Kinderen redden de wereld

De experimentele taal van Ali Smith is eerder doordacht dan doorleefd © Jeremy Sutton Hibbert / Getty

Of de Brexit nu komt of niet, de permanente consternatie in Groot-Brittannië heeft al een aardige boekenkast gebaard aan Brexit-romans en dystopische fictie. Als Britse schrijver is het bijna provocerend om het niet over de stand van het land te hebben, zeker voor Ali Smith, wier Autumn (2016) inmiddels geldt als de ‘First Great Brexit Novel’. Dat boek was het eerste uit een seizoenentetralogie. Dicht op de actualiteit, dat was Ali’s streven, en in hoog tempo geschreven, zodat nu al het derde deel, Spring, is verschenen en vertaald. Lente.

De proloog lijkt je voor te bereiden op een politiek pamflet, en bepaald niet een met een verrassend geluid. ‘Wat we dus niet willen zijn Feiten. Wat we willen is verwarring.’ Zo opent een woordenstroom die een compilatie is van krantenkoppen, sociale-mediaberichten, Trump-praat en ander populisme. ‘Nieuws moet zijn wat wij zeggen dat het is.’ Boodschap: wat een sukkels, die ‘wij’, dus maar goed dat je deze roman bent gaan lezen en aan de goede kant staat.

Zo’n opening strijkt je meteen al tegen de haren in, niet omdat ze gelijk of ongelijk zou hebben, maar omdat je geen romans leest voor het soort duiding dat vaak in krantencolumns al zo eentonig is. Natuurlijk, Ali Smith speelt juist met die lezersreactie, door hierna de natuur of de lente zelf te laten spreken: ‘Is het weer zover? (Schouderophalen.) Het raakt me allemaal niet.’ Maar het duurt even voordat ze het vertrouwen weer wint en ze ons meeneemt in een echte vertelling, een verhaal dat sprankelend genoeg is om al die politiek-journalistieke ballast van die opening te laten vergeten.

Dat lukt, uiteindelijk, en gaat een tijdlang goed. De eerste verhaallijn is namelijk ijzersterk. We ontmoeten filmmaker Richard Lease, die treurt om de dood van een bevriende scenarioschrijfster, Paddy Heal, en worstelt met een fascinerend filmplan over Rainer Maria Rilke en Katherine Mansfield die, zonder dat van elkaar te weten, in 1922 in hetzelfde Zwitserse stadje woonden.

Hij praat er in gedachten met Paddy over, herinnert zich gesprekken die hij in zijn verbeelding voortzet, zoals hij ook (op haar aanraden) imaginaire gesprekken was gaan voeren met zijn dochter, die na een relatiebreuk uit zijn leven is verdwenen.

Een gouden vondst, die innerlijke dialogen. Op die manier blijf je weliswaar in het hoofd van het personage, maar je raakt het tobberige, mijmerende en twijfelende kwijt door de theatrale opvoering van al die gedachten.

Maar goed dat je deze roman bent gaan lezen en aan de goede kant staat

De actualiteit is hier alleen als decor aanwezig, onnadrukkelijk, met af en toe een vette knipoog: ‘Ierland in oproer. Gloednieuwe unie. Gloednieuwe grens. Gloednieuw oeroud Iers burgerverzet. Ga me niet vertellen dat dit niet opnieuw relevant is op zijn gloednieuwe steeds dezelfde oude manier.’

De stijl van Smith is springerig, met snelle wisselingen van tijd en perspectief, veel onderbrekingen, commentaren, metafictie. Dat maakt je als lezer wat rusteloos, even gefragmenteerd en nerveus als Richard zelf is. Dat is vast de bedoeling, maar bij mij wekte het ook de indruk dat het aan het hoge tempo ligt waarin het boek is geschreven. Haastige sprongen van scène naar scène, zonder tijd om iets te laten bezinken of te doorvoelen, zodat je verrast bent als hij ineens zijn hoofd op een treinrails legt.

Dan opent het tweede deel, waarvan de personages toevallig al op het perron liepen, waarin we alsnog een lading actueel engagement over ons uitgestort krijgen. Deze verhaallijn draait om een geheime organisatie die papierloze asielzoekers wil helpen ontsnappen en buiten alle inhumane procedures om een plek in de samenleving wil geven.

De hoofdpersoon is Brittany Hall, bewaakster die steeds meer aan het twijfelen raakt over het systeem en haar rol hierin. Goed, deze ‘Brit’ (zo wordt ze genoemd) is dus een metafoor voor het Groot-Brittannië in verwarring, geconfronteerd met de eigen onrechtvaardigheid. (‘Een muur om ons heen, zei hij. Onszelf in de voet schieten. Geweldige natie. Geweldig land.’)

Een heldinnenrol in dit shakespeareaanse drama is weggelegd voor de twaalfjarige Florence, een kind met bijna bovennatuurlijke krachten dat zelfs hooggeplaatste gezagdragers tot goede daden weet te bewegen: van het eindelijk reinigen van de wc’s in het detentiecentrum tot het bevrijden van tienerprostituees.

Omdat het boek ons vanaf hier zo nadrukkelijk oplegt het als allegorie te lezen, zal deze Florence de jeugdige, nieuwe morele kracht symboliseren. ‘Zou iemand van jouw leeftijd niet op school moeten zitten?’ is het eerste wat Brit vraagt aan het meisje, dat in vroegwijze volzinnen praat en vastberaden is in haar missie. Kortom, hier debuteert Greta Thunberg op het romanpodium.

Bij het samenkomen van al die verschillende lijnen krijgt het verhaal alsnog vleugels, en een verrassende finale. Toch weet het niet echt te raken. Dat ligt aan die onderliggende politieke stellingname, maar ook aan de taal.

De experimentele taal van Ali Smith is hier eerder doordacht dan doorleefd, meer cerebraal dan muzikaal, gekenmerkt door herhalingen, raadseltjes (‘de waarheid is een soort ongeacht’), het weglaten van de aanhalingstekens in de dialogen, en het overvloedig gebruik van de enter-toets (‘Maar. / Luister. / Schijnbaar.’) Het is lyriek die niet werkelijk tot zingen komt.