De opstand als tragikomisch Europees ritueel

Klamme verveling

Na 1945 maakten God, heldendom en oorlog in Europa plaats voor vrede, welvaart en entertainment. Hoe lang kan zoiets goed gaan? Want zonder God, heldendom en oorlog moet men op zoek naar andere hartstochten.

Small anp 57189884
Otto Dix, Toter Sappenposten, 1924. Ets, 19,8 × 14,7 cm. Nr. 18 uit een serie etsen getiteld ‘Der Krieg’ © AKG / ANP

‘De Europese droom is een logische uitbreiding van mijn ideeënreservoir, dat permanente aanvoer nodig heeft. Het is een domein dat bevoorraad moet worden, dat niet zichzelf genereert’ – Neo Rauch

1. Heldendom

Het is het voorjaar van 1940. Het Duitse leger staat op het punt het Franse leger te verpulveren. Jan, een spion die voor de Geallieerden werkt, krijgt de ook in zijn ogen merkwaardige opdracht ervoor te zorgen dat een andere spion, ene Albert, bij vrouw en kind blijft. Dat is het uitgangspunt van de novelle De missie van de Tsjechische schrijver Egon Hostovský. In gedachten zegt Jan tegen hen ‘die bang waren en hun vertrouwen bijna kwijt waren, en ook tegen hen die zich haastten om te vechten en te sterven’: ‘Er moet eerst iets worden gesloopt, er moet bovenal iets worden verpulverd als je uit de doodskist van de onvrijheid wilt stappen!’

De haast om te vechten en te sterven, voor het vaderland of voor welk ideaal dan ook, is na 1945 in West-Europa – maar niet alleen daar – aanzienlijk afgenomen. In hoeverre bijvoorbeeld het oorlogsenthousiasme in Duitsland aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog werkelijk breed werd gedragen door de bevolking of veeleer een mythe is, het resultaat van propaganda, is overigens open voor discussie.

Hoe dan ook, het haasten werd treuzelen. Ruwweg is dat het verschil tussen de eerste helft van de twintigste eeuw en de tweede helft ervan, die in 1945 begon. Daaraan moet worden toegevoegd dat de haast om te sterven weliswaar is afgenomen, maar dat het aantal bange burgers dat hun vertrouwen bijna kwijt is eerder lijkt te zijn toegenomen. Het zijn immers altijd weer de woorden ‘angst’ en ‘wantrouwen’, vaak nog voorzien van het woord ‘onzekerheid’, die opduiken in verklaringen voor de opkomst van het populisme, dat vermoedelijk beter rechts-extremisme kan worden genoemd.

Dat treuzelen moest wel gepaard gaan met de ontmaskering van het heldendom. De al te begrijpelijke onwil om als kanonnenvoer te dienen had argumenten en bewijzen nodig; het verlangen om zelf niet vroegtijdig te sterven was als argument wat mager.

In Joseph Hellers roman Catch-22 doorziet kapitein John Yossarian dat oorlog een absurde machine is die velen doet sterven en een paar laat leven, eerder te vergelijken met een epidemie dan met een nobele onderneming. En W.F. Hermans schetst in De donkere kamer van Damokles de verzetsheld als slachtoffer én profiteur van zijn eigen identiteitscrisis.

De ontmaskering van het heldendom had ook een zelfgenoegzame kant. Dat er mensen waren geweest die hun leven hadden geriskeerd of opgeofferd om dat van anderen te redden kon niet worden ontkend. Zelfs als je die daden weigert te omhangen met grote en heldhaftige woorden, aan de daden zelf verandert dat weinig. Het heldendom mag in ongerede zijn geraakt, zelfopoffering blijft een reële mogelijkheid. In samenlevingen zoals de onze, waar het gevoel voor het tragische is verdwenen, is juist de zelfopoffering absurd.

