Vrije Universiteit als gewone universiteit

Kinderclub van de gereformeerde revolutie

De term ‘VU-kabinet’ suggereert een club ouderwetse gereformeerde jongens. In werkelijkheid werd de Vrije Universiteit juist opengebroken toen zij er studeerden. Communisten, katholieken en seksuele bevrijders drongen het gereformeerde bolwerk binnen. Een pijnlijk proces: ‘Een collega-hoogleraar wees me aan op straat en riep woedend: jij hebt het gedaan!’

Het was wachten tot de term zou vallen toen Wouter Bos, Jan Peter Balkenende en André Rouvoet zich op een Fries landgoed terugtrokken om een kabinet in de steigers te zetten. Allemaal behaalden ze hun bul aan de Vrije Universiteit, het monument van de verzuiling in het Nederlandse onderwijs, net als de ministers Piet Hein Donner en Bert Koenders. De VU is niet zomaar een universiteit. De VU was het kroonstuk op de ‘soevereiniteit in eigen kring’ die de Nederlandse gereformeerden een eeuw lang nastreefden. Ze bakenden hun perk af binnen de van God afgedreven maatschappij en trachtten in alles onafhankelijk te zijn. Zoals in onderwijs: in het hele land gingen de collectebusjes rond voor een eigen universiteit, die bij de oprichting door Abraham Kuyper in 1880 het etiket ‘Vrij’ meekreeg. Het woord Gods was er de basis van alle onderzoek en studenten van buiten het ‘eigen volksdeel’ werden slechts oogluikend toegestaan.

De term ‘VU-kabinet’ voor Balkenende IV verwijst naar die erfenis. Het lijkt een treffende omschrijving voor het christelijk-sociale kabinet, dat hernieuwde aandacht heeft voor zaken als abortus, homohuwelijk en euthanasie. De gereformeerde jongens hebben hun christelijk-sociale bagage meegekregen in de collegebanken, suggereert de slogan.

Zoals zo vaak bij handige termen dekt ook deze echter de lading niet. De universiteit waar zo veel invloedrijke politici studeerden – naast de huidige kabinetsleden onder anderen ook Pim Fortuyn, Elco Brinkman, Wim Deetman, Gerrit Zalm, ppr’er Bas de Gaay Fortman en Centrumpartij-oprichter (en VU-docent) Henry Brookman – biedt een veel interessanter verhaal dan dat van een gereformeerde club die een gereformeerde club bleef. De VU weerspiegelt de ontwikkeling van de maatschappij als geheel: een verzuilde, in zichzelf gekeerde en standsbewuste samenleving, die in de jaren zestig en zeventig schudde onder de invloed van nieuwe ideeën en zich verrassend snel omvormde tot een open en individualistische vrijplaats.

Geen enkele minister is opgeleid aan de VU van de oude stempel, die doorklinkt in de term ‘VU-kabinet’. Alleen Donner heeft nog een staartje van die ‘oude VU’ meegekregen, maar zijn studie viel tijdens de jaren van confrontatie en omslag. Toen Donner in 1974 afstudeerde en Balkenende met zijn studie begon, liep die confrontatie op haar einde en was de universiteit al geen gereformeerd bolwerk meer. Toen Balkenende begin jaren tachtig afstudeerde en Bos, Koenders en Rouvoet aan hun studie begonnen, had het sloopwerk van communisten en ‘waardevrije wetenschappers’, gecombineerd met de aanwas van studenten en medewerkers uit alle lagen van de bevolking, de VU tot een universiteit als alle andere gemaakt. Over iemands gedachtegoed zei een studie aan de VU toen eigenlijk niets meer.

