Kinderboek

Er zijn kinderboeken die niet alleen mooi, grappig of spannend willen zijn, maar ook nog de bedoeling hebben om een beetje te helpen met leven. Dat is heel wat voor een kat, vind je niet? van Judith Viorst bijvoor beeld is geschreven om kinderen enigszins te verzoenen met de dood van een huisdier, en Tony Ross’ Waar is mijn potje? maakt dat je de zindelijkheidstraining ook eens met vrolijke ogen bekijkt.

In deze categorie hoort Vijfde zijn van Ernst Jandl en Norman Junge. In een sombere ruimte zitten vijf speelgoedbeesten op een rij. Pinguïn mist vleugels en houten eend een wiel. Beer draagt een ooglap en een poot in het verband, het blikken springkikkertje heeft een enorme pleister op zijn rug en van de Pinocchiopop valt het puntje van de neus er bijna af. Zorgelijk houdt het gezelschap de deur, waar een streep licht onderdoor valt, in de gaten. Steeds sjokt er een met zichtbare tegenzin naar binnen, om opgewekt weer naar bui ten te komen. Met de Pinocchiopop als langste wachter mogen we eindelijk mee door de deur om de allervriendelijkste poppendokter te aanschouwen. De nieuwe rode neuzen liggen goed zichtbaar klaar. De tekst is verwaarloosbaar: ‘Deur open/ een eruit/ een erin/ deur dicht/ nu nog vier (drie, twee), nu nog een/ dan ben ik.’ In combinatie echter met de fraaie, sober getekende prenten wordt het drukkende wachtkamergevoel heel mooi opgeroepen. Alle aandacht gaat naar het zielige vijftal en naar de mysterieuze deur. Zelfs de lamp aan het plafond doet mee, door iedere pati ënt naar binnen en naar buiten te zwaaien. Edward van de Vendel maakt met de titel Jaap deelt klappen uit direct duidelijk dat hier agressie het onderwerp is. Jaap worstelt met de onbehouwen nieuwe vriend van moeder. Oom Victor weet weinig van kleine jongens en zegt de verkeer de dingen op het verkeerde moment. Al leen op zijn kamer koelt Jaap zijn woede op het meubilair. Hij mept de tafel, stompt het kussen en knijpt poppekoppen aan gru zels. Het levert hem een prettig soort pijn op, 'bewijspijn’. Tot de kamer uitlegt dat Jaap aan het verkeerde adres is, dat meu bels eigenlijk liever geaaid en geknuffeld willen worden. En wanneer oom Victor weer eens met zijn lompe voeten op de jongensziel gaat staan, plaatst Jaap zijn vuist linea recta in het grote plaaggezicht… Of pedagogen blij zullen zijn met deze oplossing lijkt me de vraag, maar binnen de verhaalwerkelijkheid betekent hij gerech tigheid. Van de Vendel geeft in weinig woorden een helder beeld van een hyper actief soort kind. In het vindingrijke taalge bruik verraadt zich de dichter, precies als in zijn bewerking van de Gijsbrecht. Onmisbaar is het aandeel van Jan Jutte die de razernij van zijn tekeningen af laat spatten. Ze hebben een stripachtig voorkomen, met van die sterren waar 'Whamm!’ in staat geschreven. Jaap draagt een helmpje met een soort duivelshoorns. Hij is in hard zwart neergezet, terwijl de weerloze tegenspelers zachte grijze potloodlijnen hebben. De klerenkast trekt een angstig gezicht en het lieve bolle kussenhoofd maakt het overduidelijk: dat ze er zo van langs krijgen is volstrekt onterecht.