De ontmaskering van de held ontsloeg de burger van de verplichting het leven als veel meer te zien dan het genieten van comfort. Het leven was geen strijd en mocht dat ook niet zijn, het diende een aangename aangelegenheid te zijn, feitelijk een kwestie van luxe. Dat was de consequentie van het ontmaskerde heldendom en uiteindelijk de essentie van de naoorlogse consensus. Over het Wirtschaftswunder kan veel worden gezegd, maar een ideologie is het niet. Veeleer is dat wonder de uitdrijving van ideologie, een vorm van uitgekiend exorcisme. In ruil voor luxe en enige mate van zekerheid diende de burger verleid te worden om af te zien van het fascisme en andere totalitaire ideologieën. Daarbij moet worden aangetekend dat na 1945, met name in Frankrijk en Italië, het communisme een veel reëler gevaar leek te zijn dan het fascisme, voorzover het woord ‘gevaar’ hier op zijn plaats is. De ietwat aristocratische aanname dat leven baden in diverse vormen van luxe is, werd het ware en beslist niet onaantrekkelijke gezicht van het hedendaagse Europese pacifisme, van Europa zelf zou ik zeggen.

Niet dat er vóór 1945 geen weerzin bestond tegen het heldendom, dat in werkelijkheid een gruwelijke slachtpartij was. Ik denk aan de tekeningen van Otto Dix, die zelf nog vrijwillig dienst had genomen in het Duitse leger tijdens de Eerste Wereldoorlog. En in 1928 verscheen Im Westen nichts Neues van Erich Maria Remarque als feuilleton in de Vossische Zeitung. Wat in de tweede helft van de vorige eeuw veranderde, was dat de weerzin om te sneuvelen voor de politieke ambities van anderen, die eerst voornamelijk was geformuleerd door een avant-garde, verwerd tot staatsdoctrine. Het beste kan deze verandering worden geïllustreerd door de bekende, aan Willy Brandt toegeschreven uitspraak: ‘Von deutschem Boden darf nie wieder Krieg ausgehen.’

In de Duitse grondwet is bovendien nadrukkelijk vastgelegd dat voorbereidingen voor een Angriffskrieg, een offensieve oorlog, verboden zijn en bestraft dienen te worden. Let wel: zelfs al de voorbereidingen. Duitsland en de EU zijn niet identiek, maar het is de hierboven geschetste Duitse staatsdoctrine die ten grondslag lag aan de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal – zonder de rol van Frankrijk te willen bagatelliseren – en daarmee aan pogingen tot verdere Europese eenwording.

Geen God, geen held, geen oorlog, dát is Europa in de tweede helft van de vorige eeuw. Wel: vrede, welvaart en entertainment. En nee, ik heb bijvoorbeeld Indonesië, Algerije en Joegoslavië niet over het hoofd gezien, maar het verbannen van oorlog naar de periferie kan ook vrede worden genoemd, zeker na de eerste helft van de twintigste eeuw. De vraag is hoe lang zoiets goed kan gaan.

Om te begrijpen wat de gevaren zijn van een langdurige toestand van vrede en entertainment moeten we terug naar Hostovský’s De missie, waar Jan zegt dat sloopwerk moet worden verricht ‘als je uit de doodskist van de onvrijheid wilt stappen’.

Vrijheid is hét symbolische en daarom ook zo vaak misbruikte woord in het naoorlogse Europa. Er was weliswaar niets meer om voor te sterven, maar het kon niet worden ontkend dat er mensen waren gestorven voor een betrekkelijk goede zaak en bij gebrek aan betere alternatieven werd die zaak ‘vrijheid’ genoemd, al was het maar omdat vrijwel niemand daar aanstoot aan kon nemen. Wie kan tegen de vrijheid zijn? Zelfs dictators, die er alles aan doen om de vrijheid van hun onderdanen te beteugelen, zullen lofliederen op de vrijheid zingen, zoals ook oorlogen meestal in naam van de vrede worden gevoerd.

Maar Hostovský suggereert dat vrijheid – althans het ontsnappen aan de doodskist van de onvrijheid, en komt dat niet op hetzelfde neer? – destructie vereist: slopen en verpulveren.

Na de ontmaskering van heldendom en God, na de totale ontmaskering, rest kennelijk nog alleen de onvrijheid, die wij herkennen aan de verveling en die daar allicht ook niet wezenlijk van verschilt. De eerste helft van de twintigste eeuw was het demasqué, de tweede helft bestond uit pogingen om van dat demasqué te herstellen. De overmoedig geworden patiënt denkt nu zijn bed te kunnen verlaten en wenst zijn dieetregels naast zich neer te leggen. Hij wil zich weer te goed doen aan het snoepgoed dat hem ooit doodziek maakte. Het herstel verveelt hem.

