20 januari 1922 – 24 mei 2012

Klaas Carel Faber

Op Duitse bodem leefde de gevluchte Haarlemse oorlogsmisdadiger Klaas Faber decennialang als een vrij burger. Godzijdank werd hij de laatste jaren door journalisten toch nog opgejaagd.

In de roman Allerzielen (1998) van Cees Noote­boom worstelt de hoofdfiguur Arthur Daane, zwervend door de straten van Berlijn, met de volgende vraag: als je een bejaarde tegenkomt, kun je aan de buitenkant nooit zien of iemand in het verleden slachtoffer of dader is geweest. Telkens denkt hij: ‘Wat deed jij in de oorlog, zat je in een kamp, moordde je mee of leidde je een bang burgerbestaan?’ Daane gaat verward aan alle oude Duitsers twijfelen.

Zo’n bejaarde was Klaas Carel Faber. Hij stond bij het Simon Wiesenthalcentrum boven aan de lijst van meest gezochte oorlogsmisdadigers, maar heeft – bijna – tot aan zijn dood vorige week in zijn woonplaats Ingolstadt een onopvallend bestaan kunnen leiden. Na jarenlang te hebben gewerkt bij de Audi-fabriek genoot hij samen met zijn vrouw van zijn pensioen.

Beelden die de Nederlandse journalist Arnold Karskens met een cameraploeg in 2007 van hem maakte, tonen een keurige heer op leeftijd in een geruit zomeroverhemd en met een flinke bos grijs haar. Een doorsnee bejaarde die schuifelend op weg naar zijn flat door Karskens wordt onderschept met de vraag: ‘Wordt het niet eens tijd dat u iets gaat vertellen?’ Faber wimpelt hem af met een wijzende vinger: ‘Kijk, daar staat de politie.’ Dit gebaar geeft aan hoe veilig hij zich voelde in Ingolstadt, een middelgrote stad in het hart van Beieren.

Inderdaad leefde Faber beschermd in Duitsland, waar hij naartoe vluchtte nadat hij tijdens de kerstdagen van 1952 met zes andere gevangenen was ontsnapt uit de Koepelgevangenis in Breda. Het lot was hem gunstig gezind, want hij kreeg in 1947 voor zijn oorlogsmisdaden aanvankelijk de doodstraf, maar het vonnis werd al na een half jaar omgezet in levenslang. Voor deze overtuigde nazi in de kracht van zijn leven weliswaar geen comfortabel vooruitzicht, maar het werd breed ervaren als een groot onrecht. Dat bleek te meer toen hij de benen wist te nemen naar zijn lievelingsland.

In de naoorlogse rechtsstaat kon hij vanwege een bizarre Duitse juridische constructie altijd de dans ontspringen, ook al vroeg Nederland om zijn uitlevering. De Bondsrepubliek leverde hem niet uit omdat hij op grond van het Führer­erlass als SS’er tijdens de Tweede Wereldoorlog automatisch het recht op de Duitse nationaliteit had gekregen. Deze formele en harteloze interpretatie van het recht zorgde in Nederland voor commotie, maar weer niet genoeg om de broze betrekkingen met de handelspartner erdoor te laten verstoren. Met het Wirtschaftswunder waren er bovendien andere tijden aangebroken. Internationaal richtte de blik zich op de wederopbouw van een sterk West-Europa als tegenwicht tegen het communisme aan de andere kant van het IJzeren Gordijn. De focus lag op de vijand in Moskou waardoor de aandacht voor de opsporing en berechting van de schurken uit het Derde Rijk verslapte. In dat klimaat stortten de Duitsers zich met graagte op hard werken om het zwaarbelaste verleden achter zich te laten. Bovendien hadden zij hun portie mentale geseling wel gehad toen de nazitop door het Internationaal Oorlogstribunaal in Neurenberg werd berecht. Vele grote en kleine daders bleven vrij rondlopen, ook omdat er geen beginnen aan was. Faber was slechts een van de velen die hun snor wisten te drukken.

Faber raakte in de vergetelheid, totdat in 2003 een journalist van het Haarlems Dagblad zijn verblijfplaats ontdekte. Omdat pogingen hem alsnog berecht te krijgen opnieuw juridisch stukliepen, namen journalisten de taak op zich hem niet te laten rusten. Met regelmaat klopten zij op zijn deur, waardoor Faber godzijdank op zijn oude dag alsnog opgejaagd werd.

In 2007 maakte de Duitse justitie bekend dat hij en nog drie andere Nederlandse oorlogs­misdadigers – Herbertus Bikker, Heinrich Boere en Siert Bruins – niet meer strafrechtelijk ­vervolgd zouden worden. Nog in 2010 dienden alle fractieleiders in de Tweede Kamer een verzoek aan de Bondsdag in om alles in het werk te stellen Faber voor de rechter te brengen. Ook al was hij stokoud, hij mocht er niet mee ­wegkomen.

Het is tekenend voor een hernieuwde belangstelling voor de oorlog. Op de valreep van het verdwijnen van de laatste ooggetuigen – zowel daders als slachtoffers – worden goed en kwaad weer scherp en actief ingekleurd. Wat nou grijs, als je kijkt naar de misdaden van figuren als Faber?

Klaas Carel Faber, die opgroeide in een fanatiek nsb-gezin, stond tijdens de bezetting samen met zijn broer Pieter Johan bekend als een levensgevaarlijke schurk. Twee maanden na de Duitse bezetting van Nederland meldde hij zich aan als vrijwilliger bij de Waffen-SS Standarte Westland in München en maakte vervolgens als piepjonge SS’er samen met zijn broer carrière in eigen land. Zij waren in Noord-Nederland berucht vanwege hun werk voor de Sicherheitsdienst (SD); als lid van het Sonderkommando Feldmeijer pleegden zij sluipmoorden op verzetsmensen. Ook waren de broers betrokken bij de executies van tientallen arrestanten in de bossen van Exloo, Westerbork en Norg.

Nadat hun eigen vader, een botte banketbakker en een vooraanstaand nsb’er, was geliquideerd door verzetsstrijdster Hannie Schaft zouden zij volledig door het lint zijn gegaan. Zij ontpopten zich tot beroepsmoordenaars, terwijl ze tevens fungeerden als lijfwachten van hun held Anton Mussert. Na de oorlog sprak de rechter over hen ‘als kille moordenaars, de allerergste op Nederlandse bodem’. Pieter Johan kreeg wel de kogel.

Klaas gold voor zijn omgeving als een vriendelijke onopvallende buurman.