Kiri te kanawa ‘eigenlijk was ik liever popster!’

Volgende week viert de Nieuwzeelandse diva Kiri Te Kanawa haar vijftigste verjaardag. Een zangeres met een flitsende loopbaan, maar niet door eigen toedoen. Haar luiheid en onverschilligheid zijn legendarisch. Het zal dan ook niet lang meer duren of ze geeft er de brui aan. Om ten slotte enkel nog wat lichte muziek en Maori-liederen te zingen.

Ze heeft een stem als een klok: fris, sprankelend en vol kleur. Met het gemak en de ongekunsteldheid van een zangvogeltje zingt ze de meest virtuoze coloraturen. Ze is een prachtige verschijning op het podium: slank, knap en stralend maar met net een paar gekwelde trekken die haar gezicht diepte geven. Overeenkomstig haar kwaliteiten wordt ze over de hele wereld vereerd en bejubeld als een prima donna en als kroon op haar carriere verleende Prince Charles haar in 1981 de titel Dame nadat ze op zijn huwelijk Ha"ndels Let the Bright Seraphim had gezongen.
Zelden zal iemand ambivalenter tegenover haar eigen succes hebben gestaan dan de sopraan Kiri Te Kanawa. Niet omdat ze a la Callas onder een labiele psyche lijdt. Ook niet omdat ze, zoals de legendarische pianiste Clara Haskill, elke keer opnieuw panisch van angst het podium moet worden opgeduwd. Nee, Kiri Te Kanawa zit het liefste thuis, in haar prachtige villa op een verlaten Nieuwzeelands eiland, midden in de natuur en samen met haar gezin. Als je haar vraagt naar welke rol ze uitkijkt, is haar antwoord: ‘Ik kijk alleen maar uit naar een vakantie, een partijtje tennis of een middagje golf.’ Haar luiheid is spreekwoordelijk en het hoeft niet te verbazen dat haar repertoire aan rollen klein is en dat ze nu al, op het toppunt van haar carriere, haar afscheid aankondigt, onder het motto: 'Ik hoop ermee op te houden voordat mensen opmerkingen gaan maken over het feit dat ik nog steeds zing.’
Gezien het feit dat ze geen gelegenheid voorbij laat gaan op te merken dat het na 25 jaar zingen wel mooi is geweest, dat ze geen zin heeft om 'nog eens twintig jaar bij mooi weer binnen te zitten’, en dat ze een ander idee over het leven heeft dan 'een sleur van kale repetitieruimten, raamloze kleedkamers en onpersoonlijke hotels, om van daaruit rechtstreeks naar het ziekenhuis te gaan om te sterven’ - of zoals ze het ook eens zei: 'van tussen vier muren naar tussen vier plankjes, van de ene kist in de andere’ - doet vermoeden dat Te Kanawa in hoge mate het slachtoffer van haar eigen talent is geworden. En dan kan Sir Colin Davis honderd keer beweren dat 'ze graag op het toneel staat en van mooie kleren houdt’, als je het aan haar zelf overlaat, wordt ze het liefst met rust gelaten. En precies zo ziet ze er ook uit: of ze nu vragen tijdens een interview beantwoordt, schittert bij een plechtigheid of midden in een operavoorstelling staat, altijd heeft ze die dromerige, afwezige blik. Wars van de sterallures van een gevierde diva, maakt ze eerder de indruk van een zeventienjarig meisje dat braaf doet wat de buitenwereld van haar verwacht, onderwijl met haar gedachten in ander sferen vertoevend.
Kiri Te Kanawa werd op 6 maart 1944 geboren in Gisborne (Nieuw-Zeeland) als dochter van een Maori-vader en een Europese moeder. Haar ouders boden haar ter adoptie aan. Een maatschappelijk werkster klopte met de vijf maanden oude baby bij haar beoogde stiefouders aan, maar die hadden liever een jongetje en weigerden. Toen er na lange tijd vergeefs leuren opnieuw een beroep op dit echtpaar werd gedaan, namen ze het kind uit medelijden op in hun huishouden. Ook hier trof Te Kanawa een Maori-vader en een Europese moeder, en met name op haar vader werd ze erg dol: 'Als ik het voor het uitkiezen had gehad, was hij het ook geworden.’ Met haar moeder, een enthousiast pianiste, lagen de zaken anders. Zodra die in de gaten kreeg dat Kiri een natuurtalent was, nam ze het muzikaal onderricht persoonlijk ter hand en werd het kind nog weinig rust gegund.
Toen Kiri twaalf was verhuisde het gezin naar Auckland en bekeerde het zich tot het katholicisme, waarmee de weg vrij kwam om Kiri’s zangopleiding in handen te leggen van Sister Mary Leo op een katholieke meisjesschool. Ze belandde van de regen in de drup: 'Sister Mary was net zo dominant als mijn moeder. Die twee konden het dan ook niet zo goed met elkaar vinden.’ Er volgden jaren van strenge discipline en zelfs toen Kiri op haar zestiende de school voor gezien hield, bleef ze onder niet aflatend toezicht van haar pedagoge staan. Elke dag werd er van negen tot vijf geoefend. Maar om in haar levensonderhoud te voorzien trad ze ’s avonds op in nachtclubs, met een klein autootje van het ene podium naar het andere crossend. Daar zong ze allerlei nummers uit het lichte repertoire, maar ze presteerde het tot ieders verbazing ook om voor een zwaar aangeschoten gehoor de avond te besluiten met een Ave Maria.
