Het grote geheim

Kinderen van een andere wereld

‘Donorkinderen’ heten ze, de ongeveer 40.000 Nederlandse kinderen die tot het in 2004 verboden werd dankzij anonieme spermadonatie zijn geboren. Het grote geheim dat nog in veel families angstvallig in de doofpot wordt gehouden is bijna ingehaald door de tijd. De voor iedereen toegankelijke DNA-tests zijn de grote gamechanger.

Marilien met haar vader.

Of ze naar Amsterdam kon komen, vroeg haar moeder eind juli 2020. Er moest iets besproken worden. Iets wat zich niet leende voor over de telefoon. En ze moesten er per se met z’n vieren bij zijn: Marilien, haar broer, haar moeder en haar vader.

Dat was iets wat al dertig jaar niet meer was voorgevallen, met ‘het hele gezin’ – zoals dat nu eenmaal heet – in één ruimte. ‘Wat er ook verteld moest worden, het kon nooit zo erg zijn als dat, dacht ik. Met z’n vieren in één ruimte, dat hadden we al heel lang niet meer gedaan.’ Marilien (52) is altijd geestig geweest, haar broer Steven (50) ook.

Ze had een geldig excuus: corona, zeker als je, zoals Marilien, in Ierland werkt en woont met het gezin. Een tripje naar Amsterdam had voor haar twee weken quarantaine bij terugkomst betekend. Kon het echt niet over de telefoon? Nee, het kon echt niet over de telefoon, zei haar 83-jarige en nog zeer kwieke moeder, maar ze hoefde zich ook geen zorgen te maken. Het was geen ziekte, er ging voorlopig niemand dood. Het had te maken met de familiegeschiedenis. Wat zou dit eens kunnen zijn, vroegen Marilien en Steven zich af.

Hij zat net met het gezin en een club vrienden in Palafrugell aan de Costa Brava, een goedmakertje voor de wegens covid geannuleerde reis naar Cambodja en Vietnam. Druk telefonisch verkeer tussen de Ierse zuidkust en de Costa Brava volgde. De meest voor de hand liggende scenario’s waren volgens Marilien en Steven:

  1. Toch een opgedoken halfzus in Afrika, als aandenken aan de Afrikaanse studiereis van hun flamboyante vader van alweer 35 jaar geleden. Vooral Marilien had daar altijd rekening mee gehouden en verheugde zich er eigenlijk wel een beetje op.
  2. Iets duisters uit de Duitse familiegeschiedenis van moeders kant, Hamburg, Tweede Wereldoorlog, je weet maar nooit. Of, wat ook kon, ‘gewoon’ een moord uit het verleden ergens in de familie. Spannend.
  3. Eén van de twee, Marilien of Steven, was toch van andere ouders. Of misschien wel allebei. Dat was ook een gedachte die Marilien op de achtergrond altijd een beetje had gehad. Waarom precies was moeilijk te zeggen, het had iets te maken met de emotionele nonchalance die ze tijdens haar jeugd had gevoeld. Maar aan de andere kant: Mariliens gelijkenis met hun moeder was zo overduidelijk, Stevens gelijkenis met hun vader ook. Om maar helemaal niet te spreken van Stevens zoon, gewoon een kopie van zijn grootvader, als je de jeugdfoto’s erbij pakte.

Terwijl haar broer aan de Costa Brava het hele verhaal even parkeerde voor straks, als we weer terug zijn in Nederland, tastte Marilien telefonisch vanuit Ierland door naar het breekpunt van haar moeder. Dat lag vlakbij, dat voelde ze aan. Ineens zei Marilien: ‘Is pappa misschien niet mijn vader?’

Ja, dat was het.

Het grote geheim dat haar moeder vijfenvijftig jaar lang als een basaltblok met zich mee had gesleept was eruit. Marilien en Steven waren donorkinderen. Van een andere man dan hun belangrijke vader met zijn belangrijke familienaam dus. Van een onbekende zaaddonor. Nooit, nooit mocht het verteld worden aan de kinderen, en zeker ook nooit aan de buitenwereld. Dat was de mantra van haar leven.

–––

De Kunstmatige Inseminatie met Donorzaad, de KID-praktijk, bestaat sinds 1948 in Nederland, waarmee Nederland zeker niet in de voorhoede zat. In Amerika en andere landen bestond het al veel langer. Zaad kon in die jaren nog niet worden ingevroren, en moest zo vers mogelijk handmatig in de baarmoeder worden gespoten met een injectiespuitje, wat het tot een logistiek heel ingewikkelde procedure maakte.

