Kind van zijn klasse

Alexis de Tocqueville, Herinneringen. Vertaald door Ineke Mertens, € 29,90

In zijn Herinneringen biedt Tocqueville een scherpe analyse van de verdiensten en tekortkomingen van de Franse burgerij rond 1848. En middels een superieure ironie legt hij algemeen menselijke trekjes bloot.

Was het in de jaren zestig en zeventig bon ton om, zodra je over politiek schreef, Karl Marx te citeren, sindsdien lijkt het voor serieuze scribenten bijna verplicht om geregeld naar Alexis de Tocqueville te verwijzen. Vooral in de Engelstalige wereld heeft dit zulke vormen aangenomen dat sommige auteurs hem slechts aanduiden als ‘he who must be quoted’. Tijdens de liberale euforie die uitbrak na de val van de Berlijnse Muur werd hij gezien als een van de belangrijkste liberale denkers aller tijden, terwijl iemand als Frank Ankersmit hem betitelt als 'de meest loepzuivere conservatief’ die men zich denken kan. Deze twee beoordelingen hoeven elkaar echter niet te bijten, aangezien de aristocraat Tocqueville besefte dat het ancien régime voorgoed voorbij was en de toekomst aan de democratie behoorde. Volgens Ankersmit zijn 'echte’ conservatieven - in tegenstelling tot reactionairen die terug willen naar het verleden en daarvoor soms zelfs revolutionaire middelen willen aanwenden - 'mensen wier hart bij het oude ligt, maar die zich toch intellectueel met het heden (en de voorzienbare) toekomst kunnen verzoenen’.
Tocqueville dankte zijn roem vooral aan zijn tweedelige De la Démocratie en Amérique (1835-1840), dat door politiek filosoof Harvey Mansfield, die in 2000 een nieuwe Engelse vertaling publiceerde, wordt gekenschetst als 'tegelijkertijd het beste boek dat ooit over democratie is geschreven, en het beste boek dat ooit over Amerika is geschreven’. Hoewel weinigen zullen ontkennen dat Tocqueville’s meesterwerk een belangrijk boek is, is er vaak op gewezen dat dit boek eigenlijk helemaal niet over Amerika gaat, en evenmin over de democratie in de betekenis die wij daar tegenwoordig aan hechten. Wat het eerste betreft schreef Tocqueville aan de vriend met wie hij in 1831-1832 bijna een jaar door Amerika was getrokken: 'Ik heb geen enkele bladzijde geschreven zonder aan Frankrijk te denken.’ En als hij het over 'de democratie’ had, doelde hij meestal op een samenleving waarin volkomen gelijkheid was gerealiseerd. Voor Tocqueville, opgegroeid in het Frankrijk dat nog altijd leed onder de trauma’s van de revolutie van 1789, was het grootste probleem waarmee de samenleving geconfronteerd werd de verhouding tussen gelijkheid en vrijheid. In het revolutionaire Frankrijk was het eerste ten koste gegaan van het tweede, maar tijdens zijn verblijf in Amerika kwam Tocqueville tot de conclusie dat men er in de Verenigde Staten, een land dat niet zuchtte onder de last van het verleden, wel in was geslaagd deze twee idealen met elkaar te verzoenen. De spanning tussen individu en gemeenschap was hier opgelost en had geresulteerd in een bloeiende civil society, een rijk geschakeerd 'maatschappelijk middenveld’, waarbij de individualistische, ondernemende Amerikaan zich organiseerde in een onafzienbare reeks clubs en verenigingen.
Omdat Tocqueville het door hem bezochte land door een typisch Franse bril bekeek en het cijfermateriaal dat hij gebruikte nogal summier was, beschrijft De la Démocratie en Amérique niet zozeer de werkelijke Verenigde Staten als wel de gedroomde versie. Dit verklaart tevens de populariteit die het boek in de VS geniet, en dan vooral bij conservatieve intellectuelen, die nostalgisch terugverlangen naar het land dat het rond 1830 had moeten zijn. Wie het boek echter afdoet als louter een geïdealiseerd loflied op de traditionele Amerikaanse samenleving miskent het feit dat Tocqueville tegenwoordig wordt gezien als een van de grondleggers van de sociologie, en dat hij ondanks zijn vooringenomenheid vaak een bijzonder scherp onderscheid maakte tussen ideologie en empirie. Gecombineerd met Tocqueville’s stilistische brille heeft deze sociologische blik ervoor gezorgd dat De la Démocratie en Amérique tegenwoordig geldt als een klassiek werk.
Ook zijn tweede hoofdwerk, L'Ancien Régime et la Révolution (1856), geniet de status van klassieker, vooral sinds de marxistische interpretatie van de Franse Revolutie als een klassenstrijd in diskrediet is geraakt. Met name Tocqueville’s constatering dat de modernisering van de Franse samenleving reeds geruime tijd vóór 1789 was begonnen, en dat de Revolutie niet uitbrak omdat de levensomstandigheden zo beroerd waren maar omdat door de gestage vooruitgang de verwachtingen steeds hoger gespannen werden, is baanbrekend geweest.