Hoewel Te Kanawa op deze wijze in eigen land snel furore maakte, hadden haar moeder en Sister Mary uiteraard iets anders met haar voor ('Het beste was niet goed genoeg, dus ik moest het niet wagen Broadway-artieste te worden’). Met haar moeder in haar kielzog vertrok Kiri in 1966 naar Londen. Na te zijn bekomen van haar eerste verbazing over een operabedrijf als Covent Garden, en misschien nog meer over fenomenen als The Beatles en The Stones, werd ze wederom geconfronteerd met een ijzeren discipline, ditmaal van haar medestudenten. Ondanks haar eigen zwakte op dit punt en haar chronisch gebrek aan motivatie, werd ze in Londen ontdekt, en wel tijdens een masterclass door Richard Bonynge, de echtgenoot van Joan Sutherland. Haar echte doorbraak vond plaats in 1971 toen ze in Covent Garden een weergaloze vertolking gaf van de gravin in Mozarts Le nozze di Figaro, overigens tot grote verwondering van regisseur John Copley, die achteraf memoreert: 'Ze kwam altijd te laat en legde een volkomen gebrek aan interesse aan de dag.’
Vanaf dit moment was haar reputatie gevestigd en in de daaropvolgende jaren zong ze, wegens een nijpend gebrek aan repertoire, alle mogelijke Mozart-rollen. De aanbiedingen begonnen binnen te stromen, haar naam snelde haar overal vooruit en, niet gewend aan zoveel succes, nam ze te veel hooi op haar vork. 'Ik werd te snel bekend, er kwam te veel op me af en ik had het gevoel dat ik dat eerste succes steeds weer waar moest maken en overtreffen. Ik voelde me opgejaagd en kon op een gegeven moment niet meer slapen zonder slaaptabletten.’
Het kostte haar vijf jaar om haar evenwicht te hervinden. Sindsdien heeft ze, met haar echtgenoot Desmond Parker onafscheidelijk aan haar zijde, haar carriere zeer kieskeurig opgebouwd - vooral niet te veel en niet te ingewikkeld. Zo geeft ze de voorkeur aan liederenrecitals boven opera, omdat ze dan zelf alles onder controle kan houden. In het geval van opera prefereert ze bestaande produkties waar ze zo in kan stappen, in plaats van een nieuwe produktie die van de grond af moet worden opgebouwd: 'Waarom moet ik de nachtmerrie doorstaan van een regie die tot de laatste repetitie steeds weer veranderd wordt? (…) Het zijn de regisseurs die die zes weken nodig hebben, niet de zangers.’
Naast Mozart (Donna Elvira, Pamina, de gravin en Fiordiligi) heeft ze altijd zorgvuldig rollen gekozen die op haar stemtype - een lyrische sopraan - zijn toegesneden: Desdemona in Otello en Violetta in La traviata (Verdi), Micaela in Carmen (Bizet), Mimi in La boheme (Puccini) en Tatjana in Tsjaikovki’s Evgeni Onegin. Haar absolute favoriet is echter Strauss en ze beschouwt zichzelf als een geboren Strauss-sopraan: 'Zijn muziek is zeer, zeer gespecialiseerd en tien keer zo moeilijk als Italiaanse opera - hoewel het voor mijn stem niet zo vermoeiend en belastend is als Puccini.’ Zo studeerde ze achtereenvolgens de rol van Arabella in (een personage waar ze zich verwant mee voelt: 'Ook ik kan mijzelf losmaken van emotionele situaties en de dingen nogal afstandelijk bekijken’), Marschallin (Der Rosenkavalier) en gravin Madeleine uit Capriccio. Hierna verklaarde ze: 'Vermoedelijk is dit mijn laatste nieuwe rol. Ik kan me nauwelijks voorstellen welke andere rol nog aantrekkelijk voor mij zou zijn!’
Waar Kiri te Kanawa echter waarschijnlijk minder snel een punt achter zal zetten, is het zingen van lichte muziek en authentieke Maori-liederen. Officieel heten dat natuurlijk 'uitstapjes’ naar het lichte repertoire, maar met een voor haar doen ongebruikelijk groot enthousiasme deed ze mee aan produkties van West Side Story, South Pacific en My Fair Lady. 'In feite voel ik mezelf meer een komediante dan iemand voor het serieuze repertoire’, zei ze ooit. Hiermee lijkt ze zelf de vinger op de zere plek te leggen: nooit heeft ze begrepen hoe mensen om haar heen hun leven zo streng kunnen inrichten, hoe ze zichzelf en de muziek zo serieus kunnen nemen en zichzelf daarmee reduceren tot 'een stem’ - alsof 'daarbuiten geen wereld bestaat’, en zichzelf daarmee reduceren tot 'een stem’. Als het aan haar zelf had gelegen, was Te Kanawa ongetwijfeld ergens op Broadway terecht gekomen. Of, nog een stapje verder, in de popmuziek. Want zie met welk een onverbloemde afgunst ze over zangeressen als Tina Turner praat: 'Als je ziet hoe zij gekleed zijn en hoe ze optreden, dan is de operawereld daarmee vergeleken zo truttig en vervelend. Eigenlijk was ik liever popster geweest!’