Maar weinigen in Nederland wisten ervan in die pioniersjaren. Alleen wie het direct aanging, dat wil zeggen echtparen van wie de man onvruchtbaar was, en die door de NVSH werden gewezen op deze mogelijkheid, die zich afspeelde in praktijken aan huis, in villawijken met garagedeuren en tuindeuren achterom. De donor kwam zijn potje met zaad afleveren aan de achterdeur een half uur voordat de toekomstige moeder door de voordeur naar binnen stapte. En hij moest snel weer wegwezen door de tuin, want ze mochten elkaar beslist niet tegenkomen. Een Theater van de Lach-achtige regie waarbij de gynaecoloog optrad als de regisseur die de partijen aan voor- en achterkant gescheiden moest houden, want een ontmoeting zou ‘gevaarlijk’ zijn.

De kans bestond dat zo’n moeder toch ging fantaseren over de man die haar op afstand had bevrucht, de man die het wel kon, terwijl het de bedoeling was dat ze de transactie zo snel mogelijk zou vergeten en dat het kind volledig als het kind van zijn ‘wensouders’ zou opgroeien. Dat was beter voor iedereen: kind, ouders en donor. Gewoon meteen vergeten hoe het was gegaan en de rest van je leven dankbaar zijn voor wat je had gekregen.

Een discreet geboortekaartje naar de gynaecoloog gold als bewijs dat het was gelukt en verder contact was levenslang overbodig. Tenzij er nog een kind moest komen natuurlijk, maar dan was de procedure hetzelfde. Het was een ideologische, revolutionaire daad van gynaecologen die hun nek durfden uit te steken en daar ook risico mee liepen, zeker in de beginjaren.

Je vrouw laten bevruchten met het zaad van een andere man gold als echtelijke ontrouw in de na-oorlogse, nog grotendeels door de kerk bepaalde moraal van Nederland. Onvruchtbaarheid was een onbespreekbaar onderwerp, zeker als het de man gold. Het was iets heel ergs, een grote schande. Als je daar iets aan wilde doen, moest het zich in het diepste geheim afspelen en niemand mocht het ooit te weten komen.

–––

‘Je was zó afhankelijk van de arts, want als hij je niet wilde helpen, kreeg je geen kinderen. Dus je deed alles, alles, wat de arts ook zei. God, als ik nog denk aan die vernedering bij dokter Levie….’ Ze is er eigenlijk nog steeds boos over, de moeder van Marilien en Steven.

De Nederlandse pionier op het gebied van kunstmatige inseminatie dokter Leo Henri Levie was in die vroege jaren vijftig en zestig, samen met zijn collega’s Swaab en Kremer, het enige toevluchtsoord voor wanhopige ouders die geen kinderen konden krijgen. De ouders van Marilien en Steven waren in eerste instantie terecht gekomen bij Levie, maar hij stuurde ze weg.

De moeder: ‘Het was vreselijk, echt vreselijk. Wij hadden het wel aan onze ouders verteld, want het was een grote klap voor ons, dat we samen geen kinderen konden krijgen. Maar dat hadden we niet mogen doen van dokter Levie. Hij keek ons hoofdschuddend aan vanachter zijn bureau, als een bestraffende schoolmeester: “Hoe hebt u dát nou kunnen doen?” Daar bovenop kwam dat hij ons ook niet geschikt vond als ouders. Die conclusie had hij snel getrokken. Het feit dat mijn man op een gegeven moment tijdens het consult opstond en met een schuin hoofd de ruggen in zijn boekenkast ging staan bekijken, het feit dat ik mijn veel jongere broertje vroeger niet in bad had gedaan omdat mijn moeder zich dat pleziertje voor geen goud had laten afnemen: pats. Afgewezen als ouders. “En u kunt nu wel naar een collega van mij gaan, maar dan moet u zich toch eerst afvragen of u wel geschikte ouders bent.” Ik kon alleen maar huilen. En mijn man was woedend.’