Dat het fenomeen revolutie, en de vraag hoe een dergelijke gewelddadige omwenteling voorkomen kon worden, het centrale thema in het werk van Tocqueville vormt, is allesbehalve merkwaardig. Hij, in 1805 geboren uit een oud adellijk Normandisch geslacht waarvan een van de voorvaderen in 1066 gevochten had in de slag bij Hastings, groeide op met gruwelverhalen over de Jacobijnse terreur. Zijn ouders waren ternauwernood aan de guillotine ontkomen, terwijl zijn overgrootvader van moederskant als advocaat van Lodewijk XVI wel was onthoofd. Tocqueville’s vader was een fervent aanhanger van de Bourbons en maakte tijdens de Restauratie die volgde op de nederlaag van Napoleon carrière. Na zijn rechtenstudie aanvaardde Alexis een benoeming als toegevoegd rechter in Versailles, zodat hij in dienst trad van het autocratische regime van Karel X. Nadat deze door de julirevolutie van 1830 ten val was gebracht legde de jonge Tocqueville, in tegenstelling tot zijn familieleden en de overgrote meerderheid van de adel, de eed van trouw op 'burger-koning’ Louis-Philippe af. Niet omdat hij gegrepen was door het revolutionaire vuur, maar omdat hij inzag dat de absolutistische monarchie zijn tijd gehad had. Een jaar later gaf het nieuwe bewind Tocqueville en zijn vriend Gustave de Beaumont de opdracht het gevangenissysteem in de Verenigde Staten te bestuderen. Nadat de twee in 1833 Du Système pénitentiaire aux Etats-Unis et de son application en France hadden gepubliceerd, stortte Beaumont zich op het schrijven van een roman terwijl Tocqueville zijn reisindrukken verwerkte in het eerste deel van zijn boek over Amerika. In 1839 werd hij in de Kamer van Afgevaardigden gekozen, waar hij tot 'centrum-links’ werd gerekend en tweemaal herkozen werd. Veel indruk maakte hij als Kamerlid niet, aangezien Tocqueville als spreker aanzienlijk minder getalenteerd was dan als schrijver.
Bovendien was hij een allesbehalve enthousiast aanhanger van de constitutionele 'julimonarchie’ van Louis-Philippe. Met de revolutie van 1830 waren de laatste restanten van het ancien régime definitief vernietigd en was alle economische, politieke en maatschappelijke macht in handen gekomen van de middenklasse. De arbeidende klasse was juridisch buitengesloten, terwijl de rancuneuze adel in innere Emigration ging. 'Zo gaf [de middenklasse] niet alleen als enige sturing aan de maatschappij, maar kan ook gezegd worden dat zij deze in pacht nam. Zij nestelde zich in alle ambten, schiep er kwistig een groot aantal bij en gewende zich eraan bijna evenzeer van de staatskas te leven als van haar eigen nijverheid.’ Zodra de burgerij dit bereikt had, doofde het revolutionaire vuur van 1830 en werd de 'bijzondere geest van de middenklasse tot algemene geest van de regering’. En die burgerlijke geest was 'een actieve geest, vlijtig, niet altijd eerlijk, over het algemeen ordelievend, nu en dan driest uit ijdelheid en egoïsme, maar bangelijk van karakter, gematigd in alles behalve in de zucht naar welstand, en middelmatig; een geest die in combinatie met de geest van het volk of de aristocratie wonderen kan verrichten, maar op zichzelf nooit meer kan voortbrengen dan een regering zonder deugd en zonder grootsheid’.
Deze citaten zijn afkomstig uit de onlangs vertaalde Herinneringen, die Tocqueville in 1850-1851 schreef en waarin hij terugblikte op de jaren die daar onmiddellijk aan vooraf waren gegaan. De zelfgenoegzaamheid en het egoïsme van de burgerij moesten volgens Tocqueville wel tot een conflict leiden, waarbij het door haar zo bewierookte eigendomsrecht ter discussie gesteld zou worden. In oktober 1847, ruim een maand voordat Marx en Engels opdracht kregen Het communistisch manifest te schrijven, schreef Tocqueville dat 'binnenkort de politieke strijd gevoerd [zal] worden tussen de bezitters en de niet-bezitters’. Eind januari 1848 wees hij in de Kamer van Afgevaardigden op de toegenomen maatschappelijke spanningen, die aan de oppervlakte niet zichtbaar leken maar onderaards in kracht toenamen: 'Ik denk dat wij ons op dit moment in slaap sussen op een vulkaan.’ Nog geen vier weken later, op 24 februari, brak de revolutie uit, zag koning Louis-Philippe zich gedwongen af te treden en leek in tal van Europese landen de maatschappelijke orde te wankelen.
