Twintigers van vandaag

Kinderen van Lubbers

In de jaren tachtig werd collectief idealisme ingeruild voor individualistisch pragmatisme. De generatie die toen geboren werd – onze generatie – lijkt goed te kunnen leven met dit eighties-DNA. Toch bezwijken steeds meer twintigers onder de druk van een heilig moeten.

Met enig gevoel voor dramatiek zou je kunnen zeggen dat een nieuwe ‘verloren generatie’ haar opwachting maakt. De jeugdwerkloosheid is opgelopen tot 15,5 procent. Vooral mbo’ers vinden moeilijk een baan, maar ook academici kunnen na hun buluitreiking steeds vaker rechtstreeks door naar de sociale dienst. Het zijn geen Spaanse toestanden, maar net als aan het begin van de jaren tachtig hebben wij jongeren weinig perspectief op een vaste baan op niveau of een eigen huis. Bovendien biedt de overheid steeds minder vluchtwegen.

Desondanks zijn woede of zwartgalligheid bij ons ver te zoeken. Het doemdenken van de jaren tachtig heeft plaatsgemaakt voor geduld en protest is vervangen door gelatenheid. ‘Het komt allemaal wel goed’, lijken veel twintigers te denken. Vijftig tinten zorgeloosheid. Crisis en werkloosheid zijn geen ideologisch beladen conflictstof maar problemen die moeten worden gemanaged. En dat doet ieder voor zich.

Met deze houding lijkt onze generatie twintigers het product van ontwikkelingen die al in de jaren tachtig werden ingezet. Ontzuiling mondde uit in individualisme, de overheid deed een stap terug ten faveure van de vrije markt en eigen verantwoordelijkheid, en presteren werd belangrijker dan samen delen. Wim Kok, de vleesgeworden jaren negentig, mag dan de man zijn die ons in politiek opzicht heeft grootgebracht, maar is Ruud Lubbers, de man die regeerde toen wij geboren werden, niet eigenlijk onze biologische vader, de verwekker die haast ongemerkt uit ons leven verdween?

Rudolphus Franciscus Marie Lubbers gaf van 4 november 1982 tot 22 augustus 1994 leiding aan drie achtereenvolgende kabinetten. Maar de langst zittende minister-president in de vaderlandse historie kreeg nog geen echte biografie en in de publieke herinnering – zeker in die van de jeugd – dreigt hij te verworden tot een voetnoot bij de geschiedenis.

Toch onderging Nederland onder Lubbers een aantal fundamentele gedaanteveranderingen die tot op de dag van vandaag doorwerken, betoogt historicus Jouke Turpijn in zijn boek 80’s dilemma (2011). De jaren zestig en zeventig waren het toonbeeld van emancipatie, democratisering en collectief idealisme. Het geloof dat politiek het verschil kon maken was groot. Tot de jaren tachtig. In de nasleep van de oliecrisis van 1979 rezen het overheidstekort en de jeugdwerkloosheid de pan uit. In 1983 zou die laatste oplopen tot 17,3 procent, een historisch dieptepunt.

‘De politiek kon en wilde niet langer alles oplossen’, zegt Turpijn in zijn werkkamer op de Universiteit van Amsterdam. ‘Neem de protesten tegen jeugdwerkloosheid. Lubbers kwam en zei: “Ik vind het heel erg.” Punt. Einde verhaal.’ Gesinnung, idealistische vergezichten, maakte plaats voor Verantwortung, pragmatische afwegingen – een begrippenpaar dat Turpijn leent van socioloog Max Weber. Grote verhalen werden ingeruild voor no nonsense en nieuwe zakelijkheid. Lubbers presenteerde zich als ‘de manager van BV Nederland’. Premier zijn was volgens zijn bekende campagneslogan ‘een karwei’ dat moest worden afgemaakt.

