Kinderboeken als sleutelgat

P.J. Buijnsters en Leontine Buijnsters-Smets, Bibliografie van Nederlandse school- en kinderboeken 1700-1800. Uitg. Waanders, 314 blz., 3125,-
WIE HISTORISCH geïnteresseerd is, zou het kinderboek als mogelijke bron van informatie moeten koesteren. Illustraties, boekband en druktechniek weerspiegelen de ontwikkelingen binnen de beeldende kunst. Uit de inhoud valt iets af te leiden over school, vrije tijd, relaties en omgangsvormen. De toon en de benadering van de jonge lezer verhelderen de pedagogische en sociale stromingen van een tijd. Van Nicolaas Anslijn moesten kinderen in 1818 brave Hendriken worden, terwijl schrijvers ze zo'n anderhalve eeuw later juist het liefst als mondige wereldburgers zagen.

Ondanks de rijkdom aan mogelijkheden is het kinderboek als onderwerp voor serieuze studie, zeker in Nederland, een tamelijk nieuw verschijnsel. De afstand tussen de wetenschap als het summum van volwassenheid en zoiets specifiek kinderlijks als de jeugdlectuur is blijkbaar moeizaam te overbruggen. Het zijn de particuliere verzamelaars geweest die het pad baanden. De collecties van Henri Tak, F.G. Waller, Boekenoogen en Ottema-Kingma vonden een plaats in wetenschappelijke bibliotheken.
Lange tijd bleek het gewicht van het oude kinderboek niet groot genoeg. Tot enkele jaren geleden een begin werd gemaakt met een gecomputeriseerde centrale registratie ontbrak het in openbare collecties vaak aan de wil en de middelen om het materiaal toegankelijk te maken, waardoor mogelijk geïnteresseerden weer belemmerd werden in hun onderzoek. Voor de belangrijkste naoorlogse verzamelaar mr. C.F. van Veen was dat een reden te stipuleren dat zijn bezit van zesduizend banden niet in de magazijnen van een officiële bibliotheek zou verdwijnen, zoals hij een vergadering van bibliothecarissen liet weten: ‘Ik heb verordonneerd dat mijn verzameling, als ik de pijp uit ga, naar de veiling gaat en in duizend windstreken verstrooid raakt.’ En aldus geschiedde via verschillende veilingen in 1984: opwinding voor het internationale verzamelaarscircuit en treurnis voor de vaderlandse jeugdliteraire geschiedschrijving. Het uitzonderlijke van deze collectie lag namelijk vooral in de doorsnee kinderboekjes, die praktisch onvindbaar zijn geworden omdat ze zijn stukgelezen, verknipt of door opruimerige moeders bij het vuilnis gezet.
Gelukkig liet Van Veen wel een erfenis van inspiratie na. Voor de hoogleraar Nederlandse letterkunde P.J. Buijnsters gaf hij de aanzet tot diepgaand bibliografisch onderzoek. Buijnsters kent de achttiende eeuw als ware het zijn eigen eeuw. Op zijn naam staan publikaties over Betje Wolff en Aagje Deken, over Justus van Effen en Hiëronymus van Alphen èn hij bezit een mooie collectie kinderboeken uit de betreffende periode. Het samengaan van wetenschappelijke afstand en precisie met de passie van de verzamelaar maakt hem tot de ideale pleitbezorger voor zijn onderwerp: het kinderboek in de achttiende eeuw.
In een interview zei hij er ooit over: 'De mentaliteit en de veranderingen in mentaliteit vind je nadrukkelijker geregistreerd in de jeugdliteratuur dan in romans. Je ziet gedragspatronen en daar wordt weer met kinderen over gepraat. Je houdt je bezig met teksten die in dubbel opzicht niet voor jou bedoeld zijn, omdat je geen tijdgenoot bent en geen leeftijdgenoot. Je kijkt door het sleutelgat als ongenode gast.’
Tegen het eind van de achttiende eeuw publiceerde Hiëronymus van Alphen zijn Proeve Van Kleine Gedigten Voor Kinderen (1778), zesenzestig versjes, gemaakt voor zijn zoontjes van drie, vier en vijf jaar. In het voorwoord meldt de aanvankelijk anonieme auteur: 'De maker weet zeer wel, dat hij als digter, daar door weinig roem behalen kan, maar dat was ook zijn oogmerk niet.’ Hoe anders zou het lopen.