Wordt Europa hier niet al zeer gereduceerd tot de twintigste eeuw? Ik meen van niet. Zoals het leven van een groot misdadiger uit niets anders dan zijn grootste misdaden lijkt te bestaan – al het andere is voor- en naspel – zo leven de wandaden van Europa voort in de straten en de huizen, in de politici en hun kiezers, in de taboes en de pogingen die te breken. De kunst is ondergebracht in musea en andere reservaten, waarover verder geen kwaad woord. Waar zou zij anders moeten wonen? En de cultuur? In het hart van de Europese cultuur zitten twee grote misdaden die alle cultuur eromheen problematisch maken, om Walter Benjamin te parafraseren: wij kunnen niet aan de Europese beschaving denken zonder barbaren voor ons te zien.

Het is interessant om te zien hoe Hostovský verder gaat nadat hij de doodskist van de onvrijheid heeft benoemd: ‘Maar een soldaat van het ineenstortende leger stelde hardop de vraag: “Meneer, kunt u mij vertellen waarom je toch met elke stap die je in vrijheid verricht iemand kwetst die je niet wilt kwetsen.”’ Aha, de vrijheid is kwetsend. Deze soldaat kwetst zonder dat te willen, maar als de overtuiging groeit dat het belangrijkste kenmerk van vrijheid is dat die kwetsend moet zijn voor anderen, dan zal men vroeg of laat overgaan tot kwetsen, alleen al om de sensatie te hebben zich vrij te voelen.

En natuurlijk moet ook niet vergeten worden dat gekwetst worden verrukkelijk kan zijn, uiteraard vanwege de heden ten dage zo begeerde slachtofferrol – bij gebrek aan helden is het slachtoffer de held. Niet om wat hij heeft gedaan, maar om wat hem is aangedaan – maar ook omdat de kwetsuur verwijst naar de vrijheid. De vrijheid waarover de Amerikaanse minister van Defensie Donald Rumsfeld kort na de invasie van Irak in 2003 zei: ‘It’s untidy, and freedom’s untidy.’ De vrijheid, zo leert Hostovský, is immers kwetsend.

De helden van tegenwoordig strijden voor hun eigen genot. In die zin zijn wij allen helden

In tijden van vrede, welvaart en entertainment is het kwetsen de symbolische vervanging van de oorlog geworden, die oorlog waarover sommige oorlogscorrespondenten en enkele militairen telkens weer vertellen dat het naast al het andere ook een avontuur is, mits je het er levend van afbrengt, bij voorkeur met beide benen en armen.

Dat oorlog in tijden van vermaak en vrede vervangen dient te worden door iets wat meer in overeenstemming is met huidige verlangens, opvattingen en wensen is onvermijdelijk, zoals bijvoorbeeld ook de joodse religie het dierenoffer vervangen heeft door gebeden. Wensen en verlangens veranderen niet wezenlijk, maar de manier waarop zij vervuld mogen worden is afhankelijk van culturele eigenaardigheden, taboes en etiquette.

Als de kwetsing een voorwaarde is voor genot, dan is het grensoverschrijdende an sich misschien een voorwaarde om je vrij te voelen. De sensatie van de vrijheid, het gevoel genezen te zijn van op lethargie lijkende verveling, zou wel eens het genot zelf kunnen zijn; in tijden van vermaak is vrijheid een genotsmiddel. (Of deze sensatie identiek is aan werkelijke vrijheid is een andere vraag.)

De taboebreuk, populair in het hedendaagse Europa, met name bij extreem-rechts, is geen antwoord op een reëel bestaande misère, maar op het verlangen de doodskist van de onvrijheid te verlaten. Is dat een goed idee? Hostovský laat er weinig twijfel over bestaan dat de ene doodskist slechts voor de andere wordt ingewisseld.

De helden van tegenwoordig strijden voor hun eigen genot. In die zin zijn wij allen helden.