Deze politieke koerswijziging ging hand in hand met een mentaliteitsverandering in de samenleving, stelt Turpijn. Mensen keerden zich steeds meer af van het collectief – het Leitmotiv van engagement in de jaren zeventig. ‘Samen voor ons eigen’, zo verwoordden Jacobse en Van Es van de in 1980 opgerichte Tegenpartij de metamorfose.

Turpijn noemt het de ‘Veronica-mentaliteit’: ‘Zelfontplooiing werd heilig verklaard. Je kon nog steeds alles veranderen. Maar alleen in je eigen leven, niet in dat van de buurman.’ Daar kwam steeds meer ruimte voor toen de welvaart eind jaren tachtig weer begon toe te nemen. Het hedonisme dat vaak als typisch jaren negentig wordt beschouwd, begon aan een opmars. Geen gezeik, iedereen rijk: er mocht worden genoten en geleefd. Die ontwikkeling is volgens Turpijn doorgezet: ‘Neem dat Project X in Haren. Die jongeren wilden iets meemaken, ontsnappen aan de grauwheid, net als in de jaren tachtig. Maar mijn studenten zaten niet in het Occupy-kamp op het Beursplein. Zij voelen zich niet vertegenwoordigd door die demonstranten. Idealen zijn individueel geworden, iets wat je kunt kopen door lid te worden van Greenpeace, kunt uiten door fairtrade koffie te drinken of bij elkaar kunt klikken en liken via social media.’

Het klinkt allemaal wel erg vrijblijvend. De etiketten die onze generatie tot dusver kreeg opgeplakt waren dan ook weinig vleiend. ‘Generatie Ik’ zou vooral met zichzelf bezig zijn. Onderzoeksbureau Motivaction maakte het nog bonter met de ‘Grenzeloze generatie’: escapistisch, consumentistisch en vol van zichzelf. Alles kan en alles mag. Het bijhorende boek staat vol foto’s van losgeslagen en tongzoenende jeugd. Het laatste hoofdstuk speculeert over ‘oplossingsrichtingen’ voor ‘mentaliteitsveranderingen’.

Dergelijke onbeholpen generalisaties tonen de beperking van generatieve benaderingen. Ze hebben de neiging een karikatuur te maken van een leeftijdscohort. Een karikatuur bovendien die bijna nooit vrij is van rosy retrospection. Maar dat vroeger alles beter was, was vroeger ook al zo. Plato meende vijf eeuwen voor Christus al dat de jeugd wel erg los van zeden raakte.

Jouke Turpijn zegt liever iets aardigs over zijn studenten. Het doemdenken, het zwelgen in eigen treurnis, is er ondanks de jeugdwerkloosheid niet meer bij. ‘Studenten zitten niet in zak en as. En terecht, want hoe verloren was die “verloren generatie” nu eigenlijk? Toen de economie eind jaren tachtig weer aantrok, kwamen de meesten gewoon aan de bak.’ Die kans acht hij ook nu groot. ‘Studenten weten dat. Ze zijn pragmatisch, komen bij mij om van een 7,8 een 7,9 te maken, hebben twee baantjes naast hun studie. Ultiem no nonsense. Wat dat betreft zijn het echt kinderen van Lubbers. Ze hebben veel in hun mars. Maar het verhaal ontbreekt nog.’

Naast de opkomst van het pragmatisme en de afkeer van het collectief voltrok zich in de jaren tachtig een andere omwenteling die pas voor ons echt voelbaar is geworden. De overheid deed een stap terug uit het publieke domein. Het is onmiskenbaar de ironie van de vergelijking tussen de huidige crisis en die van de jaren tachtig. Terwijl de staat nu moet ingrijpen om de schade van een ontketende vrije markt te beperken, werd toen juist de vrije markt als de remedie beschouwd tegen alle overheidskwalen: paternalisme, logheid en inefficiëntie. De woorden van Ronald Reagan indachtig: de overheid was niet de oplossing maar het probleem.