In de schaarse publikaties over de geschiedenis van het Nederlandse kinderboek is Van Alphen altijd gezien als de eerste echte schrijver voor kinderen. De verdienste van Buijnsters is dat hij aantoont hoeveel meer er op de achttiende-eeuwse kinderboekenplank thuishoorde. Samen met zijn vrouw, de kunsthistorica Leontine Buijnsters-Smets doorzocht hij jarenlang openbare collecties in binnen- en buitenland, een monnikenwerk dat nu heeft geresulteerd in de Bibliografie van Nederlandse school- en kinderboeken 1700-1800.
Zeventienhonderdtweeëntwintig boeken traceerde het speurdersechtpaar, en wat ze in handen kregen werd minutieus beschreven, inclusief vermelding van de vindplaats. Ook opgenomen werd een klein aantal titels dat op papier bestaat, maar (vooralsnog) onvindbaar bleef. Voor de twintigste-eeuwer geldt uiteraard de macht van het getal: eenendertig drukken van Van Alphen tussen 1778 en 1800, dertig drukken van de Historie van David, behorende tot het zogenaamde 'storiegoed’, waarin ridderverhalen, sprookjes en bijbelse geschiedenissen op grauw papier en met grove houtsneden versierd onder alle lagen van de bevolking populair bleven.
Het materiaal is ingedeeld in vierentwintig rubrieken, waaronder boekjes voor de traditionele schoolvakken, (veel) godsdienstonderwijs en bijbelse geschiedenis, zedenkunde, fabelboeken, raadsels, volksboeken, emblemata, gedichten, toneel, almanakken en tijdschriften. Allesoverheersend zijn school, onderwijs en leren, wat niet verwonderlijk is in een eeuw waarin het kind en daarmee de 'maakbaarheid’ van de mens werd uitgedacht, of zoals Van Alphen het bondig samenvatte: 'Mijn speelen is leeren, mijn leeren is speelen.’ Zelfs onder de rubriek 'Verhalen’ luiden de titels Leerzaame Bezigheden Voor Kinderen, of De Vermaarde Historie van Gillis Zoetekoek, Een Kleine Jongen Die van ’t Leeren Leefde.
Uiteraard is dit soort (dure) uitgave in de eerste plaats bedoeld als naslagwerk voor verzamelaars, antiquaren en boekhistorici. Toch heeft het boek ook aan andere geïnteresseerden van alles te bieden. Het is fraai uitgegeven met veel illustraties, waaronder een katern in kleur en elke rubriek wordt ingeleid door een korte, verhelderende typering van het genre. Een opsomming van titels lezen lijkt een idiote bezigheid, maar al doende begint er van alles op te vallen: hoe veel er al vertaald werd, hoe veel dominees er waren onder de auteurs en hoe veel geleerden. Zo was de natuurboekenschrijver Johannes Martinet Meester der Vrye Konsten, Doctor in de Wijsbegeerte en Lid Van De Hollandsche Maatschappij Der Weetenschappen.
En misschien zijn er meer lezers zoals ik die alleen al zwichten voor de onbedoelde humor en poëzie van de fantastische en vaak ellenlange boektitels: Leerzaame Fabelen voor het Jufferschap en Beginselen der Aardklootkunde, Magazijn Der Kinderen, Of Zamenspraaken Tusschen Eene Wijze Gouvernante En Verscheidene Van Haare Leerlingen Van Het Eerste Fatsoen of Gesprekken Onder Het Doen Van Zomerwandelingen.
En wie geen gevoel of geduld heeft voor deze merkwaardige taalhutspot van afkortingen, verwijzingen en achttiende-eeuws Nederlands, maar toch nieuwsgierig is geworden naar het onderwerp, kan terecht in het standaardwerk over de jeugdliteraire geschiedenis De hele Bibelebontse berg (1989), waarin Buijnsters buitengewoon leesbaar en verhelderend 'zijn’ eeuw beschrijft.