Kinderen zijn denkende wezens

IN NEDERLAND doen wij het graag met andermans klassieken. We verheugen ons over de nieuwe Don Quichot-vertaling, lezen met velen de Odyssee en krijgen nooit genoeg van Shakespeare, Tsjechov en Ibsen. Bij Vondel daarentegen kijken we afwerend, bij Gorter vermoeid en bij Multatuli met een gezicht van ‘het zal wel ergens goed voor zijn’. De realisering van de Deltareeks is dan ook een opmerkelijke gebeurtenis. Met steun van de overheid werken literaire uitgevers samen om in een uniforme serie vaderlands ‘Oud Goud’ opnieuw op de markt te brengen en de verkrijgbaarheid voor langere tijd te garanderen. Zojuist verschenen de Camera Obscura, een keuze uit Jacob van Maerlants poëzie en Kleine Gedigten voor kinderen van Hieronymus van Alphen. Bezorger van de laatste bundel is dr. P.J. Buijnsters, kenner van de achttiende eeuw in het algemeen en van Van Alphen in het bijzonder.

Er zijn goede redenen om deze kinderverzen tot onze klassieken te rekenen. Ze zijn meer dan twee eeuwen oud, ontelbare malen herdrukt en gedurende hun bestaan regelmatig onderwerp van discussie geweest. Voor de geschiedenis van het kinderboek markeren ze een belangrijk punt. Vaak worden ze gezien als het eerste echte boek voor kinderen, en Van Alphens poëzie betekent in elk geval een breekpunt met de tot op dat moment gangbare zedenpreken, breedvoerig, vol zondebesef en een ongenaakbare, alles bestierende God.
Via het citatenboek heeft de kinderdichter zich breeduit in onze taal genesteld: ‘Hoe dankbaar is mijn kleine hond voor beentjes en wat brood’ - 'Geduld is zulk een schoone zaak’ - 'Een uur van onbedachtsaamheid kan maken dat men weeken schreit’ - 'Mijn vader is mijn beste vrind’ - 'Mijn speelen is leeren, mijn leeren is speelen’, en eeuwig die van Jantje en zijn pruimen.
De citeerbaarheid vormt overigens een krachtig argument vóór heruitgave van de oorspronkelijke teksten. Bolkestein schijnt laatst gesproken te hebben over pruimen 'oh als appelen zo groot’.
EEN ASPECT dat de klassieke status van teksten mede bepaalt, is de potentie om ook lezers van nu nog te boeien. Wat dat betreft ligt het met Van Alphen ingewikkeld. 'Vader leeft met onze moeder altoos vergenoegd en blij/ o Hoe lieven zij elkander, nimmer knorren zij als wij.’ Zullen kinderen van na Annie Schmidt daar nog intrappen? De samenstellers van alle belangrijke naoorlogse poëziebloemlezingen dachten blijkbaar van niet, want de oude meester schittert door afwezigheid. Alleen Aarts en Van Etten geven hem in Alles in de wind (1993) een prominente plaats, maar die bundel eindigt dan ook in 1928 en lijkt eerder bestemd voor jeugdsentimentele volwassenen dan voor kinderen.
Voor wie Van Alphen zijn 24 versjes bedoelde toen hij in 1778 Proeve van Kleine Gedigten voor Kinderen publiceerde, is overduidelijk. 'Zie daar, lieve wigtjes!/ Een bundel gedigtjes, Vermaakt er u mee!’ Zo luiden de eerste regels van het eerste gedicht, dat ook nog de titel draagt 'Aan twee lieve kleine jongens’. Die jongens waren Jantje en Daniël, twee en één jaar oud toen Van Alphens vrouw in het kraambed van Hieronymus junior overleed. In het 'Voorberigt’ bij zijn bundeltje vermeldt de auteur dat 'de maker zelf kinderen heeft, die thands zijn eenig en grootsts vermaak zijn’.