Tocqueville’s Herinneringen vormen niet alleen een uiterst levendig ooggetuigenverslag van de jaren 1848-1849, geschreven door iemand die hierin een zekere rol heeft gespeeld, maar illustreren tevens hoe Tocqueville’s sociologische blik en literaire talent een tekst konden opleveren die ver uitstijgt boven de doorsnee memoires van iemand die ingrijpende gebeurtenissen heeft meegemaakt. Naast zijn scherpe analyse van de verdiensten en tekortkomingen van de Franse burgerij gaf Tocqueville ook bijzonder rake, genuanceerde en tegelijkertijd illusieloze karakteriseringen van belangrijke hoofdrolspelers, waarbij hij vaak middels een superieure ironie algemeen menselijke trekjes blootlegde. Zo schreef hij over de literator en politicus Lamartine, die een belangrijke rol had gespeeld bij het uitbreken van de revolutie: 'Ik geloof dat Lamartine danig met de situatie verlegen begon te raken, want bij een oproer is al net als bij een roman het bedenken van het slot het lastigste karwei.’ Hoewel Tocqueville als parlementariër een rol speelde bij het tot stand komen van een nieuwe regering, had hij geen rechtstreeks contact met Lamartine maar bleef hij op de hoogte van diens plannen en ideeën via diens secretaris, Victor de Champeaux, aangezien hij van mening was dat hij hierdoor meer te weten kwam dan wanneer hij zijn collega zelf had gesproken: 'De geest van Lamartine scheen door de domheid van Champeaux heen zoals de zon door een beroet stuk glas, zodat je hem ziet zonder de schitteringen, maar scherper dan met het blote oog.’
En over Lodewijk Napoleon, die eind 1848 tot president werd gekozen en zichzelf drie jaar later tot keizer Napoleon III proclameerde, meldde Tocqueville: 'Zijn vermogen tot veinzen - diepgaand, zoals te verwachten was bij een man die al zijn hele leven door complotten werd omringd - werd sterk ondersteund door de onbeweeglijkheid van zijn gelaatstrekken en zijn nietszeggende blik, want zijn ogen waren dof en ondoorzichtig, zoals de dikke glazen patrijspoorten in scheepskajuiten die wel licht doorlaten, maar waardoor niets te zien is.’ Op vrijwel elke bladzijde treft men dergelijke terzijdes aan, waardoor de lezer de indruk krijgt geen verslag te lezen van politieke ontwikkelingen die zich ruim anderhalve eeuw geleden voordeden en dus ons nauwelijks meer kunnen interesseren, maar geconfronteerd te worden met mensen en situaties die je ook nu kunt tegenkomen.
Opvallend is dat Tocqueville zelden uitsluitend negatief over mensen oordeelde, maar ook zwakke broeders tenminste enkele kwaliteiten toedichtte. Tegelijkertijd is hij ook over zichzelf heel kritisch, en probeerde hij te analyseren waarom sommigen hem arrogant of onbetrouwbaar vonden. Wat dit betreft is het bijna een opluchting te constateren dat ook Tocqueville een kind van zijn tijd en klasse was, en dat er grenzen waren aan zijn welwillendheid en objectiviteit. Toen hij namelijk schreef over de in onvoorstelbare armoede levende arbeidersklasse van Parijs, die in juni 1848 in opstand kwam toen maatregelen om de werkloosheid te bestrijden werden teruggedraaid, was hij in alle opzichten een edelman die met weemoed terugdacht aan de tijd waarin het 'gemene volk’ nog zijn plaats kende, onderdanig de pet of muts afnam voor een 'heer’ en blij was met de kruimels die van de welvoorziene tafels der elite vielen. Het 'grauw’ verweet hij 'naïeve hebzucht’ en over de portier van zijn huis schreef hij dat deze 'een dronkelap en een nietsnut [was], die alle tijd die hij niet nodig had om zijn vrouw te slaan, in de kroeg doorbracht. Men zou kunnen zeggen dat de man socialist van geboorte of eigenlijk van karakter was.’
Vandaar dat Tocqueville bijzonder tevreden was toen de junirevolutie van 1848 met grof geweld werd onderdrukt, waarbij duizenden doden vielen. Tocqueville vond de socialistische ideeën gevaarlijk, omdat ze blijk gaven van een in zijn ogen heilloze experimenteerdrift, waar hij als conservatief uiteraard niets van moest hebben. Zelfs een liberaal Kamerlid wekte al zijn afgrijzen op, omdat deze handenwrijvend speculeerde over wat het nieuwe algemeen kiesrecht zou brengen. 'Hij sprak alsof het om een scheikunde proef ging.’
Gezien de vele heilloze revoluties die na 1848 de wereld geplaagd hebben valt er voor de conservatieve huiver van Alexis de Tocqueville dus wel iets te zeggen, maar dat maakt zijn onbegrip voor het onrecht dat de lagere sociale klassen in zijn dagen werd aangedaan niet minder stuitend.

ALEXIS DE
TOCQUEVILLE
HERINNERINGEN
Vertaald en bezorgd door Ineke Mertens
Voltaire, 320 blz., € 29,90