Klappen van de Arend

Je hebt als schrijver altijd de illusie dat je in je romans niemand vertegenwoordigt. Hoogstens jezelf. Aan schrijvers zoals ik, wit tot en met, horend tot de elite, hetero, zonder postkoloniale hangups, vragen ze nooit of ik iemand, of een groep, vertegenwoordig.

Anders ligt dat bij schrijvers met een Indisch-Nederlandse achtergrond. Postkoloniale schrijvers worden ze ook wel genoemd. Alfred Birney schrijft er in zijn essayboeken Yournael van Ciberney (2001) en De dubieuzen (2012) bijzonder indringend over. Het is echt nooit goed. Schrijft hij een verhaal of een roman waarin geen Indo of ‘halfbloed’ te bekennen is, dan krijgt hij van zijn mede-Indo’s het verwijt hun zaak te verraden. Schrijft hij een boek waarin het wél om de etnische en culturele achtergrond van hem gaat, dan wordt hij weer in de hoek van de postkoloniale letterkunde geduwd en valt hij buiten de literaire canon van dit moment, die door esthetisch georiënteerde recensenten zoals ik in de lucht wordt gehouden. Birney maakt zich er vrolijk over in zijn essayboeken, af en toe is hij daarin ook bitter en sarcastisch, maar hij blijft to the point en zelfmedelijden staat bij hem niet hoog op de agenda. Fuck them all is ongeveer zijn adagium.

Medium ap alfred birney c patricia bo cc 88rger terverzending

En nu is er dan zijn nieuwe roman, wat mij betreft zijn magnum opus. Veel van zijn in eerdere romans (Vogels rond een vrouw, 1991, Het verloren lied, 2000) verwerkte autobiografische thema’s komen hier samen in een groot en fraai verband. Waar je soms erg hard om kunt lachen, dat maakt deze in de grond bitter-ernstige roman af en toe merkwaardig licht. Kindermishandeling, gedoemde Indische achtergrond, oorlogstrauma’s, verlorenheid tussen culturen, vervreemding en de wil om te overleven. Plus de relatie van een zoon met een verschrikkelijke vader en het leven in jeugdtehuizen. Birney slaagde erin deze thema’s van nieuw leven te voorzien. En het zit ’m zoals altijd in de stijl, en in dit geval in de verschillende stijlen. Aan de ene kant de laconieke, soms sarcastische, en op z’n tijd dus vrolijke stijl van de herinneringen aan een vreselijke jeugd van de hoofdfiguur. Hij keert terug naar zijn jeugd en vooral naar zijn vader van Nederlands-Chinese afkomst (bijnaam ‘de Arend’): traumalijder, oorlogsmisdadiger, kindermishandelaar, halve gare gek. Hoe was het ook weer? Af en toe deelt de verteller zijn herinneringen met zijn tweelingbroer. Klopt het allemaal wel? Wat gebeurde er eigenlijk?

Door literaire stijl jezelf overeind proberen te houden, de vernederingen vergeten – hier is Birney op z’n allerbest

En juist bij die reflecties over de herinneringen grijpt Birney de kans om ineens de zaken zeer humoristisch op scherp te zetten. Neem een gesprekje met de moeder (‘het kamerolifantje’), met wie hij herinneringen ophaalt over een latere zwangerschap. ‘“Door een gescheurd condoom, toch?” “Hoe weet jij dat?” “Dat heb ik van Pa.” “Ach, die vader van jou is hartstikke gek, maar ja, het kan wel zijn, ja, je moest die dingen omspoelen en steeds weer gebruiken, wat een koleredingen waren dat.” “Ik heb ze nog op de wastafel zien liggen…” “Wat? Toen jij zo klein was?” “Met Phil, hij zag ze ook liggen. We hebben ermee gespeeld geloof ik. Maar toen waren de anderen al geboren.”’

Ach, wat een mooie scène, én zeer grappig, én een beeld van de vroege jaren zestig. Als je zo kunt schrijven, kun je alles aan. En Birney gaat niets uit de weg. De vader van de held wordt in al zijn krankzinnigheid ongegeneerd neergezet, de paranoia en de mishandelingen die hij zijn kinderen laat ondergaan. Plus hun reacties daarop. De schrijver geeft ergens een tienpuntige opsomming van de soort klappen die je van ‘de Arend’ kon oplopen. ‘Elke les van een Indo die in de oorlog had gezeten, ging met een tik op je smoel gepaard.’ Het is allemaal, triest, verschrikkelijk, maar tegelijkertijd houdt de verteller zijn rug recht door juist van die opsomming iets droogs en laconieks te maken. Als iets wat bijna buiten hemzelf om ging. Door literaire stijl jezelf overeind proberen te houden, de vernederingen vergeten – hier is Birney op z’n allerbest. Ook zijn laconieke, maar treffende beschrijvingen van het naoorlogse halve of hele dagelijkse racisme in Nederland raken steeds de kern.

Een heel andere stijl hanteert hij in de herinneringen van de getraumatiseerde vader aan zijn tijd in Indonesië na de capitulatie van de Japanners. Deze verslagen, tot en met de ‘politionele acties’ van 1947 en 1949, beslaan een groot deel van de roman. Ze zijn meeslepend, gedetailleerd, bloedig, pijnlijk erg en geschreven in een gejaagde documentaire stijl die je naar de keel grijpt en die volstrekt geloofwaardig overkomt. Aan wie moest deze man trouw zijn? Aan de Indonesische vrijheidsstrijders die uitermate wreed optraden of aan de Hollanders die niets van de geschiedenis begrepen? Hij pleegde al zijn wandaden ‘in naam van Oranje’ en van koningin Wilhelmina, ik las dit met toenemende beklemming. Birney laat de loyaliteitswanhoop van deze man in de stijl van diens memoires doorklinken. Maar de ik-verteller brengt ook op latere leeftijd geen enkel begrip op voor de mishandelingen door zijn vader die hij als kind onderging. Hoogstens biedt hij uitzicht op een verklaring. Maar geen vergeving. De Arend bleef een gestoorde gek, ‘nee’, schrijft de ik, ‘nee… ik kan nog altijd geen medelijden met je krijgen.’ Dit luchtte me op, ik wil geen romans lezen waarin voor alles begrip wordt opgebracht. Zeg maar gewoon wat je vindt. Birney schreef een uitermate gedreven roman, waarop het nuffige woord ‘mooi’ niet van toepassing is. Een bittermooie roman is dit, waar ik nog steeds over loop te peinzen.


Beeld: Alfred Birney kan alles aan (Patricia Börger)