VOOR IN HET boek staat het weldoorvoede, bepruikte hoofd afgebeeld van mr. Hieronymus van Alphen (1746-1803), Raad en Thesaurier Generaal der Vereenigde Nederlanden. Bij het verschijnen van de Proeve was hij 32 jaar oud en advocaat te Utrecht. Het is een roerende gedachte hoe bewust zo'n heer uit welgestelde kringen zich 220 jaar geleden was van het gewicht van zijn vaderschap. Hij leefde natuurlijk in een eeuw waarin de opvoeding dankzij de Verlichtingsidealen een Taak met een hoofdletter werd. Hij kende het werk van Locke en Rousseau en werd vooral aangesproken door de ideeën van de Duitse Philantropijnen, voor wie een kindvriendelijke benadering een belangrijk pedagogisch uitgangspunt was. En zoals vaker ten tijde van geloof in de maakbaarheid van de samenleving zag Van Alphen de mogelijkheden van het kinderboek: 'Hij bedoelde slegts eenige nuttige waarheden zo in rijm voortedragen, dat dezelven de kinderlijke vatbaarheid niet te boven gingen.’
Helemaal vanzelfsprekend moet het ook weer niet geweest zijn om zich als heer van stand met kinderversjes in te laten: 'De maker weet zeer wel, dat hij, als digter, daar door zeer weinig roem behalen kan.’ Daarin vergiste hij zich. Nog in het jaar van verschijnen schreef hij een vervolg, nu niet langer anoniem, en in 1779 noemde Betje Wolff hem al 'een van onze eerste Genien en beste Dichters’. In 1782 kwam er een Tweede Vervolg, wat het aantal gedichtjes op 66 bracht. Ze werden herdrukt, nagevolgd, vertaald en op muziek gezet en na gebleken succes voorzien van de gravures die nu ook de heruitgave sieren.
Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw werd er gemord tegen Van Alphens blijmoedige kindervolk, dat zich verheugt op elke nieuwe dag van plichten en geen groter liefde kent dan die voor Gods mooiste schepping: de ouder. De Génestet zette de beroemde kinderdichter als 'vervaardiger van allerlei ouwe-mannetjes-gedichtjens’ in de hoek en vond 'de zedelijke heldjens van die gedichtjens min of meer onuitstaanbaar’. En in zijn Camera Obscura biechtte Nicolaas Beets op dat hij als kind weinig zag in 'mijn leeren is speelen’.
IN ONZE EEUW leent Van Alphen zich vooral nog om te illustreren hoe raar men vroeger over kleine mensen dacht. Het is ook niet eenvoudig om je na Annie Schmidt en Het Schrijverskollektief nog te identificeren met al die zorgelijke typjes, die zelf zo precies weten wat goed voor hen is. Jeugdliteraire geschiedschrijver D.L. Daalder wees erop dat men Van Alphen losmaakte uit zijn tijd: 'Hij gaf wat de meer vooruitstrevende ouders aan het eind van de achttiende eeuw begeerden en wat niemand anders hun schonk.’ Warm pleitbezorger is ook Willem Wilmink, die in zijn schriftelijke cursus dichten een geestig stukje wijdt aan Cornelis die een glas heeft gebroken. Zijns inziens ging de dichter er duidelijk vanuit dat kinderen denkende wezens zijn, 'ook tegenwoordig nog iets heel bijzonders!’
Toch gaat het in alle discussies voornamelijk over de vraag hoe wij kinderen moeten zien en zelden over poëzie. Er zijn in de hele bundel ook maar weinig plaatsen waar de taal even vrij haar gang mag gaan: 'Het starrengeflonker/ Vervrolijkt het donker;/ De lichtende maan/ Begint op de weiden/ Haar glansen te spreiden,/ En speelt door de blaan.’ En het mooiste woordje dat ik bij herlezing tegenkwam, is 'onthutseld’: 'Hij stond onthutseld en bewogen’ (Cornelis bij het gebroken glas/raam). Vader Van Alphen gebruikte de taal primair om dit tot ons door te laten dringen: 'Ik ben een kind, van God bemind,/ En tot geluk geschapen.’ Je zou er nog heimwee naar de achttiende eeuw van krijgen.