Kinderspel

‘Ik denk dat een god het is viool spelend op mijn strot.’ Getuigt zo'n zin - een van de vele die me door het hoofd spelen als ik aan de dichter denk - van gemakkelijke, laat-twintigste-eeuwse hoogmoed? Eerder van het tegendeel.

Hier is niet iemand aan het woord die zich met blaasbalgen van welvaart en schijnbeschaving heeft opgepompt tot goddelijke proporties, maar iemand die het goddelijke buiten zich weet en zich daarvoor openstelt, die een instrument wil zijn voor de onbenoembare en onbevroede krachten die hem te boven gaan; deze dichter is iemand die zich verbaast over de muziek die hij zelf blijkt te kunnen voortbrengen. Geen ‘poezie van het klein geluk’ schrijft Lucebert, in welke minuscule en toverachtige werelden het grootste geluk ook hier blijkt te schuilen, ook geen poezie over poezie, ondanks de persiflages en verwijzingen, en al klinkt in de geciteerde regels (ook syntactisch, in de omkering: ik denk dat het een god is) onmiskenbaar een echo van Holderlin, nee, deze poezie parasiteert niet op de roem van anderen en mikt niet op het intellectuele gezelschapsspel of de literatuurgeschiedenis, ze wil, net als die van Holderlin, niets anders zijn dan zuivere poezie: bemiddelen tussen de mensen en de goden. Of dus: hekeling van de mens in zijn moderne eigenwaan en zelfverblinding.
Maar 'in de duisternis van deze verlichte en oh zo potente tijd’ is de dichter een roepende in de woestijn. De goden zijn teruggedrongen tot ver buiten ons melkwegstelsel, wat telt is uitsluitend het goddeloze hier en nu. 'Vorwarts aber und ruckwarts wollen wir nicht sehn’ (Holderlin), en dat heeft een antropologische revolutie teweeggebracht zonder weerga: de systematisch kortzichtige blik heeft een nieuw en gevaarlijk type mens gecreeerd, eentje zonder herinnering en zonder taal. Luceberts werk bevat de schrikbeelden daarvan. 'Voor zijn vetgemeste spiegel wil hij vliegen en zweven’, zodat hij - die nieuwe mens - de archaische kunst van de metamorfose verleert en in niets meer iets anders ziet dan zijn eigen neurotische beeld en gelijkenis. Dat maakt hem monsterlijk, angstaanjagend, weerzinwekkend, precies zoals hij in de spiegel verschijnt die Lucebert hem telkens opnieuw heeft voorgehouden.
Van de types van Van Kooten en De Bie is vaak geconstateerd dat je ze overal in de werkelijkheid tegenkomt, dat je op een gegeven moment in bijna iedereen een vermomming van een van de heren vermoedt. Een half uurtje Lucebert heeft een soortgelijk effect, maar verontrustender, bizarder, zonder de uitweg van de ironie. Kijk op straat of in de supermarkt, tijdens een receptie of op het strand maar om je heen en overal zie je ze, de speknekken, de praalhanzen, de kinderbeulen, de frettenblikken, de gangstertronies, de hielenlikkers, de angsthazen, de etalagedweilen, de consumptiegiganten uit Luceberts demonische universum, 'elk nieuw gezicht is met de tomeloze tiran verbonden’, maar je krijgt niet het geruststellende gevoel dat het om maskers of vermommingen gaat die straks weer in de rekwisietenkist verdwijnen. Luceberts vertekeningen brengen werkelijke vertekeningen aan het licht, gruwelijke misvormingen die het diepst van ons wezen raken maar waar we al zozeer aan gewend zijn dat we ze niet meer (kunnen) waarnemen.
Is hij onze grootste naoorlogse dichter? Onze belangrijkste schilder? Belachelijke vragen. Uit alles in zijn werk spreekt weerzin tegen dit soort competities en competitiedrift als zodanig. Als hij een keel opzet dan niet om mee te dingen naar literaire prijzen of festivalroem maar om zijn walging uit te spreken voor het 'altijd hoger & streven’ van de werkelijkheidsfanaten, voor de registratieziekte, de spiegelwoede en de vergelijkingsterreur van deze tijd.
Lucebert heeft mij voor het eerst met een sindsdien nooit overtroffen kracht, lang geleden, laten zien en horen wat poezie is: 'kinderspel’. Dat mag nu al haast een onbruikbare metafoor zijn geworden - ook het kinderspel lijdt inmiddels immers aan voornoemde kwalen -, in elke versregel en elke penseelstreek van hem voel ik nog steeds de aanstekelijke bezieling die dat woord oospronkelijk impliceerde. Het is waar: 'het lied heeft het eeuwige leven’.