Van der Laan belt met de politicus, die Verlaan wel thuis wil ontvangen. Aangekomen bij diens woning in de Pijp treft Verlaan een ravage aan. Nog op dezelfde avond is de gevel door een groep andere krakers besmeurd met verfbommen. De ruiten zijn aan diggelen en binnen zijn de boekenkasten besmeurd.

‘Dit is wat jouw kompanen hebben geflikt en nu moet ik ze politiebescherming geven?’ zegt Van der Vlis tegen Verlaan. Toch weet de journalist de wethouder zo ver te krijgen dat de buren van de voormalige Lucky Luyk bescherming van de politie krijgen. Zodra er een politiebusje in de straat verschijnt, zijn ze veilig. De knokploeg taait af en Verlaan dankt Van der Laan namens de krakers voor zijn inzet.


Dit is een voorpublicatie uit Van der Laan: Biografie van een burgemeester door Kemal Rijken (Ambo/Anthos, 429 blz., € 21,99)

Beeld: De 24-jarige Eberhard van der Laan na een vergadering over woonproblematiek in de Admiralenbuurt, 1979. Na a oop van vergaderingen werd er steevast geborreld. Als student stond Van der Laan bekend om zijn leren jack (Bert Bastiaans ); (2) Amsterdam, maart 1980, krakersrellen in de Vondelstraat (Wubbo de Jong / Mai)