Ger Groot

Kinderpartij

In de nieuwe uitgave van zijn Verzamelde verzen in de Delta-reeks beslaat het gedicht Kinderpartij van J.H. Leopold precies vijf bladzijden. Ruim tweehonderd versregels, meer dan elfhonderd woorden telt de statisticus. Leopold wendde zich erin tot een uitgesproken filosofische blik, zo schrijft bezorger H.T.M. van Vliet in zijn nawoord. Het ging hem om ‘de vraag naar de werking van het bewustzijn. Hoe ontstaat er samenhang in de veelheid aan indrukken, herinneringen, gedachten en gevoelens?’

De tiende verjaardag van de dochter van Rotterdamse vrienden vormde de mise-en-scène van die vraag. In het begin van het gedicht staat het meisje midden in de kring die om haar heen danst en gaandeweg lost het gewarrel op in losse impressie van kleuren en bewegingen. ‘Danst, danst, laat helderroode lippen/ en lichtende oogen iets als stippen/ van kleuren, bloemenkleuren zijn,/ als purper en diep karmozijn’.

Die woorden klinken in hun combinatie vaag bekend. Ze roepen een wat ouder meisje op, uit de bundel Zestien van Gerrit Achterberg. ‘Uw lippen stulpen/ hun sterke schulpen/ van geluk/ tegen de schelpen/ van mijn lippen/ en de stippen/ in uw ogen/ worden hard’ – zo begint het. En dan neemt op zijn beurt Leopold de woorden dáárvan over. Een bloem-metafoor die zich hecht aan het beeld van de krans van dansende meisjes wordt een ‘onschuldig bloesemblad/ de omgestulpte, uitgeschulpte/ kommetjes met een welig vocht’.

Kende Achterberg het gedicht dat Leopold zo’n dertig jaar eerder geschreven had? Dat is uiteindelijk louter biografisch interessant. De tekst zelf is voldoende om in het één de echo van het ander te doen opklinken en tussen die twee een halve verstandhouding te zien opbloeien. Achterbergs gedicht lijkt bijna letterlijk uit dat van Leopold te zijn uitgesneden. Een woord hier, een woord daar, aaneengevoegd tot een vers dat dezelfde stèle-achtige dun-langwerpige vorm heeft, maar eindeloos veel kleiner is. 24 regels, 58 woorden telt de statisticus.

Zo verbergt Achterbergs gedicht zich als een matroesjkapoppetje in Leopolds Kinderpartij, want ook bij hem lijkt plots de tijd even stil te staan: ‘Onbewogen,/ onbenard,/ staat het ogen-/ blik gebogen/ uit het leven/ als het dode/ adempauze,/ tussenpoze’. Bij Leopold: ‘En dan, in den langzamen zingezang/ dwalen haar gedachten en zij traden/ terug van deze oevers bang/ ietwat gevoelde en dan verraden/ haar oogen en haar onzekere mond,/ dat zij iets innigers vond,/ dat zij den gang weerom inging,/ den ingang tot bespiegeling’.

Dertig jaar later zijn bij Achterberg de inzet en de toon harder en vooral bronstiger geworden. ‘Kus’ staat erboven en dat verraadt een veel minder belangeloze en etherische passie dan die van Leopolds impressionistische metafysica. Begaf die laatste zich, in overpeinzingen die filosofisch al modern trachtten te zijn, nog graag in de taal van een geleerd-victoriaanse beschaafdheid, Achterbergs gedicht ademt al de cultuur van een moderne rauwheid, al schrikt het in stijl en vorm vooralsnog voor een radicaal modernisme terug.

Zijn zestienjarige is aangestoken door eenzelfde bronst als de dichter zelf – ook al heeft hij zich dat in werkelijkheid wellicht alleen verbeeld. ‘Wordt het droge/ vuur gezogen/ naar de wegen/ van het hart’, zo vervolgt hij, met de medeplichtigheid die hij tussen hem en haar veronderstelt. Die is er óók bij Leopold, maar ze is van een volstrekt ander karakter. Hier laat de dichter-classicus haar, in haar wegzinken uit de tijd, terugdenken aan ‘een zuilengang, een marmerfries,/ zeilen, waarop de zon ging schijnen,/ en droomverwekkend een ver dal,/ een zachte gloooiing, waar het al/ versmelten gaat, het zonder tal/der dingen’.

Met die half-bewuste, vrouwelijke verzinking in zichzelf eindigen de twee gedichten. Achterberg: ‘Een zwarte fijne/ regen daalt/ uit uw blik,/ die weer verdwaalt’. En ook Leopold eindigt bij ‘’t peinzend kind, dat zich vermeit/ in schemer van diepzinnigheid’. Het rijmwoord geeft het voorlopig einde zijn beslag, waarna het blikveld zich opnieuw opent en focust op de kinderlijke rondedans van het begin. De dichter begint iets van een uitleg te geven, keert dan opnieuw naar hetzelfde tafereel terug: ‘gerucht/ scheen er te zijn als van cymbalen’.

Het zou tientallen jaren later opnieuw Achterberg zijn die dit woord – in een ander gedicht – zou laten samenklinken met ‘symbolen’, alsof het allemaal nog niet duidelijk genoeg was. Maar tegelijk neemt Leopold hier afscheid van diens Kus en de brutale lezing die in hart en structuur van zijn hooggestemde, onerotische sensualisme een andere, grovere stem wist te doen klinken. De lichamelijke bevrediging lost bij hem letterlijk op in het niets: ‘een dunne wolk was er nog wel/ allengs vervluchtigend en hing/ en zonk, er is een enkel hel/ gerinkel van het cymbelspel/ en ook dit minderde en verging’.