De geheimhoudingsplicht was ook bij de praktijk van dokter Leo Swaab regel nummer één. Uiteraard verzwegen ze dit keer met bonzend hart dat ze het hun ouders hadden verteld, want Swaab was hun laatste kans. Het eerste kind liet lang op zich wachten, elf pogingen – elf maanden, voor het eindelijk lukte. ‘Dat deed hij zo goed, dokter Swaab. Ik lag daar voor de elfde keer, en ik was bang dat ik niet langer dan een jaar de kans zou krijgen. Stikzenuwachtig was ik: o god, als het nu niet lukt, dan stopt het, dan zullen wij nooit kinderen krijgen. Maar Swaab zei zo heel rustig en aardig “en als het nu niet lukt, dan gaan we toch nog even door” - en prompt lukte het. Ik heb altijd gedacht dat het kwam omdat ik toen eindelijk ontspande.’

Het eerste kind, een jongetje, stierf binnen een jaar aan een hersenvliesontsteking. Gruwelijk. En twee maanden later meldde ze zich alweer bij de praktijk aan huis van dokter Swaab, iets wat voor Marilien – die drie maanden later in de buik zat – één van de bewijzen is van de al eerder genoemde emotionele nonchalance die ze tijdens haar jeugd zo sterk heeft gevoeld. ‘Dan zit je toch nog helemaal in de rouw, je hebt net een kindje verloren, dan ben je toch nog helemaal niet toe aan een nieuwe baby!’ Daarom werd zij, denkt Marilien, ook nogal verstrooid ontvangen door haar ouders. Zij was een stoplap voor ander leed, maar natuurlijk nooit dat ene kind dat er niet meer is.

Onzin, zegt haar moeder. Natuurlijk was de rouw er ook. De reden dat ze meteen weer terug ging naar de praktijk aan de Velasquezstraat in Amsterdam-Zuid was eenvoudig omdat ze inmiddels toch al 31 was en van de vorige zwangerschap wist dat het lang kon duren. ‘We wilden het zo vreselijk graag, twee eigen kinderen, en naar Swaab gaan was voor mij inmiddels alsof ik de boodschappen ging doen. Ik had er geen emoties meer bij, ik was aan het ritueel gewend.’

Misschien dat het daarom zo prachtig snel ging dit keer, een jaar later was Marilien er al, en nog weer twee jaar later ook Steven. Het koningskoppel, een meisje en een jongen, kerngezond allebei, sportief, intelligent, sociaal en geestig. ‘Ik ben overigens altijd erg blij met jullie geweest, want jullie waren hele fijne kinderen, actief intelligent en gewoon heel prettig van karakter en erg prettig om je heen te hebben’, schrijft de ‘sociale vader’, de man van wie ze hun hele leven dachten dat hij hun vader was (87), in de brief die hij zwaar tegen zijn zin vorige zomer heeft moeten fabriceren. Want zijn ex-vrouw, de moeder van hun beider kinderen, had besloten de omertà die haar meer dan een halve eeuw was opgelegd op te heffen. En hij had nog maar één keus: meedoen of niet. De ban waarin ze zich al die jaren gevangen had gevoeld was doorbroken.

–––

Het kwam door een aflevering van Andere Tijden van april 2019 die ‘Verborgen vaders’ heet. ‘Toen ik na al die jaren weer de naam van dokter Swaab hoorde … ik dacht: dat kan niet!’ zegt de moeder van Marilien. ‘Mijn diepste geheim openbaar gemaakt! En dat het bestónd dat er donorkinderen waren die het al wisten! Ik zat daar met open mond voor het scherm: dit kán toch niet! Die uitzending heeft bij mij alles opengebroken. Toen pas besefte ik hoe geïndoctrineerd ik al die jaren ben geweest. Ik ben er zelfs voor in therapie gegaan.’

Het mag verwondering wekken dat een moeder van twee donorkinderen na alles wat er de afgelopen jaren te doen is geweest rond dit onderwerp nog zo van de bank kan vallen omdat haar ‘diepste geheim’ helemaal niet meer van haar blijkt te zijn. Toch weet in Nederland veruit het merendeel van de naar schatting veertigduizend donorkinderen nog van niets. Slechts een klein deel is op zoek, een nog veel kleiner deel heeft hun biologische vader gevonden – al dan niet na zijn dood. Dat betekent dat de meeste families nog in de ban van het grote geheim leven en wellicht van plan zijn dat te blijven doen.