Toch liep het toen zo’n vaart nog niet met die terugtredende overheid. Dertig jaar geleden konden jongeren zonder perspectief op een baan nog jaren onderduiken in het hoger onderwijs. En in geval van werkloosheid kon je je melden bij de sociale dienst om met een gemakkelijk verkregen bijstandsuitkering te wachten op betere tijden. Die luxe is er nu niet meer bij. Studeren doen we als het aan de overheid ligt maximaal vijf jaar en op basis van een prestatiebeurs. En ook een jaartje op adem komen met een uitkering zit er niet meer in. De geluksmachine is echt uit gezet. In zekere zin door de uitwassen van de jaren tachtig. De verzorgingsstaat dreigde door economische stagnatie en oplopende werkloosheid onhoudbaar te worden. Bovendien erodeerde het systeem door misbruik van binnenuit. ‘Nederland is ziek’, zei Lubbers in 1990 over de 881.000 geloosde wao’ers. Saneren was het devies. De toegang tot sociale zekerheid werd beperkt en regelingen werden versoberd.

Ook deze koerswijziging lijkt zich in onze geesten te hebben genesteld. Terwijl de Marcel van Dams van deze wereld te hoop lopen tegen ‘de afbraak van de verzorgingsstaat’ wordt de in de jaren tachtig ingezette versobering namelijk door veel mensen gesteund. Dat zegt sociologe Judith Raven, die in 2012 promoveerde op een proefschrift over de legitimiteit van de verzorgingsstaat: ‘Doorgaans wordt gedacht dat steun voor de verzorgingsstaat ingegeven wordt door eigenbelang. Maar uit mijn onderzoek blijkt dat de publieke opinie vaak het ingezette beleid volgt.’

Dat geldt zeker voor jongeren, zegt Raven: ‘Ze zijn geen groot voorstander van her­verdeling, terwijl zij economisch juist kwetsbaar zijn. Ze hebben vaak nog geen vaste baan en weinig recht op WW opgebouwd.’ Jongeren staan ook positief tegenover striktere regels, strengere straffen en hogere eisen. Volgens Raven komt dit doordat de jongere generatie economisch gezien individualistisch is: ‘Rechten op sociale zekerheid moet je verdienen. Gelijkheid is voor hen niet zo’n belangrijke waarde meer. Laissez faire, de vrije hand aan de markt, past hen beter. Terwijl dat zeker in crisistijd niet in hun eigen belang is.’

Het beeld dat vertrouwen in de markt jongeren met de paplepel is ingegoten, komt ook naar voren uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Zo staan ze positiever tegenover privatisering en verzelfstandiging – beleid dat onder Lubbers is ingezet. De overheid moest opnieuw worden uitgevonden, en gerund worden als een bedrijf. Burgers werden steeds vaker aangesproken als consumenten die wat te kiezen moesten hebben. Iedereen werd steeds meer als een individu beschouwd, met eigen voorkeuren.

Deze neoliberale bekering heeft niet alleen gevolgen gehad voor de inrichting van de samenleving, meent Paul Verhaeghe, hoogleraar klinische psychologie aan de Universiteit Gent. Omdat het maatschappelijk klimaat als een spiegel fungeert, heeft het ook grote impact op ons zelfbeeld, stelt hij in zijn boek Identiteit (2012).

Een zeer negatieve impact, licht Verhaeghe in een gesprek op zijn werkkamer aan de Gentse universiteit toe. Het mensbeeld van rationele en egoïstische individuen ontketende een ‘survival of the fittest’. ‘There is no such thing as society. There are only individual men and women and people must look for themselves first’, zei Margaret Thatcher in 1987. Materieel succes werd de norm, de ander een concurrent en eigen verantwoordelijkheid het motto. En als presteren je eigen verdienste is, is falen je eigen schuld. Verhaeghe: ‘Veel mensen krijgen een burn-out. Niet omdat ze te hard moeten werken, maar omdat ze niet aan de succesnorm kunnen voldoen.’