Een cruciaal moment in die geschiedenis viel in 1969, toen het bestuur van de Vrije Universiteit een algemene ledenvergadering had belegd die op ongekende wijze werd verstoord: studenten eisten het woord. Het was een incident dat telkens opduikt in gesprekken met oud-medewerkers en -studenten van de VU, een moment waarop duidelijk werd dat de universiteit een antwoord moest vinden op nieuwe tijden en nieuwe uitdagingen. Dat laatste moet letterlijk worden genomen want studenten als Marius Ernsting, het latere Tweede-Kamerlid voor de cpn en verstoorder van de vergadering, lieten zich niet negeren. En ze hadden ook geen kleine plannen. ‘Ze waren uit op niets minder dan de vernietiging van de VU als gereformeerde vereniging’, zegt Dick Kuiper, oud-hoogleraar aan de VU en oud-senator voor het cda. ‘En dat lukte.’

De middelen waar de studenten zich van bedienden, waren niet erg schokkend. Ernsting stond op en vroeg of hij mocht spreken, verbaal ondersteund door andere studenten. Hij kreeg het woord niet. Dat laatste was achteraf gezien misschien onverstandig. Na de verstoring escaleerde de zaak namelijk, toen studenten gebouwen begonnen te bezetten. ‘Bij zulke bezettingen was absoluut geen grimmige sfeer, eerder jolig’, herinnert voormalig docent bestuurskunde Jaap Breunese zich. ‘Je kwam dan ’s morgens aan bij het gebouw en daar zaten dan wat studenten die zeiden dat het “bezet” was en je er niet in mocht. Je kende elkaar allemaal, dus je maakte een praatje, ging thuis aan het werk en keek de volgende dag weer.’ Breunese, een opgewekte zestiger, geniet zichtbaar als hij de herinneringen ophaalt.

Wat die vrij onschuldige acties toch geladen maakte, was de onbuigzame houding van het universiteitsbestuur. ‘Het was parallel aan wat gebeurde in politiek Den Haag’, meent Breunese. ‘Premier Biesheuvel wilde niet toegeven aan eisen om vernieuwing in de politiek en zijn partij. Hij zag niet dat een beetje meebuigen de angel eruit zou halen. Uiteindelijk moest hij om.’

In het geval van de VU moest het bestuur om nadat het hoofdgebouw in 1971 was bezet. De concessies waar het universiteitsbestuur uiteindelijk mee instemde waren welbeschouwd onwerkbaar: op allerlei niveaus van het bestuur kwam inspraak van studenten, er werden overlegraden ingesteld met eindeloze bezwaar- en vetoprocedures. Maar de radicale studenten, met de onvermijdelijke Pim Fortuyn in pak in hun midden, hadden het regentendom gebroken.

Voor de oorsprong van alle opstandige ideeën moeten we een stap terug: naar de oprichting van de jonge sociale faculteit die door conservatieve bestuurders en hoogleraren werd gewantrouwd, soms zelfs gehaat. Deze faculteit had een bijzonder verhaal. ‘De sociale faculteit was expliciet opgericht om mensen op te leiden voor de christelijke politiek en christelijke organisaties’, stelt oud-hoogleraar Kuiper. ‘De opleiding van bestuurders konden we immers niet overlaten aan de “Rode Faculteit”.’ Kuiper, een oudere heer maar levendig en enthousiast alsof hij de helft van zijn jaren telt, doelt op de nieuwe sociale faculteit van de Gemeente-universiteit van Amsterdam. Met vakken als bestuurskunde en een onmiskenbaar linkse signatuur werd die faculteit met argusogen gevolgd.

Het gereformeerde volksdeel moest niet alleen een eigen sociale faculteit oprichten om mee te doen bij nieuwe wetenschappen als bestuurskunde en sociologie, maar ook om passende invloed te houden in het openbaar bestuur. Die opzet slaagde in de zin dat vele latere bestuurders en politici, die de VU op alle niveaus van de overheid zou afleveren, hun studie of losse vakken zouden volgen aan deze faculteit. Maar de opzet mislukte in de zin dat ook deze faculteit al snel rood zou kleuren.

