Groen

Kip en kauw

Op een vrijdagmiddag in een zomer zette iemand een grijze papegaai op mijn schouder, nadat het beest me al minutenlang nieuwsgierig had aangestaard. ‘Wie is dat nou weer, Kip?’ vroeg zijn baasje, en besloot het beest dat zelf uit te laten vinden. Kip beet in mijn oor, probeerde zijn snavel in mijn mond te steken en vond de binnenkant van mijn neus heel interessant. Ik had nooit eerder een papegaai ontmoet en kreeg een beetje jeuk in de buurt van mijn huig. ‘Kip is eigenlijk net een hondje’, zei ik tegen het baasje van Kip.
De avond van de volgende dag was ik bij de buurvrouw van mijn opa, die al twaalf jaar dood is. Er waren meer mensen, waaronder mijn broertje, die op zijn beurt weer de overbuurman van die buurvrouw is. We zaten buiten, want het was lekker weer en we dronken bier en aten chips en stukjes kaas. Er kwam een kauw aanvliegen. Hij landde op een auto en werd daarna steeds brutaler. Liep de kring binnen en begon in schoenen en voeten te pikken. Daarna vloog hij op en landde op de armleuning van mijn stoel. Hij pikte in mijn been, terwijl hij met moeite in evenwicht bleef op het smalle stuk plastic. Vervolgens probeerde hij bij iemand anders een stuk kaas te stelen. Iemand verjoeg hem, zo gaat dat altijd, er waren angstige vrouwen in het gezelschap.
De volgende ochtend vloog de kauw de schuur van mijn broertje binnen en landde op de werkbank. Mijn neefje en nichtje vonden hem niet leuk, ze zetten het op een blèren. Mijn broertje verjoeg hem en we zagen hem niet meer terug. ‘Misschien is het opa wel’, zei mijn broertje een tikje spijtig. Hij is ooit bij iemand geweest die aura’s leest. ‘Ja’, zei zijn vrouw, wier aura ook gelezen was, ‘dat dacht ik ook al.’
Ik vond het maar vreemd, Kip en kauw in één weekend. Hoewel ik terdege besefte dat het één niet automatisch het ander inhoudt, ontkwam ik er onderweg naar huis niet aan me het volgende af te vragen: als die kauw opa was, wie was Kip dan in godsnaam?