Vooral jongeren worstelen volgens Verhaeghe met permanente beoordeling. ‘Ze leven in een _Big Brother-_maatschappij. Facebook, Twitter en LinkedIn maken alles zichtbaar. Je kunt heel snel stijgen en heel snel vallen. Je moet continu op de juiste trede staan, liefst zelfs eentje hoger. Je mag niet toegeven dat je ongelukkig bent. Dat is verdomd lastig.’ De prestatiedrang maakt dat we slecht voor onszelf zorgen, zegt Verhaeghe. ‘Hard werken is prima als je er plezier aan beleeft. Maar in een systeem waarin alle beloning van buiten moet komen, is werkelijke voldoening zelfs voor uitblinkers onmogelijk.’

Hier zijn we de lichtzinnigheid al lang voorbij. Steeds meer twintigers bezwijken onder het gewicht van talloze mogelijkheden en tomeloze ambities. Alles moet leuk, bijzonder, perfect zijn. Mislukken is geen optie. Want het vergooien van talent is de hoofdzonde van deze tijd. Zo sluipt een ongerijmdheid in het beeld van een zorgeloze en geduldige generatie. We maken ons misschien weinig zorgen over de toekomst, maar worden in het hier en nu op de hielen gezeten door een heilig moeten.

Dit onbehagen lijkt diepgeworteld, maar komt niet altijd aan het oppervlak. Wel ziet Verhaeghe jonge mensen in toenemende mate kiezen voor niet-materiële zaken. ‘Bij sollicitaties wordt onderhandeld over vakantiedagen, niet over bonussen. Jongeren willen ook tijd hebben om te leven.’

Toch houden we in veel andere opzichten het systeem in stand door mee te doen aan de wedloop van excelleren en zo uniek mogelijk moeten zijn. Verhaeghe: ‘Het verzet slaagt er, anders dan in de jaren zestig, nauwelijks in zich te organiseren. We zijn allemaal individuen, we vinden elkaar zelfs niet in protest.’

Dit gebrek aan gemeenschappelijkheid is treffend gevat in het poëziedebuut van Dennis Gaens (1982), Ik en mijn mensen (2010). Gaens schetst het beeld van een generatie – zijn generatie, onze generatie – die eigenlijk geen generatie is. ‘We wachten nog op een naam’, dicht hij. Een gemene generatieve deler ontbreekt. ‘Wij zijn een soort pact, ik en dit meervoud en ons lopen is alles wat we hebben.’ Het terugkerende motief is dat van de sneaker: zie ons gaan met lichte tred. Toch spreekt uit het aan William S. Burroughs ontleende motto dat Gaens de bundel meegaf een verlangen naar gezamenlijkheid: ‘I envy from a distance of incomprehension those who speak of “my people”.’

Een soort pact dus, van uitblinkers tegen wil en dank, op zoek naar zingeving en verbondenheid. Volgens historicus Jouke Turpijn maken zware morele gemeenschappen plaats voor lichte gemeenschappen, die ook houvast kunnen bieden. Want kind zijn van een tijd zonder grote verhalen maakt ons in zekere zin tot wees. Turpijn denkt aan wat The Smiths in 1984 zongen in How Soon Is Now: ‘I am the son and heir of nothing in particular.’ We zijn erfgenaam van niets in het bijzonder.

Ook Paul Verhaeghe ziet jongeren zich daarom oriënteren op nieuwe vormen van solidariteit: ‘Neem losse samenwerkingsverbanden tussen jonge zzp’ers. Of woonvormen waarin mensen ruimtes delen, maar ook een eigen wooneenheid hebben. We hoeven niet terug naar de jaren zeventig toen alles van iedereen was. We moeten op zoek naar een nieuw evenwicht tussen samen en alleen.’


Rick Groen (28), stedenbouwkundige, werkt in een winkel

‘De bouwwereld werd hard getroffen door de crisis. Toen mijn laatste halfjaarcontract niet werd verlengd, lukte het niet meer om werk te vinden. Uiteindelijk ben ik in een winkel terechtgekomen om zo toch geld te verdienen. Dit doe ik nu zo’n drie jaar. Het heeft zijdelings met mijn vakgebied te maken, maar de werkzaamheden bieden geen uitdaging en ik kan geen gebruik maken van de kennis waarvoor ik jaren op school heb gezeten.

