Toneel

«Kinderen van een ijdel brein»

Toneel: ‹Romeo en Julia› door Toneelgroep Amsterdam

De vraag van de interviewster aan de hoofdrolspeler over de eeuwige magie van de Zwaan van Avon: waarom is die Shakespeare toch zo goed? Antwoord van de hoofdrol speler: «Omdat hij macro weet terug te brengen tot micro, zonder een steek te laten vallen. En weet je waarom hij geen steek laat vallen? Omdat hij geen oordeel velt. Hij laat het beoordelen van de situatie over aan ons. Hij gaat zitten en zegt: zo is het gegaan, zie maar wat je ermee doet.» Aan het woord is Pierre Bokma, Romeo in de nieuwste versie van Romeo en Julia, regie: Ola Mafaalani.

Als William Shakespeare ergens in 1595 Romeo and Juliet schrijft is hij begin dertig, auteur van enkele kaskrakers op het Londense toneel, publiekslieveling en talk of the town. Er zijn al vinnige pamfletten tegen hem verspreid, de censor heeft net zijn koningsdrama Richard II verboden, vanwege de troonsafstand van een levend monarch in het vierde bedrijf. Koningin Elisabeth I heeft, naar verluidt, de censor dit verbod ingefluisterd. Shakespeares voornaamste rivaal in het toneelschrijven, Christopher Marlowe, is onlangs vermoord. Er zijn massa-executies van katholieke priesters, er is een hongeroproer in Londen. Shakespeare wordt in 1595 grootaandeelhouder van zijn toneelgezelschap en zijn theaterhuis, The Theatre, in Noord-Londen. Zijn concurrenten bouwen een van de eerste theaters aan de zuidoever van de Theems. En Shakespeare werkt aan Midsummernight’s Dream. Ook over de liefde.

Verliefdheid, de liefde; het zijn rare fenomenen bij Shakespeare. De minnaars in zijn erotische droom van een midzomernacht laten zich in een bos flink drogeren en wippen vervolgens in hun natte nachtmerries moeiteloos van de ene geliefde naar de andere: verliefdheden zijn immers inwisselbaar. Als hertogin Olivia in Twelth Night or What You Will erachter komt dat ze vier bedrijven lang hopeloos verliefd is geweest op de als androgyne jongen verklede Viola, grijpt ze zonder met haar ogen te knipperen Viola’s tweelingbroer Sebastiaan. Met welke buitenkant heeft ze dan al die tijd lopen zwijmelen? Romeo Montecchi dwaalt in het eerste bedrijf van Romeo and Juliet melancholisch en lovesick door de stegen van Verona, met in zijn hoofd en hart de onbereikbare Rosalina. Wanneer hij is beland op het gemaskerde bal van de Capuletti, de erfvijanden van zijn familie, en daar Julia voor het eerst ziet, verdampt zijn liefde voor Rosalina als ether op een schaaltje. Hij vergeet de levensbedreigende vendetta om hem heen en koerst blind op de liefde van zijn leven. Tot de dood erop volgt. Shakespeares schijn gestalten van verliefdheid tarten altijd de grenzen van het onmogelijke in de liefde.

Ola Mafaalani (1968) is geboren in Syrië, groeide op en studeerde in Duitsland, studeerde af in Nederland en is hier sinds 1994 werkzaam als freelance regisseur. Haar liefde voor Shakespeare is van een onontkoombare ruigheid. Met als plezierige bijkomstigheid dat ze niet tegen de vaak als Himalaya-onder-de-toneelschrijvers weggezette Engelse bard opziet. Ze gaat met hem om als gelijke. Hij is een partner, geen heilige. Mafaalani’s Macbeth (Koninklijke Vlaamse Schouwburg, Brussel, 2000, uitgenodigd voor het Theaterfestival), werd brutaal verbouwd naar een disco en hield in die omgeving rauw stand, inclusief de uitnodiging aan het publiek om de Schotse antiheld in de slotfase met onrijpe tomaten dood te kogelen. De koopman van Venetië (Toneelgroep Amsterdam, 2002) werd geregisseerd onder het adagium «alles is handel». In Keulen ensceneerde ze vorig jaar Othello in de entou rage van een kroeg, die vanaf het derde bedrijf door gestage hoosbuien in een zwembad veranderde. Tijdens de Keulse repetitieweken bezocht ze een Argentijnse tango salon. Daar ontdekte ze de sleutel tot de Romeo and Juliet die ze nu bij Toneelgroep Amsterdam heeft gemaakt. Sleutelwoorden: obsessie, hunkering, onmogelijke liefde. Mafaalani in een interview: «De blikken die de tangodansers in hun ogen hebben, dat heeft iets van een orgasme.» Een even betwistbare als fascinerende observatie.

