JOSEPH GOEBBELS, HITLERS SPINDOCTOR

Kinderlijk wispelturig

De poëzie van de Duitse satiricus en Zeitschriftsteller Kurt Tucholsky (1890-1935) hoort niet tot de top van de wereldliteratuur, maar toch schreef hij enkele gedichten die je niet snel vergeet. Bijvoorbeeld het uit 1931 daterende Joebbels, waarin hij in plat Berlijns een verklaring trachtte te vinden voor het ongekende fanatisme van de latere minister voor Propaganda. ‘Du bist mit irgendwat zu kurz gekomm./ Nu rächste dir, nu lechste los./ Dir hamm se woll zu früh aus Nest jenomm!’ Het was wellicht psychologie van de koude grond, maar niemand kon zich aan de indruk onttrekken dat Goebbels’ verbale geweld en rabiate scheldkanonnades een vorm van compensatie waren. Vandaar dat Tucholsky elk vers eindigde met de regel: 'Josef, du bist 'n kleener Mann.’
Dit is ook het beeld dat blijft hangen na lezing van de dagboeken van Goebbels, waarvan onlangs in vertaling een selectie verscheen. Een kinderachtig ventje, dat dolblij is als in 1942 een door hem geschreven boek 'buitengewoon goede recensies’ krijgt, terwijl hij toch moet beseffen dat je als recensent wel erg levensmoe moet zijn om een negatieve bespreking in te leveren, en dat die in dat hypothetische geval uiteraard nooit geplaatst zal worden. Over zijn redevoeringen meldt hij steevast dat die razend enthousiast ontvangen worden en politieke tegenstanders zijn altijd hondsbrutaal, schaamteloos, laf, dom, of een combinatie hiervan. Churchill is in zijn ogen een man 'zonder karakter en statuur’ en zodoende 'niet al te gevaarlijk’.
Ook in zijn bewondering voor Hitler is Goebbels bijzonder onvolwassen: 'De Führer trekt heel grote lijnen en verbanden. In vergelijking met hem zijn we toch wel heel nietige microben.’ Zelfs als Hitler zich bemoeit met zijn privé-leven, dat door zijn vele avontuurtjes op de klippen dreigt te lopen, legt hij zich daar slaafs bij neer en neemt hij zich voor een ander leven te gaan leiden: 'Een hard en wreed leven, alleen de plicht telt nog.’
Hoewel Goebbels geneigd is zich over te geven aan aardse genietingen gaat hij helemaal mee in de mensenhaat van Hitler, die stelt dat homo sapiens geen enkele reden heeft zich verheven te voelen boven het dier. Omdat Goebbels beseft dat het midden in een oorlog niet raadzaam is hongerige soldaten tegen zich in het harnas te jagen, concludeert hij dat het door Hitler aangehangen vegetarisme pas in vredestijd dwingend kan worden voorgeschreven.
Vegetarisme was volgens Hitler en Goebbels volstrekt rationeel en hoewel het nationaal-socialisme volop appelleerde aan irrationele drijfveren zagen de nazi’s zichzelf graag als mensen die niet terugdeinsden voor de uiterste consequenties van verstandelijke overwegingen. Vooral Goebbels dweepte met alles wat 'modern’ was en reageerde dolenthousiast op de nieuwste auto’s, de uitvinding van stereogeluidsapparatuur en technologisch geavanceerd wapentuig. De typische nazimystiek deed hij af als 'Germaans gedoe’.
Goebbels is dan wel de vleesgeworden roeptoeter van het regime, na het uitbreken van de oorlog lijkt het af en toe alsof zelfs hij begint te twijfelen. Hij verwijst zo vaak naar Hitlers toespraak uit begin 1939 - waarin deze had verklaard dat als de joden de wereld 'opnieuw’ in een wereldoorlog zouden storten dit de vernietiging van het 'joodse ras’ zou betekenen - dat het lijkt alsof hij zichzelf ervan moet overtuigen dat de oorlog en de genocide onafwendbaar zijn geweest. Maar soms ziet zelfs hij de waanzin van de nazistische politiek in. Nadat hij eindeloos heeft aangedrongen op het judenrein maken van Berlijn schrijft hij in mei 1942 dat het toch wel 'ontzettend grappig [is] dat we momenteel de joden als vaklui niet kunnen missen, terwijl we nog niet zo lang geleden telkens beweerden dat de joden helemaal niet werkten en ook niets van werk begrepen’. Een heel enkele keer lijkt hij bijna over profetische gaven te beschikken. Zo vergeleek hij op 9 april 1935 een internationale conferentie met de meer dan protserige bruiloft van de pompeuze Göring: 'De ene speelt zich in de wereld af, de andere in een schijnwereld. Hopelijk stort niet op een dag de schijnwereld in elkaar onder de mokerslag van de echte wereld.’ De laatste aantekening in dit dagboek schrijft hij op de dag af tien jaar later.
Het oorspronkelijke dagboek, dat reeds in 1923 begint, is veel dikker en verscheen in een wetenschappelijke editie van liefst 32 delen. Maar deze selectie geeft een representatief beeld van de waanwereld waarin Goebbels leefde, en je moet een sterke maag hebben om de rest ook te kunnen verteren. Eén bewuste vertekening hebben Melching en Stuivenga echter terecht aangebracht, en dat is de disproportionele aandacht voor Nederland. Voor de Nederlandse lezer is het immers boeiend om te lezen dat Goebbels zich mateloos opwindt over de 'karakterloze’ prins Bernhard en dat 'stuk ongeluk’ van een koningin Wilhelmina. Maar ook hier valt op hoe kinderlijk wispelturig Goebbels was in zijn oordeel over mensen. De ene keer is de nazi-stadhouder in Nederland, Arthur Seyss-Inquart, een Oostenrijkse flapdrol terwijl hij even later met kop en schouders boven zijn collega’s in andere bezette gebieden uitsteekt, omdat hij weet hoe 'het zoet en het zuur’ afgewisseld moeten worden. Ach Josef, du warst 'n kleener Mann.

WILLEM MELCHING EN MARCEL STUIVENGA (RED.)
JOSEPH GOEBBELS, HITLERS SPINDOCTOR: EEN SELECTIE UIT DE DAGBOEKEN 1933-1945
Bert Bakker, 447 blz., € 19,95