De druk was enorm, die zowel de gynaecologen die toen god waren als de onvruchtbare echtgenoten als de dood voor hun reputatie wisten uit te oefenen. De vrouw mocht al lang blij zijn dat ze op deze manier toch nog haar eigen kinderen kon baren, maar dan verder ook niet zeuren en mondje dicht. Ze ‘kreeg’ het kind als het ware van al die mannen: van de gynaecoloog, van de zaaddonor, en van haar eigen man, die zich als een echte vader voor het kind gedroeg, of er in ieder geval zijn naam aan schonk. En als al die mannen vonden dat het beter was ‘voor iedereen’ dat het grote geheim nooit bekend zou worden gemaakt, dan hield je je daaraan, als vrouw.

Er was één gezichtspunt dat in het hele verhaal niet voorkwam: dat van het kind. De moeder van Marilien en Steven: ‘Dat besefte ik ook pas door die uitzending van Andere Tijden. Dat wij ouders, en de gynaecoloog, en de anonieme zaaddonor, ons een enorme macht toe-eigenen waar we helemaal geen recht op hebben. Wij mogen besluiten of het kind het ooit te weten komt of niet, nog steeds. En dat deugt niet.’

De Nederlandse maatschappij heeft al veel stappen richting de rechten van het kind gezet. Op 1 juni 2004 werd de Wet Donorgegevens Kunstmatige Bevruchting ingevoerd, waarmee Nederland zich schaarde in de kopgroep van landen die anonieme zaaddonatie verbieden, zoals Zweden, Australië en Zwitserland. Na 2004 zijn er nog veel meer landen bij gekomen, zoals Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Engeland, Ierland en Duitsland. De Nederlandse wet is er een met terugwerkende kracht en geeft iedereen wettelijk recht op informatie omtrent zijn biologische afstamming. Het is de meest complete wet ter wereld op dit gebied. Ieder kind dat onder de zware geheimhoudingsplicht van de vruchtbaarheidspioniers is geboren kan sinds 2004 alsnog de gegevens van zijn biologische verwekker opvragen.

En als die niet meer bestaan, omdat bijvoorbeeld het hele donorarchief is verbrand – zoals dokter Swaab heeft gedaan bij het sluiten van zijn praktijk in 1980 - dan zijn de al dan niet commerciële DNA-banken de laatste jaren voor zo’n beetje iedereen toegankelijk. Voor een paar tientjes kun je je DNA insturen en de kans is behoorlijk groot dat je eerder of later op een DNA-match stuit die uiteindelijk leidt naar de hoofdprijs: wie is mijn biologische vader?

Niet dat dat een fijne manier is om erachter te komen, want het gaat er natuurlijk om dat niemand het recht heeft om zijn kinderen te laten opgroeien in zijn eigen Truman Show. Weten wie je vader en je moeder zijn is een mensenrecht, misschien wel het eerste en het belangrijkste. Het is het recht dat niemand zich laat ontnemen, zie al die programma’s waarin geadopteerde, ondergeschoven, uit het buitenland meegesmokkelde kinderen het alsnog opeisen.

Heel wat zaaddonoren uit die pioniersjaren zijn inmiddels overleden, en wie er nog wel is, nadert de tachtig of ouder. Het is dus opschieten geblazen, maar donorkind zijn uit de pioniersjaren vijftig en zestig lijkt ook een heel groot voordeel te hebben. Omdat het toen allemaal nog niet zo vercommercialiseerd was, omdat de donoren persoonlijk gekozen werden door de artsen uit hun eigen kring of praktijk, waren het vaak mannen die hun eigen leven en gezin al op de rails hadden en dit deden uit ideologische overtuiging met instemming van hun vrouw. De geheimhoudingsplicht kwam iedereen wellicht best goed uit, maar met de voortschrijdende inzichten omtrent nurture en nature lijken deze mannen en hun families ook goed te kunnen omgaan.

–––

Marilien is inmiddels juichend onthaald door de uitgewalste donorfamilie van Sietse, haar biologische vader, die helaas in 2007 is overleden. Vijftien halfbroers en -zussen bleken haar met open armen op te wachten, inclusief de twee zoons van Sietse en zijn weduwe Ank. Die zoons konden geboren worden dankzij de hulp van dokter Swaab, want bij haar ging het niet helemaal vanzelf. Uit dankbaarheid, zou je kunnen zeggen, hebben ze toen volmondig ‘ja’ gezegd op Swaabs verzoek of Sietse donor wilde zijn. Natuurlijk. Wat je zelf hebt gekregen, gun je ook een ander.