De sociale faculteit huisde bij haar oprichting eind jaren vijftig in statige panden bij het Amsterdamse Vondelpark. De jonge opleidingen, als bestuurskunde en politicologie, hadden een handvol studenten, traditiegetrouw uit het eigen volksdeel en gesteund met giften. Iedereen stond op als een hoogleraar het lokaal binnenkwam, waarna hij het college opende met een gebed. ‘De sfeer was niet-ideologisch’, zegt oud-docent Jaap Breunese, ‘Maar de docenten hadden naast het bijbrengen van kennis heel hoge doelstellingen bij wat ze aan studenten mee wilden geven die het openbaar bestuur in zouden gaan: de handhaving van regels, afwijzen van corruptie, het primaat van integriteit en het algemeen belang. En tégen de tolerantiekant van het Nederlandse openbaar bestuur.’

Maar nieuwe mensen en nieuwe ideeën sijpelden de VU binnen. Het ‘eigen volksdeel’ leverde een slinkend aantal studenten en docenten, terwijl hervormden, katholieken, niet-kerkelijken en arbeiderskinderen hun weg naar de VU vonden. Dat stimuleerde weer de instroom van nieuwe ideeën. Moderne bijbelinterpretatie en het concept van oecumene braken binnen via de theologiefaculteit. Het wegslijten van de traditionele orthodoxie bracht de gereformeerde achterban in de jaren zestig soms heftig in beroering. Onder invloed van de studentenrevolte in Parijs en de bezettingen van de Hogeschool van Tilburg en het Maagdenhuis in Amsterdam in 1969 kwam de zaak in een stroomversnelling. ‘In een mum van tijd werd het studentenleven gedomineerd door links’, zegt Kuiper. ‘Natuurlijk waren niet alle studenten links, maar als je mee wilde doen met de spraakmakende gemeente was er geen andere optie. Over de hele faculteit, en al snel de hele universiteit, hing rond 1970 de schaduw van Marx.’

Het ging hierbij niet om koudwatervrees van wat ouderwetse bestuurders. Het aantal cpn-studenten groeide stormachtig. Ze namen studentenorganisaties over en organiseerden scholingsweekends waar andere studenten uitgelegd werd waarom alles wat zij leerden en geloofden achterhaald was. Sommige hoogleraren en docenten werden spijkerhard bekritiseerd of het werken onmogelijk gemaakt.

Niets had de omslag aangekondigd. Een deel van de gereformeerde achterban was al diep geschokt geweest over de verhuizing van de VU naar het kolossale nieuwe hoofdkwartier in Amsterdam-Buitenveldert. ‘Voorzover de mentaliteit samen christenstrijders te zijn voor het grote ideaal was verankerd in steen en hout, was dat in de gebouwen aan de Keizersgracht’, schreef historicus Arie van Deursen in zijn VU-geschiedenis Een hoeksteen in het verzuild bestel. Daarna moesten de gereformeerden slikken dat de overheid de universiteit ging bekostigen (vanaf 1968) en hun giften een steeds marginaler deel van de begroting vormden.

En toen gingen marxistische studenten de gebouwen bezetten. Een hoogleraar sprak tot ontsteltenis van de gereformeerde achterban op een pvda-congres. Martin Luther King kreeg een eredoctoraat. Na een lange strijd moest het VU-bestuur de seksescheiding in de studentenhuizen in Uilenstede loslaten en toestaan dat de ‘seksuele bevrijders’ van de nvsh er een vestiging openden.

Ook docenten en studenten die in de vroege jaren zestig de ‘radicale verleiding’ hadden gevoeld, zoals Kuiper en Breunese, vonden dat de radicalen te veel voet aan de grond kregen. ‘Wij zagen het marxisme als een bedreiging die moest worden gestopt’, zegt Dick Kuiper. ‘En dat hebben we ook gedaan.’

In het midden van de storm die na 1968 opstak, stond Henk Brasz. Hij was de eerste hoogleraar bestuurskunde aan de VU en was decaan van de sociale faculteit tijdens de roerigste jaren.