Ik kwam klem te zitten tussen de feitelijke situatie – mijn koophuis, mijn werk – en een drang naar vrijheid om nieuwe keuzes te maken. Ik heb toen een burn-out gekregen. Ik kreeg hartkloppingen, vermoeidheid en keelklachten. Achteraf denk ik dat de stress zich langzaam heeft opgebouwd doordat ik de frustratie over de situatie negeerde.

Ik kan goed tegen een hoge workload, maar blijkbaar niet tegen onvrede over mijn werk. Door mijn specifieke opleiding is het lastig om te bedenken wat ik anders nog kan doen. Ik werk nu halve dagen om te kijken of dat rust geeft om voor mezelf dingen op een rij te zetten. Mijn droom is nog steeds een eigen bureau, maar dat is momenteel onhaalbaar.’

(De naam van Rick Groen is gefingeerd)

ANNEKE KORTLEVE

Sanne IJspelder (28), bedrijfskundige en jurist, werkzaam als projectleider bij een verzekeraar

‘Je denkt: het komt wel, die baan. Maar op een gegeven moment vraag je je af: mijn hemel, wannéér in godsnaam? Toen ik voor de zevende keer in de laatste ronde werd afgewezen, wist ik niet meer waar ik het zoeken moest. Het leek bij iedereen goed te gaan, behalve bij mij. Achteraf bleek dat andersom te zijn. Ik werd tenminste nog uitgenodigd. Maar dat had ik toen niet door, iedereen deed alsof het allemaal wel goed ging.

Op een gegeven moment zat ik huilend op de bank, omdat ik een baan bij een bank op de Zuidas niet had gekregen. Terwijl ik daarvóór twee dingen had besloten. Eén: niet bij een bank werken. Twee: niet op de Zuidas. Die baan was verschrikkelijk voor mij geweest. De strijd winnen leek bijna belangrijker dan een baan vinden die bij je past.

Tijdens het zoeken van een baan heb ik geen uitkering aangevraagd. Ik weet niet eens hoe dat moet. Ik neem de overheid mijn lange zoektocht niet kwalijk, die moet alleen maar de regels goed handhaven. Als ik hard werk en iemand anders krijgt ten onrechte een uit­kering, dan denk ik: doe daar eens wat aan.’

ANNEKE KORTLEVE

Rowena van Doorn (23), student hbo plattelandsvernieuwing

‘Ik vind het belangrijk dat we beter voedsel krijgen en niet zomaar dingen weggooien. Daarom zit ik in de jongerentak van de Eco­villageMovement. Dat zijn gemeenschappen, een huis of een heel dorp, die zelfvoorzienend willen zijn. Omdat onze bronnen niet onuitputtelijk zullen zijn.

In de EcovillageMovement zoeken we elkaar op, je moet elkaar helpen. Zeker in deze tijd. Maar ik woon zelf niet in een gemeenschap. Elke keer als ik er ben, voel ik me waanzinnig goed. Je zou dus zeggen: “Rowena, verhuizen!” Maar ik kan me nog niet settelen. Ik ben niet de enige. Veel jongeren trekken van Ecovillage naar Ecovillage. Het zoeken naar jezelf wordt door de bewoners gestimuleerd: “Ga je eigen pad volgen”, zeggen ze.

Oké, er is crisis, maar er is nog zoveel te doen. Concreet? Ga bomen planten. Ga water zuiveren. Get out of that comfort zone. Maar ik moet dit ook wel eens tegen mezelf zeggen.

Mensen willen uniek zijn. Ik ook soms. Ik word wel eens “oervrouw” genoemd. Ik kan me er wel in vinden. Ik weet niet precies wat het inhoudt, maar het geeft een soort rust om zoiets te mogen zijn.’

ANNEKE KORTLEVE