***
Small anp 57189880
Otto Dix, Die Trümmer von Langemarck, 1924. Ets, 30 × 24,6 cm. Nr. 25 uit een serie etsen getiteld ‘Der Krieg’ © AKG / ANP

2. Het verval, de verveling en de roes

In 1929 schreef Walter Benjamin een essay over het surrealisme met als ondertitel: ‘De laatste momentopname van de Europese intelligentsia’. Hij begint met de stelling dat de Franse literatuur van vlak na de Eerste Wereldoorlog (1919) op een ‘armetierig beekje’ mag lijken, gevoed door ‘de klamme verveling van het naoorlogse Europa’. Hij voegt er echter aan toe dat de ‘Duitse waarnemer’, die ver van de bron van dat beekje staat, ‘de energieën van de beweging’ kan beoordelen. Het verval van geestelijke stromingen, aldus Benjamin, kan voor de criticus groot genoeg zijn om er een energiecentrale op aan te sluiten.

Klamme verveling, dat zijn niet twee woorden waarmee wij nu aan het interbellum denken, maar in het interbellum zelf, voor hen die nog niet zeker wisten hoe het afliep, zag het er dus anders uit. Benjamin citeert, niet zonder bewondering, André Breton: ‘Stil. Ik wil daar gaan waar nog niemand is gegaan, stil! – Na U, geliefde taal.’

Verveling en opwinding gaan hand in hand. Verveling is misschien een voorwaarde voor opwinding, eerst de verveling dan de opwinding, zoals de vliegenklopper kan bestaan dankzij de vlieg.

Wat mij intrigeert – niet alleen aan Bretons citaat, maar tot op zekere hoogte aan het gehele essay – is het geloof dat eruit spreekt, het geloof in de mogelijkheid te gaan waar niemand is gegaan, te ontdekken wat voorheen onontdekt was. De geest van de revolutie leeft nog en die geest bespringt niet alleen de politiek, de bestrijders van onrecht, die soms de gedaante aannemen van beroepsrevolutionairen, maar ook de kunstenaars die de revolutie willen voorbereiden. De kunstenaar gaat voorop, de burger zal volgen.

Hier is de kunstenaar nog een verkenner, terwijl heden ten dage de kunstenaar eerder een bediende is, kok en ober ineen. Ik zeg dit zonder bitterheid; als alles en iedereen ontmaskerd is, zou het onrechtvaardig en onwaarschijnlijk zijn als de kunstenaar buiten schot blijft. Waaraan zou hij dat hebben verdiend? Het fundament onder de autoriteit is verdwenen, waardoor de autoriteit zelf onvermijdelijk ridicuul is geworden. Dat geldt des te meer voor de kunstenaar die nog voor autoriteit wil spelen, terwijl zijn publiek al lang heeft begrepen dat de kunstenaar blij moet zijn als hij in de bediendenkamer mag logeren.

De geest van de revolutie is dood. Niemand zou een tweedehands geest moeten dienen, maar bij gebrek aan beter is de tweedehands geest nog altijd in trek. Maar Benjamins analyse van de Europese intelligentsia – ‘een laatste momentopname’ zoals hij het noemt – verschilt van een momentopname van de huidige Europese intelligentsia door de genoemde overtuiging, het geloof in de mogelijkheid dat de kunstenaar plekken betreedt die nog onbetreden zijn.

Dit vurige verlangen, misschien is het woord ‘geloof’ op zijn plaats, was gestoeld op het feit dat de drie-eenheid God, heldendom en oorlog nog niet veranderd was in de ons al te bekende ruïne die tijdens kantooruren geopend is voor toeristen. Het tot autoriteit bombarderen van iets wat geen autoriteit meer heeft, is een belachelijke onderneming, wat een andere manier is om te vragen: wat valt er, als de autoriteit een ruïne is, nog te doen? Het voorkomen van nieuwe ruïnes allicht. In de huidige constellatie zal de kunstenaar dan eerder mét dan tegen de autoriteiten werken.

Benjamin spreekt over de ‘bittere, hartstochtelijke opstand tegen het katholicisme’ van Rimbaud, De Lautréamont en Apollinaire waaruit het surrealisme voortkwam. Ik zie niet hoe zonder God, heldendom en oorlog van werkelijke hartstocht sprake kan zijn. Misschien is er nog bitterheid. Het op sociale media ridiculiseren van bijvoorbeeld Donald Trump, een hobby, ja bijna een fulltime baan van een deel van de westerse intelligentsia, geeft goed aan hoezeer de opstand verworden is tot tragikomisch ritueel.