De tachtiger spreekt lang in zijn in bruintinten en met wandvullend alpenlandschap ingerichte huis, maar hij blijft steeds opletten hoeveel hij over bepaalde zaken en personen wil zeggen. Die tact had hij in de jaren zestig en zeventig voortdurend nodig toen hij tussen bestuur en hoogleraren enerzijds en radicale studenten anderzijds in stond. ‘Ik was voortdurend in de weer om de rust te bewaren onder mijn studenten en medewerkers’, stelt Brasz. Maar zijn onorthodoxe methoden kregen de handen niet overal op elkaar. Brasz ging vriendschappelijk met de opstandige studenten om, nam hen soms in bescherming en deed concessies.

Daarbij stond hij voor hun ideeën open in een mate die andere hoogleraren verbijsterde: hij bezocht hun ‘goeroe’ Habermas, reisde door de Sovjet-Unie en liet studenten zelf een lesprogramma samenstellen over het ‘Chinese model’ en concluderen dat het academische diepte miste. ‘Studenten die wat in hun mars hadden, zoals de cpn’er Jan Siersma, nam ik als medewerker of beschermde ik tegen het bestuur’, stelt Brasz. ‘Praatjesmakers gaf ik de ruimte om zelf met de kop tegen de muur te lopen.’

Brasz’ aanpak werd niet overal gewaardeerd, in de eerste plaats niet bij andere hoogleraren en het bestuur. Hoewel Brasz net als zij de VU wilde behouden als gereformeerde instelling – hij was zijn carrière nota bene begonnen als evangelisatie-ouderling – ontwaarde een meerderheid van zijn collega’s in zijn optreden communistische sympathieën of ten minste een weigering om kordaat op te treden.

Achteraf kreeg Brasz wél krediet, toen bleek dat hij de faculteit en het onderwijs op koers hield. Maar rond 1970 werd de heftige cultuuromslag bij de VU vaak de sociale faculteit aangerekend, en haar verhuizing naar het hoofdgebouw werd daarom jarenlang uitgesteld. Henk Brasz werd er soms ook persoonlijk op aangekeken: ‘In die tijd kwam ik een collega-hoogleraar tegen op straat. Hij was toen hoogbejaard en liep met een wandelstok. Die hief hij op, wees ermee naar mij en riep woedend: jij hebt het gedaan!’

In dit gepolariseerde en gepolitiseerde klimaat, waarin de gereformeerde zuil op haar grondvesten schudde, studeerden mannen als Donner en later Balkenende. Donner kwam uit een oude VU-familie en was niet op heulen met de nieuwe gedachten te betrappen. Balkenende ook niet, al heeft die volgens oud-hoogleraar Dick Kuiper ‘de radicale verleiding vast wel gevoeld’. De latere premier – Kuiper: ‘Een intelligente jongen met een mooie, dikke scriptie’ – was namelijk actief in de studentenpolitiek en werd verkozen op een gematigde, niet-radicale lijst. Maar studentenpolitiek betekende in die tijd onvermijdelijk discussiëren en deals sluiten met de opstandiger studenten, en ook de gematigde lijsten wilden meer inspraak.

Een opvallend gezicht onder de studenten was Pim Fortuyn. Hij was een vreemde eend in de bijt: katholiek, soms radicaal-links en soms tegendraads rechts, bij bezettingen en betogingen altijd in pak. Alle oud-docenten herinneren zich hem. Fortuyn probeerde tevergeefs de leiding te nemen binnen de studentenbeweging en had ook anderzijds de ambities hoog. ‘Pim Fortuyn probeerde uit alle macht een wit voetje bij me te halen en we voerden interessante gesprekken’, zegt oud-decaan Henk Brasz. ‘Hij zei: “Ik wil minister-president worden en de eerste stap daarvoor is hoogleraar”. Ik zei hem eerlijk: “Pim, ik zie het niet in je.” Maar hij liet zich niet uit het veld slaan: “Let maar op, ik ben nu begonnen. Er gaan dingen om me heen gebeuren”, zei hij dan met zijn vinger in de lucht. Ik lachte maar en zei: “Ga nou maar aan het werk.” Ik heb hem altijd gevolgd en het was waar: altijd gebeurde er wat om hem heen. Hij zorgde voor controverse, wipte mensen en elleboogde zich omhoog.’ In het precaire klimaat aan de VU bleek Fortuyn een te controversiële figuur om carrière te kunnen maken. Hij verdween naar Groningen.