De ruimte en het licht voor deze Romeo en Julia (ontwerp: André Joosten en Ko van den Bosch) ogen van meet af aan desolaat; zoals de tangosalons die ik in Duitsland (vooral in Berlijn) heb gezien desolaat ogen. Alsof de schoonheid van de Argentijnse tango het best kan worden geserveerd in een omgeving die uitnodigt tot een manische depressie, Shakespeares melancholy. Hier zien we lelijke lampenkappen, op ongelijke hoogte opgehangen, zwarte gordijnen tegen de achterwand, later ruw weggescheurd. Dan zien we witte banen papier, waarlangs in het tweede deel van de voorstelling slierten zwarte verf naar beneden druppelen. Er is wat warrig geplaatst meubilair. Achterin bereidt Hans Kesting (als Frater Lorenzo, de vertrouweling van beide gelieven) in een soort keukentje griezelig gekleurde drankjes waar een hoop stoom uit komt. Voor op het speelvlak zit bandoneonspeler Martin de Ruiter, met zonnebril en (als alle mannen) gekleed in stemmig zwart.

De eerste teksten zijn voor Pierre Bokma’s Romeo. Hij mijmert over de pijn van de liefde. De zinnen gaan over Rosalina, maar preluderen op de eerste ontmoeting met Julia. Tijdens de voorstelling die ik zag ging na een paar zinnen op rij 3 een mobiele telefoon af, die klonk als een tango — ik dacht een moment dat het erbij hoorde. Toen de eigenaar beschaamd wegholde, baste Bokma hem na: «Zeker Julia aan de lijn.» En schakelde vervolgens ogenschijnlijk moeiteloos door naar Romeo’s melancholie. Het was een tekenend incident. Deze hele Romeo en Julia is Romeo’s monodrama, het lijkt zich af te spelen in het getergde hoofd van Romeo Montecchi, die zichzelf wezenlijke vragen stelt over de houdbaarheid van de liefde. Deze Romeo springt in en uit zijn eigen binnenwereld. Uiteindelijk bestaat het universum van Romeo nog maar uit één zielsverwant: Julia. De voorstelling vertelt het verhaal over de waanzin van die eenkennigheid: je kunt dat wel wíllen, Romeo Mon tecchi, maar het zal niet lukken, want de maatschappelijke verhoudingen waaronder je leeft zijn er niet naar!

Zijn boezemvriend Mercutio (een prachtrol van Bart Klever) waarschuwt Romeo door middel van een schorre, aanstekelijk uitgevoerde rapsong voor de waan van zijn dromen. Romeo droomde dat hem iets fataals boven het hoofd hangt. Mercutio wimpelt die dromen weg: «De kinderen van een ijdel brein zijn ze/ Verwekt uit niets dan vale fantasie/ Die ijl is en gewichtloos als de lucht/ En grilliger dan wind, die nu eens naar/ De kille boezem van het noorden dingt/ Om dan, snel gepikeerd, met volle zeilen/ Het dauw-druppelend zuiden op te zoeken.» Dit is Mercutio’s monoloog (eerste bedrijf, vierde scène), over de funeste werking van Queen Mab, de vroedvrouw van de elfen, de droomkoningin. Mafaalani laat Queen Mab woordloos over het speelvlak zwerven. Zo althans heb ik naar Adelheid Roosen gekeken, die in het programma staat aangeduid als het nooit door Shakespeare geschreven personage «engel». Met twee enorme vleugels in de hand, en gekleed in een lelijk lichtblauwe Juliana-mantel uit de jaren vijftig, bekijkt ze de handeling met een voorzienige blik. Tijdens de eerste ontmoeting van Romeo en Julia zit ze op de rand van het podium, plukt twee veren vrijwel volledig kaal en huilt stil voor zich uit.

