Kist mien kloeiten

JMH BERCKMANS
4 LAATSTE VERHALEN EN ENIGE NAGELATEN BRIEVEN
Meulenhoff/Manteau, 160 blz., € 19,90

‘PS. Voortdurend en onveranderlijk en kronies en konstant ben ik op zoek naar de rust maar het moet wel de rust zijn van een kist.’ Dixit JMH Berckmans, uit Je kunt geen twintig zijn op suikerheuvel. Ik sta met het boek in mijn hand ietwat theatraal voor wat zijn laatste rustplaats beoogt te zijn op Schoonselhof, park R, rij 11. Beoogt te zijn, want het graf straalt een en al onrust uit. De verwelkte bloemen, de achtergelaten krabbeltekeningen, de afwezigheid van een steen. De plek conflicteert met de strakheid van de omliggende graven, waarin opvallend veel collega’s blijken te vertoeven.
Drie dagen ben ik in Antwerpen. En drie dagen kom ik ‘Jean-Marie’ tegen. Ik kende hem niet persoonlijk. Eén keer sprak ik hem aan de telefoon. Dat wil zeggen: ik luisterde naar een grotendeels onverstaanbare en onbegrijpelijke monoloog. Een waterval aan ach en wee in onvervalst Barakstads. Het gesprek eindigde moeizaam, met de afspraak dat ik hem een keer zou komen bezoeken. Het werd een postuum bezoek.
Ik loop door het Letterenhuis van Antwerpen. ‘Het geheugen van de Vlaamse literatuur’ herbergt een ietwat rommelige collectie van handschriften, eerste drukken en foto’s. Chronologisch gestructureerd, dat dan weer wel. Voldoende houvast om JMH Berckmans te vinden. Maar helaas, nergens een spoor van de Vlaamse Bukowski. Wel van zijn tijdgenoten Brusselmans, Lanoye en Hemmerechts. Ik roep de hulp in van een suppoost en kijk, JMH Berckmans ligt in een weinig opvallende lade. Keurig weggemoffeld tussen de fraai verlichte vitrines van bovengenoemde schrijvers. Passend en schrijnend tegelijk.
In de lade een gekke foto, een dummy met warrige tekeningen en dat was het zo ongeveer. Zie hier, de dorpsgek van de Vlaamse literatuur! Zo gaat dat. Wij ‘Ollanders’ weten ook nog steeds niet hoe wij met de literaire nalatenschap van vergelijkbare geesten als Jan Arends of A. Moonen moeten omgaan. Misschien is dat maar goed ook. Het zegt veel over de weerbarstigheid van hun werk. Teksten die sprankelen van de echtheid. Een kist-mien-kloeiten-houding die schuurt.
De volgende avond bezoek ik een ‘hommage gebracht door dichters en muzikanten’ in literair-artistiek café Den Hopsack. Tegen negenen begint de hommage. Het aantal bezoekers is opgelopen tot een kleine twintig. Op het podium verschijnen onder anderen De Antistresspoweet, Berckmans’ Circus Bulderdrang-compagnon (en nachtburgemeester van Antwerpen) Vitalski, de dichter Kristo, de dochter van de eerste uitgever, een muzikant-die-een-cd-zou-maken-met-Jean-Marie-maar-helaas, een laatste muze en troubadour Guido Belcanto.
Stuk voor stuk worstelen ze zichtbaar met het aanslaan van de juiste tone of voice. Alsof ze zich enigszins schamen voor hun ‘vriendschap’ met de zotte maar o zo geniale JMH. De ongemakkelijkheid van de hommage is diep ontroerend. Zeker als gaandeweg de avond de voordrachten wegebben in een amalgaam van artistieke begroetingen, omvallende glazen en een veelvuldige roep om PAUZE! Want de kroeg stroomt tegen tienen vol met luidruchtige poëten in spe. Na de pauze mogen immers zíj hun kunsten vertonen, op het VRIJ poëzie-PODIUM, en het programma loopt uit.
De volgende dag ga ik naar kerkhof Schoonselhof. Een indrukwekkende verzameling ‘parken’. Met hulp van de Groendame vind ik park R, rij 11. Ik passeer onder meer een gietijzeren varken, een beroepsantwerpenaar, gouden stenen, Hubert Lampo (1920-2006). Berckmans ligt achteraan in de rij. De plek rechts naast hem is nog vrij. Tegenover Berckmans het praalgraf van Herman de Coninck (1944-1997); het stekelige haar van een soort graanplant bedekt net iets te brutaal een groot deel van de rijk dooraderde marmeren steen – en in één moeite door ook maar die van de beide omliggende.
Op Berckmans’ graf ligt een ingelijste tekening. De vochtkringen onder het glas doen hun werk. Ik kan de krabbels nog net ontcijferen. ‘Deze impressie van Cobain wou ik u op de dag van je overlijden schenken.’ In de verte zie ik tussen de bomen iets wat op een gigantische leeuw lijkt.
De vrolijke Groendame rijdt mij in haar elektrische karretje terug naar de ingang. Ze wijst me onderweg op de door de zon opgloeiende rozerode herfstblaadjes. Het knekelbal kan behoorlijk mooi zijn… Tram 24 passeert een reclamebord: ‘De mooiste ICT-uitdagingen vind je langs de Schelde.’ Ik blader opnieuw door Je kunt geen twintig zijn op suikerheuvel. Ik stuit op een aangrijpende passage.
‘En de kinderen op straat lachen magere hein mankepoot vierkant uit omdat ze ’m koddig vinden. Ik ben de naakte man en de avond valt pas en de nacht is nog lang en duurt tot morgenvroeg, als met veel geraas en gebrul de nieuwe dag begint. En anders vertrek ik maar zometeen. Richting einde, al is het onwaarschijnlijk dat ik morgen dood ben. Misschien verlies ik maar met 1-0, een gelijkspel is nu al uitgesloten.’