Klamme klanken

JACQUELINE OSKAMP Ernst Krenek, Lamentatio Jeremiae prophetae, door het Nederlands Kamerkoor o.l.v. Uwe Gronostay. Verschenen op Globe 5085.
Met een concurrentiedrang die de gemiddelde wasmiddelenfabrikant niet zou misstaan, neigen de podia en ensembles voor nieuwe muziek het publiek om de oren te slaan met premieres: Nederlandse premieres, Europese premieres dan wel wereldpremieres.

Het gevolg is dat de meeste stukken, goed of slecht, na enkele uitvoeringen weer netjes worden opgeborgen. In die ratrace om de aandacht van het publiek is het sympathiek als een gezelschap een ‘oud’ werk van de plank haalt. Zo voerde het Nederlands Kamerkoor in de Matinee afgelopen zaterdag opnieuw de Lamentatio Jeremiae prophetae van Ernst Krenek uit - een werk dat niet alleen al in vele concertzalen geklonken heeft, maar tevens op cd is uitgebracht.
De moeilijkheidsgraad van de Lamentatio zal bij deze reprise zeker een rol hebben gespeeld. In een interview vlak voor zijn dood in 1991 memoreerde de stokoude Krenek dat het werk slechts eenmaal uitgevoerd was: 'In Hilversum in de jaren vijftig.’ In werkelijkheid was dat in Kassel in 1958, maar inderdaad door een Hilversums NCRV-koor onder leiding van Marinus Voorberg.
Krenek schreef het werk in 1942 nadat hij, op de vlucht voor de nazi’s, was uitgeweken naar de Verenigde Staten. Zijn kijk op de wereld was op dat moment buitengewoon pessimistisch. Niet alleen dacht hij dat de Lamentatio nooit uitgevoerd zouden worden, ook verkeerde hij in de veronderstelling 'dat ik Europa nooit meer terug zou zien en ook was ik ervan overtuigd dat men er nooit meer muziek zou maken’.
Dit koorwerk is dan ook inktzwart van toon. Het verloop van de intervallen is onvoorspelbaar. De samenklanken zijn scherp en bitter. Sommige dissonanten zijn zo ijzingwekkend schril dat ze doen denken aan het kille zweet waarin iemand na een nachtmerrie ontwaakt. Dit klankbeeld is op zijn beurt in een extreem complexe vorm gegoten, gebaseerd op een combinatie van vijftiende-eeuwse polyfone principes en seriele technieken.
De korte tekststrofen vormen losse deeltjes die steeds worden ingeleid door een letter uit het Hebreeuwse alfabet: Aleph, Beth, Ghimel enzovoort. Deze letters zijn in een sereen gregoriaans gezet. Daarna barst de hel los: de stemmen bewegen zich grillig door elkaar, maken zich als voor een eenzame tocht los van het geheel, omstrengelen elkaar tot een dicht vlechtwerk, om ten slotte zichzelf weer in de staart te bijten. Alle deeltjes hebben het karakter van een kleine bunker: hermetisch en ongenaakbaar. Dat de muziek toch volkomen transparant blijft, wijst op het vakmanschap van Krenek.
Krenek heeft in vele stijlen gecomponeerd. Zijn beroemde opera Jonnie spielt auf stond in het teken van lichte muziek en de incorporatie van jazzinvloeden. Vervolgens verdiepte hij zich in het serialisme. Na de oorlog deed hij aleatorische experimenten en begaf hij zich op het terrein van de elektronische muziek. Zijn kritiek op Schonberg was dat deze vasthield aan traditionele vormen (bijvoorbeeld de sonatevorm) terwijl hij met nieuw muzikaal materiaal werkte (de twaalftoonsreeksen).
Net als Berg en Webern ging Krenek op zoek naar nieuwe vormen, zoals de reeks korte deeltjes in de Lamentatio. Of hij daarmee een afdoende oplossing voor Schonbergs probleem heeft gevonden, blijft echter de vraag. Ondanks een varieteit aan schrijfwijzen (solostemmen, responsoriaal gezang, canons en contrapuntische weefsels) lijdt de Lamentatio aan eenvormigheid. De grauwe, complexe toonzetting overheerst het beeld - en dan is een uur lang.
Overigens is dat de enige kritiek die je op deze indrukwekkende kolos kunt leveren. Achteraf gezien is de Lamentatio niets minder dan een grote, grijze grafsteen ter nagedachtenis van het bloeiende, vooroorlogse muziekleven in Duitsland en Oostenrijk, waarin het succes ook Krenek toelachte. Een intrigerend werk, dat door het Nederlands Kamerkoor met zoveel zorg en inzet werd vertolkt, dat het klonk als nieuw.