De vorige week overleden weduwe vond het geweldig dat ze nu, tien jaar na zijn dood, nog al deze ‘nieuwe kinderen’ erbij kreeg. Ze had het natuurlijk nooit verwacht, maar de voortrazende ontwikkelingen op het gebied van DNA-testen maken alle voorheen gemaakte afspraken en geheimhoudingsplichten achterhaald. Des te leuker, vond zijn 85-jarige weduwe: ‘Ontzettend jammer voor Sietse, want wat had hij dit een avontuur gevonden’, zegt ze op de audioregistratie van de eerste ontmoeting met de ‘halfjes’ en zijn ‘echte’ familie. Een vrolijke lentedag in een strandtent in Castricum van twee jaar geleden, toen niemand nog van corona had gehoord.

En net zo welkom bleek Steven in september vorig jaar te zijn bij zijn biologische vader Pim, die nog leeft. Op aandringen van zijn drie dochters had Pim (84) een jaar of wat geleden zijn DNA-profiel opgestuurd naar de databank van de Fiom-KID, die in 2010 is opgericht door de Nederlandse staat om donorkinderen en vaders (sperma) of moeders (eicel) met elkaar in contact te brengen. Misschien was er wel een kind naar hem op zoek, dachten Pim en zijn dochters.

Hij moest er wat jaren op wachten, maar ineens was daar Steven, tot Pims verbijstering een zoon, en mijn god wat lijkt hij! De foto’s van de Pim van toen op de leeftijd van Steven van nu maken alle onmogelijke gelijkenissen die vijf decennia lang door onwetende familieleden enthousiast op oude jeugdfoto’s van vaders kant zijn aangewezen tot een lachertje.

Het is voor Steven zelfs een beetje overweldigend, de warmte waarmee hij door Pim als de verloren zoon wordt binnengehaald, maar dat is een luxeprobleem. Welkom zijn bij van wie je vandaan komt, het is het belangrijkste voor een mens dat er is. Voor ieder mens.

–––

De al dan niet anonieme zaaddonoren van de jaren zeventig, tachtig en negentig, toen het-recht-op-een-kind-voor-iedereen vercommercialiseerd werd, lijken zich dat veel minder of niet te beseffen. Zoals de donorvader van Maria (22), het meisje dat in januari de eerste rechtszaak in Nederland heeft aangespannen om de identiteit van haar biologische vader op te eisen van het Rijnstate Ziekenhuis in Arnhem. Daar weten ze precies wie hij is, donor K34, die ‘actief’ was tussen 1993 en 2000, en die een veel te groot aantal nazaten heeft voortgebracht, waarschijnlijk rond de 57, ook toen al streng verboden bij de wet, want het is genetisch spelen met vuur.

Maar donor K34 wilde bij nader inzien toch liever een ‘A’-donor zijn, ‘A’ van Anoniem, terwijl hij destijds, bij de inseminering van Maria’s alleenstaande moeder in 1998, had gekozen voor het ‘B’-model, B van ‘Bekend’, zodat Maria zijn identiteit op haar zestiende te weten had mogen komen. Het breekt je hart, hoe Maria haar best doet om haar onbekende vader via de media gerust te stellen. K34 hoeft ‘echt niet bang te zijn dat ik wil aanschuiven aan het avondeten’, zei ze in De Volkskrant, en ook is ze ‘bereid in te stemmen met een contactverbod’, zei ze in Op1. Een contactverbod! Het arme kind. Alsof je een zwerfhond bent die op het matje bij de achterdeur buiten wacht op een bot.

Dit waren ook de woorden van Marilien na de Zoompresentatie van het boek De familie Wachtman, dat gaat over anoniem zaaddonorschap versus kinderen op zoek naar hun identiteit. ‘Ik voel me gewoon vies’, huilde ze aan de telefoon direct na de Zoompresentatie, eind januari. Marilien is niet snel in tranen, om niet te zeggen nooit. Maar deze manier van het verhaal vertellen dat zij net op kousenvoeten zelf aan het ontdekken is, deed haar pijn.

Advocaat Christiaan Alberdingk Thijm, tevens schrijver van het boek, tevens moderator van Zoomdebat voor de promotie van zijn eigen boek, had er inderdaad meer een pleidooi dan een gesprek van gemaakt. De ook aanwezige donorkinderen op het Zoomscherm kwamen nauwelijks aan het woord, een Belgische expert die het recht op anonimiteit van de zaaddonor als de totem van ons aller vrijheid ziet daarentegen veel te lang. De toon was kribbig en hautain, net als die van het boek. Hoe durven ze, die donorkinderen, om de man te willen kennen die alleen maar zijn ‘kwakje’ (het staat er zo) heeft afgestaan.