De inzet van de Argentijnse tango heeft in deze enscenering een verbluffende uitwerking. Julia (Christiane Palha) spreekt nauwelijks (de spaarzame keren dat ze het probeert, wordt ze heel zoet door Bokma’s Romeo gecorrigeerd en geholpen). Deze Julia spreekt in dans, en haar dans is van een oogverblindende schoonheid. In de eerste ontmoeting betovert Julia haar gedoodverfde minnaar door de zinderende hitte van de tango. Als ze zweeft over het podium is ieder woord overbodig. Als ze zwijgt krijgt de tekst alle ruimte. De beroemde balkonscène uit het stuk en de al even bekende afscheids scène na de eerste (tevens laatste) liefdesnacht van Romeo en Julia zijn hier in elkaar geschoven, omgebouwd tot een monologue intérieur van Romeo. Terwijl Bokma in het halfduister aan de rand van het podium ligt, en met een licht weerkaatsend spiegeltje één voor één de toeschouwers lijkt op te zoeken, spreekt hij niet alleen zijn eigen teksten, maar ook die van Julia. Herinneringen aan een liefde die levensbedreigend is, maar waarvan nog geen afscheid kan worden genomen. Hier doen Shakespeare en Bokma hun troostende werk. Maar laat er geen misverstand over bestaan, deze voorstelling is geen tangoperformance in een Pierre Bokma-one-man-show. Het flitsende bewegingsspel van de dansers heeft zijn heilzame werking op de acteurs.

Dat is fraai te zien in het duel tussen Tebaldo (Julia’s macho-neef) en Mercutio, waarin Romeo fataal tussenbeide komt, Mercutio per ongeluk dodelijk wordt geraakt en Romeo de moordenaar wordt van Tebaldo. Dit duel is een tango van professionals (Enrique en Guillermo Insfran de Fazio als dubbele Tebaldo) met tangoamateurs (de acteurs Bokma en Klever). Mercutio wordt in slowmotion geschampt door de schoen van een tangodanser. Hij sterft terwijl niemand het in de gaten lijkt te hebben: «Vervloekt jullie families/ Ze maakten voedsel voor de wormen van me/ ’t Was raak. Niet zuinig ook.» Tijdens die tekst begint Mercutio (de acteur Bart Klever) te fladderen, als de op een Amsterdamse gracht door een auto geschepte duif. Zelden zo’n mooie sterfscène gezien. Daarna danst Bokma’s Romeo met de dubbele Tebaldo naar een fatale verwurging. Die twee Tebaldo’s laten vervolgens in een onwaarschijnlijk mooie tango zien dat Mafaalani’s observatie van het orgasme in de ogen van Argentijnse tangodansers ook een blik is met het sterven in de ogen. Ze dansen zichzelf dood. Ik wist niet meer waar ik kijken moest.

Het laatste half uur van de voorstelling is rommelig. Met dank aan Shakespeares warrige dramaturgie, overvol van over elkaar heen buitelende misverstanden. Adelheid Roosens Queen Mab doet uiteindelijk haar verwoestende werk. Ik verklap hier niet hóe, het is een forse ingreep in Shakespeares vertelling. Maar ook een consequente keuze binnen de manier waarop regisseur Ola Mafaalani Romeo en Julia heeft willen maken. Daar is weinig op af te dingen. De acteurs zullen de problemen met de verstaanbaarheid (met name in het tweede deel van de voorstelling) in de loop van de tournee wel oplossen. De engel van Adelheid Roosen mag wat mij betreft wat minder zwerven en zwalken, wat vaker stilstaan, kijken.

Zestien jaar geleden maakte Dirk Tanghe een legendarische voorstelling van Romeo en Julia bij de Koninklijke Vlaamse Schouwburg in Brussel — een wonderlijke chemie tussen een troep jonge amateurs en enkele professionele acteurs, een mijlpaal in de opvoeringsgeschiedenis van dit prille Shakespeare-stuk. Ola Mafaalani, de spelers van Toneelgroep Amsterdam en de choreografie van Ernesto Candal en Los Hermanos Macana, schrijven met hun keelsnoerende versie opnieuw theatergeschiedenis. Harder, rauwer, even betoverend. Inclusief het bijna utopische perspectief aan het slot, waarin — na het liefhebben en sterven in het aardse tranendal — aan gene zijde in ieder geval nog de tango kan worden gedanst. In een omgeving die overigens net zo desolaat oogt.

Uit de grond van mijn toneelhart: mis dit niet, ga kijken!

Tot en met 15 mei in Nederland en Vlaanderen. Info: www.toneelgroepamsterdam.nl