Interview met War Child

‘Kinderen kunnen er niks aan doen als het oorlog is’

Interview met mensen van War Child: Iris Heijmans, actiecoördinator; Gitte Büch, communicatiemanager, en Waldo Serno, fondsenwerver.

Waarom doet u dit werk?

Waldo Serno: ‘Ik vind het belangrijk dat er gelukkige kinderen zijn, net als in Nederland.’

Hoe lang werkt u al bij War Child?

Waldo: ‘Eén jaar.’

Iris Heijmans: ‘Twee jaar, maar daarvoor was ik vijf jaar vrijwilliger.’

Gitte Büch: ‘Twee jaar.’

Hoe bent u daar terechtgekomen? Heeft u een speciale opleiding gehad?

Waldo: ‘Ik heb ontwikkelingseconomie gestudeerd. Ik was al lang op zoek naar een plek waar ik kinderen kan helpen. Een vriend zei dat het leuk zou zijn als ik bij War Child kon werken, en hij belde me toen er een plekje vrij was.’

Waar staat War Child voor?

Gitte en Iris: ‘War betekent oorlog en Child betekent kind, dus oorlogskind. We willen kinderen in conflictgebieden een goede toekomst geven.’

In welke landen werkt War Child?

Gitte: ‘In Nederland, in Afrika, Oeganda, in Zuid-Amerika, Colombia, Israël en Palestina en in Afghanistan.’

Waarom werkt u in Nederland? Daar is toch geen oorlog?

Gitte: ‘Sommige kinderen vluchten naar Nederland. Die wonen in asielzoekerscentra. Die leven ook met angst, net als andere oorlogskinderen.’

In welke landen bent u geweest?

Iris: ‘Ik ben nergens geweest.’

Gitte: ‘Sierra Leone en Oeganda.’

Waldo: ‘Colombia, Afghanistan en Palestina.’

Hoe helpen jullie de kinderen?

Iris: ‘Sporten, spelen en muziek maken. Maar pas als het veilig is en ze gezond zijn en kleren hebben en zo. Als het niet veilig is, dan kan dat niet.’

Waldo: ‘Als ze voetballen, kunnen ze weer lachen en als ze het vaak doen, gaan ze zich misschien beter voelen. Sommige kinderen zijn heel bang. Omdat ze erge dingen hebben meegemaakt, of omdat hun vader en moeder dood zijn, misschien. Als ze dan een tekening maken, kunnen ze over hun gevoel praten.’

Wat is jullie doel?

Iris: ‘Kinderen gelukkig maken. Als kinderen blij zijn en kracht hebben, dan kunnen zij later het land opbouwen.’

Waldo: ‘Zij worden later misschien wel de regering.’

Heeft u zelf kinderen?

Iris: ‘Nee, ik heb geen kinderen.’

Gitte: ‘Ik heb er twee.’

Waldo: ‘Ik heb geen kinderen.’

Wat heeft u met kinderen, dat u voor War Child kiest?

Iris: ‘Ik vind het belangrijk dat kinderen gelukkig worden, want ze kunnen er niets aan doen dat het oorlog is. Ik werk graag voor War Child, omdat ik zeker weet dat al het geld naar de oorlogslanden gaat.’

Hoeveel donateurs hebben jullie?

Iris: ‘Honderdduizend.’

Iris vroeg zelf ook iets: ‘Weten jullie hoeveel kinderen we per week helpen?’

Fatiha: ‘Vijfhonderd?’

Laila: ‘Tweehonderd?’

Ilayda: ‘Honderdvijftig?’

Iris: ‘Vijftienduizend. En denk je dat je zelf ook iets voor kinderen kunt doen?’

Ilayda: ‘Ja, bijvoorbeeld geld inzamelen op school, of artiesten uitnodigen en een groot festival organiseren.’

Zijn er bekende mensen met wie War Child samenwerkt?

Gitte: ‘Wij hebben één ambassadeur, dat is Marco Borsato. Jetske van den Elsen doet ook veel voor ons. Sommige mensen denken dat Ali B. ambassadeur is, maar dat is niet zo. Soms bellen mensen op om zijn telefoonnummer te vragen. Dat heb ik niet.’