De voorstellingen van extreem-rechts van het glorieuze verleden, een veelal bij elkaar verzonnen en gegrabbelde montage, ontberen een reële band met de geschiedenis. De gewonde, verbitterde frontsoldaat die zich na de Eerste Wereldoorlog afvroeg waarom hij alles had verloren, had een band met de geschiedenis, men leze bijvoorbeeld het werk van Joseph Roth. De huidige aanhang en leiding van extreem-rechts vertolkt slechts artificiële bitterheid – de bitterheid is flinterdun – wat niet betekent dat de rancune niet gevaarlijk kan zijn, maar wat mede zou kunnen verklaren waarom de geweldsbereidheid vooralsnog gering is.

De neiging tot nostalgie is niet alleen aan extreem-rechts voorbehouden. Lezen over Breton, Breton zelf lezen, dat alleen al zou nostalgisch kunnen stemmen. Zijn geloof in de rol van de kunstenaar, die gemakkelijk als een heldenrol kan worden begrepen, is aanlokkelijk. Hoe dan ook zal de opvatting dat de kunstenaar een verkenner is ook voor de hedendaagse variant aantrekkelijk lijken. Het verleden was zoveel mooier, rijker en beter dan het immer teleurstellende heden, maar die neiging dient men wat mij betreft, ook in zichzelf, zo snel mogelijk te kortwieken.

Wij mogen het avontuur van de bittere, hartstochtelijke opstand missen, daar staat tegenover dat wij niet, om Henry Miller te citeren, ‘in de paradepas naar de kerker van de dood’ hoeven. Geen slechte ruil. In Nederland wordt tegenwoordig gewerkt aan een wet die het de burger boven een bepaalde leeftijd mogelijk moet maken met hulp van de overheid zachtaardig heen te gaan; het leven is voltooid. Een indicatie dat de kerker van de dood voor velen tegenwoordig eerder een bevrijding is uit de kerker van de verveling dan een aartsvijand.

En waar blijft de roes, als ik zo vrij mag zijn, hoe kortstondig ook, de extase, zonder welke het leven wel erg op fabrieksarbeid gaat lijken of op zijn best op een weinig avontuurlijke omweg naar het bejaardentehuis?

De mens is een wezen dat gelooft dat er andere mensen bestaan voor wie dood en verwonding minder erg zijn dan voor hemzelf

Benjamin verbindt de roes, in navolging van de surrealisten, met de droom en de drugs. Hij verwijst naar de beroemde, door hem aan Lenin toegeschreven uitspraak dat religie opium voor het volk is. Daarmee zijn ‘deze beide dingen’, te weten de extase en de religie, ‘dichter bij elkaar gebracht dan de surrealisten lief zou zijn’. Benjamins intuïtie, als ik hem hier juist begrijp, lijkt me correct, opium zal altijd nodig blijven. Wat wij onder religie verstaan is slechts een van de verschijningsvormen ervan.

Maar dat het volk, wij, zonder zou kunnen is een illusie, en zoals veel illusies, eentje met destructieve kanten. Het geloof in de rationaliteit van de mens, ook wel genoemd het geloof in de homo economicus, is de consequentie van die illusie. De gedachte dat mensen zijn toegerust zich zonder vormen van verdoving door de zogenaamde werkelijkheid heen te slaan, komt mij voor als groteske overschatting van wie wij zijn, iets van wat in Duitsland Realitätsverlust wordt genoemd. De agressieve atheïsten, dat wil zeggen de atheïsten die willen bekeren, doen mij denken aan leden van de blauwe knoop, aan mensen die niet moe worden hun medeburgers ervan te overtuigen dat ze af moeten zien van alcoholgebruik.

In zijn essay bengt Benjamin de roes en het kwaad bij elkaar, hij verbindt Dostojevski met Rimbaud, en stelt dat zonder dat ze de klokken gelijk hadden gezet zowel in Frankrijk als elders in Europa geschriften ‘explodeerden’. Dan schrijft Benjamin, verwijzend naar Stavrogin, het hoofdpersonage van Dostojevski’s Boze geesten: ‘Niemand heeft zo goed als hij begrepen hoe onnozel de kleinburgerlijke opvatting is dat het goede bij alle mannelijke deugd van hen die het in praktijk brengen, door God is geïnspireerd, terwijl het kwaad geheel uit onze eigen spontaneïteit zou stammen en we daarin zelfstandige en geheel op onszelf teruggeworpen wezens zijn. Niemand heeft zoals hij ook in de meest laaghartige handelingen, ja juist daarin de inspiratie gezien. Zelfs de boosaardigheid heeft hij herkend als iets voorgevormds niet alleen in ’s werelds loop, maar ook in onszelf, als iets waartoe we zijn voorbeschikt, zo niet geroepen, zoals de deugd dat is voor de idealistische bourgeois. De God van Dostojevski heeft niet alleen hemel en aarde en mens en dier geschapen maar ook de gemeenheid, de wraakzucht, de wreedheid.’

