Kiss en ride

Toen ik hem in elkaar zag zakken wou ik bijna juichen. Hij viel op de straattegels neer als een trekpop waarvan de touwtjes plots zijn geknakt. Het leek alsof ik hem zelf had getroffen. Maar mijn vuisten zaten keurig in de zakken van mijn jas en ik stond op meer dan vier meter van hem af. Later pas zag ik het plasje bloed naast zijn hoofd. En de schroevedraaier.

De politieambtenaar is even opgehouden met tikken en dompelt zijn peuk in een restje koude koffie op de bodem van zijn plastic bekertje. Er is geen asbak in het kamertje. Alleen twee stoelen, een tafel met een toetsenbord en een grauw scherm erop. Door de deuropening zie ik een affiche hangen met een zwart-wit foto en de naam van Marianne Vaatstra eronder. Ik ben, herhaalt de politieman, de enige niet-betrokken getuige. En dat is juist wat me dwars zit. Dat ik als enige getuige de cruciale vraag niet kan beantwoorden. Dat ik niet heb kunnen zien wat ik had moeten zien. Of viel er niets te zien? Was er daadwerkelijk geen steekwapen in die hand? Ik heb de film wel tien keer teruggedraaid en nog zie ik geen glinstering in zijn vuist. Ik heb toch uit eigen beweging aangeboden om te getuigen. Omdat ik hoorde hoe een betrokkene over de toedracht ging liegen. Omdat ik bang was dat iemand die uit zelfverdediging handelde de bak in moest. Daarom was ik bij het lichaam blijven staan, tussen de omstanders, met het handje van Emilie in mijn hand. Een agent wees naar mijn dochtertje en ging tegen me te keer. Een ventiel sprong open. Ik blafte nog harder terug dat ik iets kwijt moest.
Hoeveel meters ook weer, vraagt de tikkende politieambtenaar? Hoe laat? Hoe lang?
Ik ging Emilie van de trein halen. Het was 17.55 uur en de kiss en ride rotonde bij de zij-ingang van hetCentraal Station lag er opvallend verlaten bij. Ik zette de motor af. Ze kwamen bijna dansend door de glazen schuifdeur. Innig verstrengeld. Duwend, trekkend en tierend. Ik opende het portier. In het midden een jongen met kort haar. In de tang genomen. Met de angst der veroordeelden in de ogen. De lucht werd door zijn twee belagers uit zijn longen geperst. Alle drie zwart. Een kluwen van haat en geschreeuw. Ik werd bang. Omdat ik plotseling die jongen met kort haar was geworden. Ik was in zijn blik gekropen. Ik voelde de stompen van mijn belagers in mijn zij, het trekken aan mijn jack. Ik hoorde het gebrul tegen mijn trommelvliezen. Mijn gezicht werd nat van hun speeksel. Opeens werd er een vuist onder mijn kin gedrukt. Mijn hoofd schoot naar achteren. Ik kon niet meer bewegen en kreeg amper nog lucht. Degene die zijn vuist tegen mijn kin priemde was het meest gewelddadig. Hij droeg zijn kroeshaar half lang in zijn nek en hoewel ik hem niet kon ruiken wist ik dat hij stonk. Naar rotte kiezen en haat. Zijn mond was een grimas en zijn ogen twee schotels. En omdat hij mij haatte begon ik hem ook te haten. Ik schudde mijn hoofd, voelde mijn angst wegvloeien en werd weer een anonieme voorbijganger. Op dat moment rukte de kortharige jongen zich los en begon in het wilde weg met zijn vuist te zwaaien. Onhandig. Als iemand die nog nooit in zijn leven had gevochten. Zijn meest agressieve belager, met halflang kroeshaar, moet dit hebben gezien. Hij zette een stap naar voren, ving een vuist op met zijn hoofd en werd een levenloze trekpop. De belaagde jongen vluchtte weg tussen de bussen en de trams. Toen wou ik bijna juichen. Ik had niet gezien dat de trekpop in zijn nek was gestoken. Ik had ook geen steekwapen in de onhandige vuisten zien glinsteren. Later heb ik gedacht dat het slachtoffer misschien op zijn eigen schroevedraaier was gevallen. Ik heb me over hem gebogen. De haat was uit zijn blik verdwenen. Hij staarde als een klein jongetje naar een stukje hemel tussen de wolkenkrabbers. Met zachte stem kon hij net een paar woorden articuleren. Hij zei dat hij niets meer voelde. Ik wist niets terug te zeggen. Hij en ik konden nog niet weten dat hij voor het leven verlamd zou blijven.