De onrust verdween even snel als die gekomen was. In de jaren tot 1974 hadden de opstandige studenten hun inspraak gekregen met eindeloze, ontstellend vervelende vergaderingen als gevolg. Alleen de hardliners hadden daar nog zin in en de vaart vloeide uit de radicale beweging. De universiteit leek over te gaan tot de orde van de dag, toen Balkenende er studeerde.

Maar de studentenrevolte had diepe sporen achtergelaten. Naast de inspraak was ook de nieuwe theologie definitief doorgebroken en hadden de wetenschappers die pleitten voor waardevrij onderzoek – dus niet per se christelijk – het pleit gewonnen. De tanende invloed van de traditionele achterban werd gesymboliseerd door de keldering van hun aandeel in het budget: in 1979 maakten giften nog maar een half procent van de begroting uit.

De nieuwe rol van religie op de universiteit werd het best gesymboliseerd in ‘de vraag’ die aan nieuwe docenten werd voorgelegd. Moest in de jaren zestig een nieuwe medewerker nog een speciale dispensatie krijgen om voor de klas te mogen staan als hij hervormd, vrijzinnig of anderszins onzuiver op de graat was – en hoefde hij sowieso niet te denken aan toelating in de hogere rangen – vanaf de jaren zeventig werd alleen gevraagd of de sollicitant zich ‘bewust was’ van de historie van de VU, en of hij daar ‘op persoonlijke wijze invulling aan wilde geven’. ‘De privatisering van het geloof’, noemt historicus Van Deursen deze ontwikkeling.

Niet alleen het geloof privatiseerde, de studie in bredere zin ook. Grotere studentenaantallen, het kolossale onpersoonlijke hoofdgebouw en het verkorten en stroomlijnen van de studies verdreven het groepsgevoel aan de universiteit. Dat had zowel zijn weerslag op de identiteit van de VU – het werd steeds meer een universiteit als alle andere – als op het geestelijke klimaat. ‘De massaliteit, het steeds toenemende papierwerk, de kleinere budgetten, de steeds kortere studie: de bevlogenheid ging eraf’, zegt Jaap Breunese.

Dit was de universiteit waar Rouvoet, Bos en Koenders studeerden: een goede universiteit met een bijzonder verleden, maar afgezien daarvan in weinig meer anders dan andere universiteiten. Op de VU van de oude stempel zou wellicht alleen Rouvoet binnengekomen zijn. Zijn ouderlijk gezin was christelijk-gereformeerd, de strenge, ‘gristelijke’ kerk waar de rpf uit ontsprong. In het gezin Koenders speelde het geloof niet een grote rol, al kwam het wel uit de juiste, gereformeerde hoek. Maar voor Wouter Bos, uit een hervormd ‘doorbraakgezin’ dat pvda stemde, was de oude VU de verkeerde plaats geweest.

Het identiteitsverlies van de gereformeerde universiteit is sindsdien alleen maar doorgegaan. Zo draaide de heftigste controverse van de afgelopen jaren om het dragen van hoofddoekjes. Het ‘VU-kabinet’ is een handige slogan, maar het zegt weinig over de achtergrond van de huidige kabinetsleden. De gereformeerde identiteit die nog steeds in het woord hangt, werd in werkelijkheid tijdens of voor de studie van de huidige VU-ministers hardhandig de universiteit uitgewerkt.