‘Ik schenk leven, geen relatie’, aldus de parmantige zaaddonor Wachtman, en ‘met een kind wil ik absoluut geen contact’. Een exemplarische juridische probleemstelling, die anonieme zaaddonor Wachtman, maar wat een akelige manier om een verhaal dat zoveel mensen aangaat en zoveel nuances kent te vertellen. Alsof het bodysnatchers uit het heelal zijn, die kinderen, stekjes die ’s nachts stiekem op je hoofdkussen landen en jouw vorm aannemen.

–––

De kwestie Jan Karbaat, de gynaecoloog uit Barendrecht met de grootste zaaddonorkliniek van Nederland waar hij in de jaren tachtig en negentig zelf ongevraagd de grootste donor van bleek te zijn, is zo’n spectaculair verhaal dat het op zich staat. De teller staat tot nog toe op rond de zeventig Karbaat-nazaten, met allemaal diezelfde voortanden. Het zaad van Karbaat – wie zou de verleiding hebben weerstaan? – heet de prijswinnende korte documentaire uit 2018 waar de jonge maakster Miriam Guttman inmiddels een driedelige serie van heeft gemaakt.

Het is ook zeker heel mooi gedaan, die moeders die nu, inmiddels 35 jaar later, weer op die bankjes in zo’n statige gang van een ouderwetse praktijk-aan-huis zitten te wachten, met alleen het geluid van zo’n tikkende hangklok. Zoals ook het idee om dat hele volk, de vele nazaten van Karbaat, samen met de bedrogen moeders, in diezelfde schemerige, ouderwetse hal als een soort zwijgend terracottaleger verontwaardigd te laten opkijken naar de camera. De stille aanklacht, al die gezichten, al diezelfde tanden, het is een prachtig, macaber beeld.

Maar dat is ook tegelijkertijd het gevaar. Door het zo te stileren maak je er een soort Crime Scene Investigation van, terwijl, het zijn mensen, individuen, die er allemaal op hun eigen manier mee moeten dealen. Sommigen zijn trouwens ook nog wel trots op hun biologische vader, de meesten herkennen zichzelf in zijn ambitie, werklust en analytische talent. Wie zou het leuk vinden om als ‘zaad van Karbaat’ te worden weggezet? Kinderen van, eventueel.

Kinderen van een andere wereld, zoals de moeder van Marilien en Steven zo mooi zegt: ‘Als ik dieper in mezelf graaf, is het ook zo dat ik wel voelde dat ze allebei, zowel Marilien als Steven, van een andere wereld kwamen. En dat we allebei eigenlijk tekort schoten in wat wij konden bieden. Ik voelde dat er meer vraag bij ze zat, in hun karakters en in hun ontwikkeling, dan waar wij met z’n tweeën een antwoord op hadden. Dat is waar ik zo blij om ben: die duistere kant, die andere wereld, is nu ontsloten, er is licht binnen gekomen.’


Correctie 16-03-2021: Wet Donorgegevens Kunstmatige Bevruchting

De Wet Donorgegevens Kunstmatige Bevruchting (WDKB) geeft alle donorkinderen het recht om de gegevens van hun donorvader op te vragen. Maar voor donorkinderen geboren vóór 2004 zit er een duivelse clausule in de wet. In artikel 12 van de WDKB wordt bepaald dat de donor altijd om zijn instemming moet worden gevraagd voordat de kliniek of het ziekenhuis zijn gegevens kan verstrekken aan het donorkind. De facto betekent dit dat donoren die zichzelf in de jaren vóór 2004 als ‘B’ (‘Bekend’) hadden laten registreren, alsnog kunnen kiezen voor ‘A’ (‘Anoniem’). Over deze beloftebrekers gaan de huidige rechtszaken van het donormeisje Maria (22) en nog een aantal andere donorkinderen. De uitspraak in de zaak Maria versus het Arnhemse Rijnstate Ziekenhuis wordt binnenkort verwacht. Als het Rijnstate Ziekenhuis de identiteit van spermadonor K34 inderdaad moet prijsgeven, zou het een doorbraak zijn voor alle nog naar hun biologische herkomst zoekende donorkinderen.