Wat Benjamin hier zegt, zich beroepend op Dostojevski’s God, is dat de als onwenselijk ervaren menselijke gedragingen en eigenschappen geen mutaties zijn, geen neveneffecten van maatschappelijke misstanden die uit de weg geruimd kunnen worden met de juiste revolutionaire geest. De deugd komt uit dezelfde bron als boosaardigheid.

‘De cultus van het kwaad’, die Benjamin aantreft bij Rimbaud en De Lautréamont, en die hij indirect maar nadrukkelijk verbindt met de roes, wordt verklaard door Dostojevski. Het kwaad is door God geïnspireerd. En geen roes zonder het kwaad; de grensoverschrijding, die voorwaarde is voor de roes en de extase, bestaat uit het betreden van de wereld van het onwenselijke, de gemeenheid, de wraakzucht, de wreedheid. En ook de deugd, ook die kan de vruchtbare bodem zijn waarop de roes ontspruit, zij het dat deze variant vrij zeldzaam is.

Eigenlijk verklaart Benjamin hier zijn eigen revolutionaire geest dood, want als Dostojevski gelijk heeft, dan is de revolutionaire geest tot mislukken gedoemd. Je kunt niet bestrijden en nietig verklaren wat integraal deel uitmaakt van de schepping en als de boosaardigheid uit dezelfde bron ontspringt als de deugd, dan zal geen enkele maatschappelijke hervorming de boosaardigheid doen verdwijnen.

Wat het Europa van na 1945 niet werkelijk heeft willen zien, en er zijn goede excuses voor deze blindheid, is dat de gemeenheid, de wraakzucht en de wreedheid niet zullen en niet kunnen verdwijnen als sneeuw voor de zon van het Wirtschaftswunder. De cultus van het kwaad, die al werd bezongen en voor onvermijdelijk werd verklaard door de dragers van de Europese cultuur, bijvoorbeeld Dostojevski, is over het hoofd gezien.

De idealistische bourgeoisie, over wie Benjamin al schreef en die, voorzover zij de oorlog overleefd heeft, min of meer idealistisch is gebleven, is verblind door de aanbidding van de deugd. De bourgeoisie keerde zich af van de mythes en verhalen die haar mede hebben vormgegeven. Geen werkelijk verval, eerder een weeffout, iets wat in de wereld van de technologie wellicht met een update hersteld zou kunnen worden. En zelfs als we dat verval zouden willen noemen, laten we niet vergeten dat ook op dit verval een kleine energiecentrale kan worden aangesloten, en niet alleen die van de criticus. Genoeg voor de voortgang. Een overlevingsmachine, zuurstofmasker.

***

3. Het kwaad, een postscriptum

Hoewel Ronald Reagan in 1983 de Sovjet-Unie een ‘evil empire’ noemde, keerde het kwaad in Europa pas echt terug met 9/11, iets wat ikzelf die dag en de weken erna over het hoofd had gezien. Ik schreef een relativerend stuk in een Nederlandse krant over de aanslagen, wat niet iedereen kon waarderen, maar wie niet kan relativeren dreigt aan de geringste ramp ten onder te gaan en terrorisme is zelden tot nooit een reële bedreiging voor een staat. Ik had echter te weinig rekening gehouden met al te menselijke angst. Wat daar gebeurt kan ook hier gebeuren, dus mij overkomen. Waar ben ik veilig? Waar zijn wij veilig? Een vraag die altijd draait om de definitie van ‘wij’.

