Anne de Vries

Kinderpoëzie voor volwassenen

Anne de Vries, Van Alphen tot Zonderland: De Nederlandse kinderpoëzie van alle tijden verzameld

Uitg. Querido, 515 blz., ƒ65,-

Uitgeverij Querido heeft een traditie op het gebied van poëziebloemlezingen voor kinderen. Die is gevestigd in 1975 toen Kees Fens met Goede morgen, welterusten gedichten koos die voor volwassen lezers waren geschreven, maar ook aantrekkelijk zouden kunnen zijn voor kinderen. Daarop volgde Nou hoor je het eens van een ander (1981), waarin dichters voor kinderen en voor volwassenen broederlijk door elkaar heen staan. Later trokken Tine van Buul en Bianca Stigter deze lijn door met twee fraaie bloemlezingen, waarvan Als je goed om je heen kijkt zie je dat alles gekleurd is (1990) inmiddels een klassieke status heeft gekregen.

Zojuist verscheen Van Alphen tot Zonderland, waarvoor Anne de Vries een keuze uit ruim tweehonderd jaar kinderpoëzie maakte. De luchtig over de omslag zwevende vrouwtjes kunnen nog misleiden, maar één blik op het binnenwerk maakt duidelijk dat het hier om een andersoortige uitgave gaat dan de bovengenoemde: plaatjes, daar doet dit boek niet aan. Het richt zich primair op volwassenen die geïnteresseerd zijn in wat er in de loop der tijden voor het jonge volk bijeen is gedicht. Het begin daarvan ligt onwrikbaar vast in 1778 bij Hieronymus van Alphen. Als hekkensluiter in de tijd fungeert Eva Gerlach.

Geduldig bladeren levert aangename verrassingen op. Al op bladzijde twee staat als zogenaamde «Pre-Hieronymiet» een wondermooi «liedeken» van Adriaen Poirters uit 1645. Op liefdevolle toon verhaalt de dichter «van Jezusken en Sint-Janneken, die spelen met een lammeken». Het is dolle pret in «dat groen geklaverd land» en na afloop kookt Maria een «pappeken zoet». Geen enkele waarschuwing, niets te leren, nergens een strenge God, alleen twee spelende jongetjes: het doet wonderbaarlijk modern aan en in later eeuwen zal dat wel anders worden. Zo vertelt Katharina Bilderdijk over de «onmenselijk wreedaardige» Frans die vogelnestjes uithaalt, uit de boom stort en «Nu moest hij liggen dag en nacht in de ijselijkste pijnen!» En met scherpe messen dient geen kind te spelen, kijk maar naar Mietje: «Daar rolt het lijfje op de grond, de benen blijven staan!» De auteur moet Heinrich Hoffmanns Der Struwelpeter goed gelezen hebben.

Prachtig chauvinistisch is een vers van Petronella Moens uit 1806, waarin moeder en dochter samenspreken over de laakbare, want Franse gewoonte van sommige kinderen om hun ouders met papa en mama aan te spreken. Curieus zijn twee gedichten van N.A. van Charente, die in 1860 een «Houten Klaas» uit de grond van zijn hart laat verzuchten hoe graag hij een meisje zou zijn, terwijl «Wilde Griet» er juist alles voor over zou hebben om een jongen te zijn. Het gemankeerde jongetje wordt uitgejouwd door een hatelijk «Koor van jongens»: «Stijve houten slungel! Zijn we jou de baas?/ Laat je dan verbakken met Sint-Nicolaas.» Het stoere meisje daarentegen krijgt alle ruimte voor haar diepste wens: «En ieder die haar ziet, zegt: ’t Is een lieve meid, maar toch… een wilde Griet!»

De vaststelling van de bloemlezer — «het afgezaagde en talentloze is onder-, het oorspronkelijke en poëtische oververtegenwoordigd» — mag waar zijn voor iemand die 1500 (!) bundels kindergedichten verwerkte; naar mijn smaak moet de argeloze lezer een grote hoeveelheid gekneuter en moraal door vóór hij in het midden van de twintigste eeuw bij Jac. van Hattum iets tegenkomt wat werkelijk op poëzie lijkt. Pas na de oorlog raakt de alleenheerschappij van snoeperige hondjes, schelmse kijkertjes en zoete, propere snoesjes ten einde en kan de dichterlijke ruimte, zowel naar vorm als inhoud groeien met kopstukken als Han Hoekstra en Annie Schmidt, Willem Wilmink, Leendert Witvliet en Ted van Lieshout.

Over de keuze van De Vries valt uiteraard te twisten. Met dertien gedichten van Annie Schmidt, twaalf van Goeverneur en elf keer Van Alphen, Hoekstra en Van Lieshout, is zijn persoonlijke canon duidelijk. Het belang van Diet Huber vind ik met twee versjes onderbelicht, het werk van Andreus mager vertegenwoordigd en dat van Diekmann wordt absoluut geen recht gedaan door het citeren van één minivers uit Wiele wiele stap. Merkwaardig is het totaal ontbreken van Rudy Kousbroek. Zeker naast de light verse van bijvoorbeeld Jan Wit zou hij uitstekend passen.

Naar de overwegingen van De Vries is het gissen, aangezien hij daar in zijn uiterst beknopte inleiding vaag over blijft, zoals over veel. Dat is de gemiste kans van dit nuttige en vaak ook vermakelijke boek. Wie meer dan twee eeuwen kinderpoëzie tot in detail overziet, heeft de stof in handen voor een interessant sociaal- en cultuurhistorisch verhaal, waarmee het belang van deze verzameling aanzienlijk zou zijn vergroot. De Vries heeft het helaas niet geschreven.