Klapboeken

Ruimtelijke manuscripten. Berlage Instituut, IJsbaanpad 3, Amsterdam, tot en met 14 juni.
Kunstenaars scharen zich zelden nog onder een banier. Zodra we in meervoud moeten spreken, is het uit met de idealen. Revolutie, de Utopie, het verbond tussen intellect, kunst en arbeid - het zijn wel erg versleten doeleinden. Zelfs de vaststelling dat er geen enkele ‘collectieve basis’ meer is, is zo'n cliche geworden dat geen kunstenaar daar nog een vriendschap aan waagt. Ieder voor zich.

Natuurlijk, de roep om engagement, deelname aan het ‘kunstenaarsgesprek’ of activiteiten in een 'kunstenaarsinitiatief’ komen veel voor. Velen hebben genoeg van het eenzame leven in een autonoom atelier, waar alleen subsidiegevers langskomen ter beoordeling van de professionaliteit. Niettemin blijft iedereen zijn persoonlijke 'statement’ maken, of word je door curatoren om je persoonlijke 'passie’ gevraagd. Resteert de grote vraag hoe deze passie een missie kan worden waarvoor gelijkgezinden kunnen worden gemotiveerd.
Moet dat dan? zult u vragen. En ja, het verhaal is bekend: het einde van de grote ideologieen, metaverhalen, geschiedenis en utopie, daar kun je toch niet meer aan voorbijgaan in een naieve oproep tot samenscholing? Maar die proclamaties zijn zo langzamerhand zelf een metaverhaal geworden. De Baudrillard-klinische dood van het sociale is zelf ook weer een interessant sociaal fenomeen. Het is niet verwonderlijk dat steeds meer kunstenaars het niet bij necrofilie willen laten. Ik bedoel, ze hebben afstand genomen van dat sociale gedoe rond de dood van God en zijn weer begonnen.
Wat er na alle abstracte theorievorming overblijft, is de ervaring. Ruimte, materie, maat en afstand. Gemeenschappelijkheid blijft intact voor zover het de voorwaarden van het leven zelf betreft, de belevenissen der zintuigen. In plaats van partijvorming voor wat anders moet in deze wereld, kan dat nu gebeuren voor wat altijd hetzelfde blijft. En dat kan heel opmerkelijke (en uiteenlopende!) resultaten opleveren. Je richt de Stichting Vedute op, schrijft kunstenaars, architecten, choreografen en ontwerpers aan, en vraagt ze om een 'ruimtelijk manuscript’ te maken binnen een volume van 44 x 32 x 7 centimeter. Alles is mogelijk, als het maar binnen de gegeven grenzen valt. Er is geen sprake van paternalisme, alleen maar de vraag iets te maken dat a) langdurig in bruikleen mag; b) in de aangeschafte boekenkast past; en c) vergeleken kan worden.
Want vergelijken doe je natuurlijk. Hoewel elk werk op zichzelf staat en verschillende van de nu voltooide 'boeken’ langdurig de aandacht voor zichzelf vasthouden, is het vooral aardig om te zien hoe de kunstenaars reageren op de gegeven maat. Neutraal en objectief als dat uitgangspunt is, komt juist in de vergelijking tot uitdrukking hoe die voor eeuwig gedeelde ervaring van ruimte bij het op begrip brengen daarvan verschillen oplevert. Het is opvallend met hoeveel talent de deelnemers binnen de grenzen van lengte, breedte en hoogte hun eigen weg gaan.
De initiatiefnemende stichting beheert nu veertig werken. Vrijwel alle makers beschouwen de ruimte als een ervaringsfeit, niet als cerebrale categorie. Het gaat vrijwel steeds om een onderzoek naar het gevoelsaspect van de maat, de materialen, de ruimten tussen verschillende elementen, het trompe l'oeil van spiegels of perspectiefmanipulaties. In plaats van het boek te beschouwen als een neutrale doos die klaar is om met decodeerbare tekens te worden gevuld, kiest men letterlijk voor een manu-script, waarbij de ontcijfering plaatsvindt via tastzin en ruimtelijk gevoel.
Het werk van Marije Romme bevat weliswaar een aantal figuratieve afbeeldingen, maar ook dit manuscript valt op door het karakter van 'klapboekje’ dat op meerdere manieren open kan vallen. De hele collectie maakt duidelijk dat werken vanuit gegeven afmetingen vraagt om een spel met de fysica.