Tracey Thorn, Bedsit Disco Queen

Klaar met de popmuziek

Tracey Thorn, Bedsit Disco Queen: How I Grew Up and Tried to be a Pop Star, € 25,95

Het is eind 1982. Tracey Thorn en haar vriend Ben Watt (beiden net twintig geworden) studeren in Hull en vormen samen een bandje: Everything But The Girl. Hun eerste single is net uit en wordt alom geprezen. Aan de vooravond van hun allereerste gezamenlijke optreden laten ‘mensen rond Paul Weller’ hen weten dat hij misschien wel wil komen meespelen. Paul Weller! In 1982 is de voorman van The Jam een soort God in Engeland, die hit na hit scoort zonder zijn independent roots te verloochenen. Omdat Tracey en Ben in hun studentenkamer geen telefoon hebben, wordt afgesproken dat Weller hun op een bepaald moment zal bellen in de telefooncel aan het einde van hun straat om een en ander door te spreken. En zo gebeurt het. Op het afgesproken tijdstip gaat de telefoon inderdaad over en staan Tracey en Ben opgepropt in een telefooncel met hun idool te praten alsof dat de gewoonste zaak van de wereld is, intussen in elkaars arm knijpend van opwinding.

Het is een veelzeggende anekdote uit Tracey Thorns net verschenen memoir Bedsit Disco Queen. Het verhaal laat zien hoe snel het ging met Everything But The Girl (ebtg voor intimi) en maakt begrijpelijk waarom ze het in het begin van haar loopbaan zo vanzelfsprekend vond dat ze geïnterviewd werd en dat haar platen op de radio werden gedraaid. Waarom het vervolgens zo tegenviel toen dat later in veel mindere mate gebeurde. En hoe door die teleurstelling het succes dat de band halverwege de jaren negentig ineens toch ten deel viel toen de remix van hun nummer Missing een wereldhit werd dusdanig gerelativeerd kon worden dat ze geen behoefte voelde om dat succes uit te bouwen. Op het moment dat hun definitieve doorbraak aanstaande leek te zijn, besloot Thorn dat het genoeg was geweest.

In de prille postpunkperiode waarin Tracey Thorn als muzikante begon, was het ‘doe het zelf’-principe nog volop van kracht: als je zin had om een bandje te beginnen, deed je dat gewoon, ook al had je nog nooit een gitaar vastgehouden. Ook Thorn leerde zichzelf gitaarspelen, ging bij een bandje – ook om een leuk vriendje aan de haak te slaan; waren jongens in een band niet altijd woest aantrekkelijk voor de meisjes in het publiek? – en toen de vaste zanger een keer niet kwam opdagen bij de repetitie wilde ze ook best zingen, zij het vanuit een kast zodat haar bandleden haar niet konden zien. Ze bleek een eigen geluid te hebben: koel en zwoel tegelijkertijd.

Al gauw zong ze meer dan ze gitaar speelde. Door te zingen kon het verlegen meisje dat ze was, schrijft ze, haar gevoelens uiten en werd ze gehoord. Daar genoot ze van. Aan de andere kant: als je zangeres bent, luisteren mensen niet alleen, ze kijken ook naar je. Optreden vanuit een kast is helaas onmogelijk. Deze ambivalentie zou haar haar hele carrière parten blijven spelen. Ze bleef eerder ‘iemand die zingt’ dan een zangeres.

Tracey Thorn was zeker volgens de nu heersende normen een a-typische popster. Ze ging rustig op vakantie als er net een nieuwe single uit was, zich niet bekommerend om enige promotie van de plaat. Ze had geen zin om het in interviews over haar privé-leven te hebben. Ze trok geen sexy jurkjes aan voor optredens en zong liever voor stakende mijnwerkers dan bij Top of the Pops. Daarnaast studeerde ze Engels, verdiepte ze zich in het feminisme (ze vroeg zich zorgelijk af of het verantwoord was om met haar vriendje, een man tenslotte, een band te vormen. Moest ze niet lesbisch worden?) en liet ze heur haar knippen zoals Louise Brooks. Maar zoals ze benadrukt in haar boek: ze was echt niet de enige die toen zo leefde, in de popscene noch in de ‘gewone’ wereld. Ze herkent zich niet in de standaardweergave van de jaren tachtig als een tijd waarin ieder meisje in een colbertje met veel schoudervullingen opgewonden voor de televisie zat om geen seconde van de Royal Wedding (ten overvloede: die van Charles en Diana) of van Band Aid te missen. Zo waren zij en haar vrienden niet. Maar hun werkelijkheid is achteraf gezien niet het dominante verhaal geworden.

Toen ebtg er in 2000 mee ophield, was Thorn klaar met de popmuziek. Watt ging door als dj, zij bleef tot haar volle tevredenheid thuis bij hun drie kinderen. Ze leefde nu in een andere wereld. Toen ze samen met andere moeders op het schoolplein stond, was het eerder gênant dan leuk toen er een grote auto met geblindeerde ramen stopte, een raampje naar beneden werd gedraaid en het zeer herkenbare hoofd van George Michael naar buiten kwam: ‘Tracey! Hoe is het met jou?’ Het bloed kroop echter waar het niet gaan kon: tot haar eigen verbazing kreeg ze in 2006 weer zin om te zingen. Maar wel op haar eigen voorwaarden. Tegenwoordig maakt ze platen, zoals onlangs nog de kerst-cd Tinsel and Lights (2012), maar ze treedt niet meer op en doet alleen aan promotie als ze er zin in heeft.

Het goed geschreven Bedsit Disco Queen, waarin Thorn haar levensverhaal mede vertelt aan de hand van foto’s, songteksten en dagboekfragmenten en interviews uit die tijd, geeft een fraai beeld van vooral de jaren tachtig en is een waardevolle toevoeging op de testosteron-memoires die we kennen van popmusici. Dankzij Thorn weten we nu dat jongens in het publiek niet vallen op het meisje van de band. Die vinden ze veel te intimiderend.


Tracey Thorn

Bedsit Disco Queen: How I Grew Up and Tried to Be a Popstar

Virago, 384 blz.,

€ 24,99