Kitsche vragen

Televisiekitsch zie je ook bij sommige politieke interviews.
Voor het gemak noem ik kitsch maar even alles wat namaak is.
Het publiek wil bijvoorbeeld dat je als interviewer scherp en kritisch bent. Scherp en kritisch kun je alleen zijn wanneer je de zaken goed hebt bestudeerd, daarover wat eigen onderzoek hebt gepleegd en dat alles eventueel hebt getoetst met enkele kritische redacteuren.
Daar heeft geen televisie-interviewer meer de tijd voor – er is bezuinigd op redacties en op die redacties neemt men juist jongeren aan – want goedkoop – in plaats van duurbetaalde specialisten.
De interviewer moet dus suggereren dat hij scherp en kritisch is, zonder het daadwerkelijk te zijn.
Dat doet hij bijvoorbeeld door vragen te stellen waarop hij een eenduidig antwoord wil hebben: ‘Ik wil nu weten: als u gevraagd wordt, gaat u dan wel of niet naar Europa?’ ‘Dat kan ik nog niet zeggen, want…’ ‘Nee, ik wil het nu weten, gaat u wel of niet naar Europa?’ ‘Ik kan het niet zeggen, want …’
‘Ja of nee!?’
Ik hoorde laatst ook een volgende variant: ‘Ik ken u als een gedreven man, u bent betrokken bij tal van acties, u gaat er voor, zegt u zelf, en wat mij dan verbaast, wat mij dan hooglijk verbaast, is dat u plotseling zo’n keiharde maatregel neemt als…’, et cetera et cetera.
Een grote build up, voor een kleine pay off.
Politici tuinen daar altijd weer in. Wat ze verkeerd doen, is toch keer op keer proberen iets uit te leggen. Waarom? Verlies je je gezicht als je dat niet doet? Ga je af als je weigert antwoord te geven op iets? Ja, in de Tweede Kamer moet je antwoorden, maar toch niet tegenover een interviewer?
Het grappige is dat je nu het omgekeerde ook waarneemt: in de politiek probeert men door kitscherige vragen te stellen – in het besef dat alles wordt uitgezonden – de minister of staatssecretaris in een hoek te drijven.
Het Kamerlid: ‘Het is toch niet zo moeilijk: ik wil van de minister weten of hij met de kennis van nu destijds tot een ander oordeel zou zijn gekomen?’ Als de minister dan zegt: ‘Ik blijf bij mijn oordeel’, dan hoor je de ander vragen: ‘Kunt u niet met een eenvoudig ja of nee zeggen of u nu tot een ander oordeel zou zijn gekomen als u weer voor deze keus was gesteld?’
‘Dat ligt ingewikkelder dan u denkt, ik…’
‘Zo moeilijk is dat toch niet… Maar ik stel vast dat u weigert om deze vraag helder te beantwoorden.’
Wanneer er wordt gesproken over ‘verruwing van het debat’, dan komt dat ook door de kitscherige manier van vragen stellen in de Tweede Kamer. De manier van vragen stellen is namelijk namaak. Negentig procent dramatiek, tien procent inhoud. Je schiet er niet veel mee op. Hoewel… ja, je kunt ermee scoren.
Ik heb het hier al eens eerder beweerd: politici zouden minder op de televisie moeten verschijnen en meer stukken in de krant moeten schrijven. Zo zouden ze in de Tweede Kamer ook daadwerkelijk moeten debatteren over grote vraagstukken, en de gespecialiseerde vraagstukken zouden in de commissievergaderingen behandeld moeten worden. Dus in het parlement spreken we over: blijven we wel of niet in Afghanistan, en in de commissievergadering: als we gaan, hoe gaan we dan, met hoeveel manschappen, en als we niet gaan, wat doen we dan, et cetera et cetera.
Het debat is verkitscht en heeft daarom geen inhoud meer. De persoonlijkheid wint het van de kwaliteit van de vraag.
Rest de vraag waarom – afgezien van drang tot populariteit – politici zo dramatiseren, waarom al die kitsch?
Het antwoord is simpel: het ontbreekt ze vermoedelijk aan kwaliteit om de zaken daadwerkelijk goed te beoordelen en derhalve de juiste vragen te stellen. Als interviewer zou ik nu vragen: ‘Worden we niet bestuurd door amateurs?’