Kinderen van de ironie

Soms klopt de flaptekst. Dan ís het boek een ‘ingenieuze en listige thriller’, ‘verknipt en wild’, ‘onweerstaanbaar’ en jaagt het je ‘gegarandeerd’ angst aan ‘tot en met de laatste pagina’.

Dat gaat allemaal op voor Gillian Flynns Gone Girl dat twee jaar geleden een bestseller werd, maar vervolgens in Nederlandse vertaling om onverklaarbare redenen ‘niets deed’, aldus mijn boekhandelaar. Dat laatste zal in de komende weken misschien veranderen dankzij David Finchers succesvolle verfilming van de roman, met Ben Affleck en Rosamund Pike in de rollen van een echtpaar met huwelijksproblemen dat vanwege de economische crisis van New York naar Missouri verhuist, waarna zij op een ochtend spoorloos verdwijnt, en hij daar mogelijk verantwoordelijk voor is. Wie het boek leest en daarna de film ziet, heeft een probleem. Dat geldt ook voor de lezer van deze recensie. De twee onbetrouwbare vertellers zorgen voor zo veel verhaalwendingen dat kennis ervan vooraf de kijkervaring radicaal zal beïnvloeden. In dit stukje derhalve géén spoilers.

Gone Girl is tegelijk een moraliteit, een comedy of manners gesitueerd in een stadje waar de mensen elkaar door en door kennen, en een satire over de relatie tussen nieuwsmedia en entertainment. Het is aan de lezer en de kijker zich een weg te banen in het labyrint van waarheden, en hierin heeft hij of zij geen enkele ‘hulp’ behalve die in de vorm van subtiele manipulatie door de hoofdpersonen.

Het wordt nog ingewikkelder, omdat de vertellers zelf een crisis van ‘waarheid’ of authenticiteit doormaken. Amy en Nick, allebei aanvankelijk succesvolle schrijvers in New York, zijn kinderen van de ironie, gevormd door de postmoderne cultuur waarin referenties aan dingen meer inhoud hebben dan de dingen zelf. Ze kennen de teksten van Annie Hall uit hun hoofd, maar ze hebben geen idee hoe zélf te leven als twee jonge mensen in de stad. Wrang is dat deze tragedie de basis van hun relatie vormt. Wanneer ze elkaar op een hipsterfeestje ontmoeten is het liefde op het eerste gezicht. Omringd door mensen even leeg als zij, pretentieus gekleed met kekke hoedjes op en pratend over nietszeggende opleidingen, vinden ze elkaar juist door het membraan van oppervlakkigheid samen door te prikken. Hij is zo ánders dan die smart boys die ‘neuken alsof ze wiskunde doen’, of de Wall Streeters met dollartekens in de ogen. ‘Nick.’ ‘Dat is pas een echte naam’, schrijft Amy in haar dagboek (dat lezer en kijker aanvankelijk voor zoete koek slikken). En zij. Zo hartstochtelijk, een beeld uit een prentenboek, haast efemeer, ook als hij haar na dat feestje vroeg in de ochtend naar een steegje aan de achterzijde van een bakkerij in de stad brengt waar poedersuiker dwarrelend als stuifmeel op haar gezicht terechtkomt en hij haar zoete lippen kan kussen.

Fincher visualiseert de beelden uit het boek zonder dat de magie van het lezen ervan verloren gaat. Sinds zijn films uit de jaren negentig, zoals Seven en Fight Club, is zijn stijl rustiger geworden. In Zodiac (2007), zijn fenomenale film over de jacht op een seriemoordenaar, maken de flitsende montage en de duistere steden waar het altijd regent plaats voor een setting en een vertelritme die ruimte voor satire bieden. Met Gone Girl schetst Fincher een visie op een wereld waarin kennis en waarheid irrelevant zijn. Want volledig vloeibaar, altijd ongrijpbaar. Het meisje is weg, omdat ze er in eerste instantie nooit was, behalve als samenraapsel van citaten en verwijzingen. Of ze terugkeert? Lees het boek. Ontdek de waarheid over Amy. Geloof de flaptekst. En ga dan naar deze ‘onweerstaanbare’ film.


Te zien vanaf 2 oktober