Kinderen van daders

De auteurs Sytze van der Zee en Chris van der Heijden schrijven respectievelijk over een ‘grijs gebied’ en ‘foute’ joden, waarop Evelien Gans uitvoerig heeft gereageerd in De Groene Amsterdammer (28 januari). De Tweede Wereldoorlog blijft ons tot vandaag emotioneel beroeren en de stroom lectuur erover houdt aan.

Inmiddels hebben we met de tweede of zelfs derde generatie oorlogskinderen te maken. De nakomelingen van de slachtoffers zijn uitvoerig aan het woord geweest. Het lijkt erop dat nu kinderen van daders aan de beurt zijn. In Duitsland worden de gevolgen van bombardementen en ander oorlogsleed druk besproken. In ons land is iets dergelijks aan de gang betreffende ‘goed’ en ‘fout’, waarbij de grenzen tussen slachtoffers en daders gaandeweg vervagen.

Beroepsmatig heb ik met de kinderen van beiden te maken. De vraag is: wat motiveert de kinderen van daders? Wat zijn hun psychologische problemen en waarin verschillen zij van de nakomelingen van slachtoffers? Kinderen zijn niet verantwoordelijk voor de daden van hun ouders, maar zo eenvoudig ligt de zaak helaas niet. De volgende generatie is opgescheept met een erfenis waar ze vaak geen raad mee weten. Ze slepen met een verleden waar ze zelf niet bij waren en dat als een loden last op hen drukt. De daaruit voortkomende problemen blijken zelfs lastiger op te lossen dan die van de nakomelingen van de slachtoffers, zoals joden en verzetsmensen. In hun bewuste discours zijn de daderkinderen het hartgrondig eens met de fatsoensnormen van hun omgeving. Ze zijn het weliswaar eens met de maatschappelijke afkeuring van deelname aan de misdaden van de Duitsers, maar desondanks blijven ze zich levenslang innerlijk ongemakkelijk voelen en hebben moeite hun houding te bepalen.

Diep in hun hart, meestal niet of onvolledig bewust, kampen zij met tegenstrijdige gevoelens. De diepgewortelde loyaliteit jegens hun ouders strijdt met hun fatsoen. Daderkinderen gaan gebukt onder een schuldbeladen en schaamtevol geheim, een pijnlijk taboe, waarover zij liever niet communiceren. Onaangename confrontaties worden vermeden door angstvallig verzwijgen of verdraaien van de feiten uit het verleden. Soms gedragen deze mensen zich als onderduikers die schichtig wegkruipen uit angst voor ontdekking. Vanuit diverse motieven vermijden zij het om hun ouders te bevragen of te confronteren. Ze zijn bang het respect voor hun ouders te verliezen, ze boos te maken, ze pijn te doen, of geen antwoord te krijgen en zodoende in een onoplosbaar conflict te geraken. De ouders op hun beurt weigeren vaak de waarheid over het verleden te vertellen of verdraaien de feiten. Als ouders op 4 mei de televisie uitschakelen, zogenaamd omdat ze het ‘te erg’ vinden, voelen de kinderen dat er iets niet klopt, maar schromen om pijnlijke vragen te stellen.

De waarheid valt op die manier nooit te achterhalen, het blijft een grijs gebied, omgeven met vage en onheilspellende fantasieën. In de meeste gevallen willen de daderkinderen zelf de waarheid over de rol van hun ouders in de oorlog liever niet weten. Ze vrezen beangstigende feiten te horen en vermijden onwillekeurig het onderwerp. Een enkeling verwerpt zijn ouders vanwege hun weigering om eerlijk op vragen in te gaan. Op zo'n manier is het innerlijk conflict tussen solidariteit met de ouders en de buitenwereld niet oplosbaar. Om van het verleden verlost te worden is het noodzakelijk om er terdege kennis van te nemen en een houding ertegenover te bepalen. Daarzonder kan er van verwerking geen sprake zijn. Gebeurt dat niet, dan blijft het verleden de toekomst overschaduwen. Het onvermogen om te rouwen betekent een geestelijke verarming, een amputatie en een emotionele last.

Iki Freud
psycholoog-psychoanalytica