Aanslagen in Pakistan, Peru, ook nog Israël, zijn van een andere orde. Nog steeds. De mens is een wezen dat gelooft dat er andere mensen bestaan voor wie dood en verwonding minder erg zijn dan voor hemzelf. Misschien deelt hij deze overtuiging met elk ander roofdier. Na 9/11 zag de Europeaan dat de dood ook in zijn ‘eigen’ steden kon huishouden, want New York ziet hij als zijn eigen stad. Ook de westerling bleek weer te kunnen sterven als een hond. Een enkeling zag daarin een vorm van rechtvaardigheid.

Het kwaad werd net zo reëel als in een roman van Dostojevski. Tegelijkertijd was de vraag nijpend wat het kwaad nu precies betekende als je voor de bestrijding ervan niet bereid was te sneuvelen, anders gezegd: het kwaad in tijden van vermaak is ook vermaak, het kwaad bestrijden eveneens. Het vermaak sluit natuurlijk geen catastrofale gevolgen uit, de oorlog tegen terrorisme mag genoemd worden, al zal ook die catastrofe voor sommige mensen eerst en vooral nog vermaak blijven.

De revolutionaire geest is dood en we hoeven dat niet te betreuren. Ook zonder die geest blijft er genoeg verval over die voor energiecentrale kan spelen. Dat Nachtrauern van de revolutionaire geest zou net zoiets zijn als mannen van in de vijftig die zwijmelen bij de idolen uit hun jeugd, niet omdat die beter zijn dan de huidige idolen, maar omdat het hún idolen waren.

Forum on European Culture

Dit essay van Arnon Grunberg verschijnt in de Engelstalige bundel An Independent Mind: Europe and the Arts, met essays van de beste Europese schrijvers en denkers van de twintigste eeuw. Het boek wordt gepresenteerd in De Balie tijdens het vierdaagse festival Forum on European Culture (31 mei t/m 3 juni) over Europese kunst en cultuur, waarbij denkers en makers uit de hele wereld samenkomen in Amsterdam. Het thema van het festival is: Act for democracy!

Voor meer informatie zie: debalie.nl

De benjaminiaanse gedachte dat het zo niet verder kan, is vervangen door het inzicht dat het zo maar verder moet. Daarnaast zijn er personen die uit pure verveling de doodskist van de onvrijheid, de catastrofe, naderbij proberen te roepen door burgers te mobiliseren, door de vijand te definiëren, door de ene bevolkingsgroep op te zetten tegen de andere, door de bestaande orde als onhoudbaar te definiëren. Een karikatuur van de revolutie, voortgedreven slechts door het eigen, ietwat ondefinieerbare onbehagen. De politiek is daartoe het middel bij uitstek. Verveling, de doodskist van de onvrijheid, lethargie, en heimelijk of niet eens zo heimelijk verlangen naar actie dan wel catastrofe; ook een explosieve mix.

De (westerse) kunstenaar loopt al lang niet meer voorop met een ideologische vlag en doet geen poging meer contact te krijgen met de ‘proletarische massa’, die toch nog vrij ongemerkt is opgelost en vervangen door andersoortige massa’s, die van het voetbalstadion, de skipiste, het popconcert en de betere supermarkt.

Nogmaals, verlangens en wensen – wat de Duitse dichter Durs Grünbein onlangs samenvatte met ‘vermaak, bloedvergieten en geschreeuw’ – veranderen niet wezenlijk, maar de vervulling ervan kan minder cru. Op het spandoek van de kunstenaar staat geschreven ‘sublimatie, sublimatie en nog eens sublimatie’, zelfs al heeft hij zich getooid met medailles en andere versierselen van de revolutionaire geest.

En de broederschap, waarover in Europa altijd weer is gesproken? Die hoeft hier niet door het slijk te worden gehaald, maar veel meer dan sublimatie van het verlangen om de ander iets aan te doen, om de concurrent uit de weg te ruimen, hoeft broederschap niet te zijn. Veel meer dan dat kán het vermoedelijk niet zijn.

In Schillers ‘An die Freude’ is weliswaar nog sprake van mannentrots en andere ietwat ongemakkelijke referenties, en zijn utopische gedachte verdient al onze sympathie, maar als hij dicht over ‘diesen Kuß der ganzen Welt’ zou ik me de opmerking willen veroorloven dat wij met blijdschap en tevredenheid mogen volstromen als die kus geen doodskus blijkt te zijn geweest.