Klasgenoten

Met zijn net verschenen Wittgenstein-studie The Jew of Linz (hier vertaald als Een joodse jongen) bewijst de Australische filosoof Kimberley Cornish dat het academisch niveau in zijn land inmiddels lucide toppen heeft bereikt. Cornish, gevormd aan de universiteit van Western Australia, gewezen leerling van Paul Feyerabend aan de Universiteit in Auckland, Nieuw-Zeeland, schreef een biografisch-historische studie die bij elke Nederlandse ‘vakhistoricus’ de nekharen recht overeind zou jagen: een filologische thriller, speculatief, met zevenmijlslaarzen door de wereldgeschiedenis stappend. Maar wie zijn boek openslaat, legt het niet eerder neer totdat ook de laatste pagina koortsachtig is verslonden.

De kritiek richtte zich vooral op de hoofdstukken waarin Cornish beweert dat het antisemitisme van Adolf Hitler een rechtsstreeks uitvloeisel was van diens ontmoeting als schooljongen met Ludwig Wittgenstein. Hitler en Wittgenstein, beiden geboren in april 1889, zaten in 1904 op dezelfde Realschule in Linz, zij het met twee klassen verschil: Wittgenstein, telg uit een chic industrieel geslacht, had een klas overgeslagen, terwijl Hitler, de kleinsteedse pummel uit Braunau, een jaartje achter lag. Tot dusver gold dit gedeelde verleden als een curieus detail in beider biografieën. Cornish beet zich er pitbullsgewijs in vast en blies het op tot de meeste cruciale gebeurtenis van de twintigste eeuw.
In Mein Kampf schreef Hitler dat hij zijn antisemitisme bepaald niet met de paplepel had meegekregen. Hij vervolgt: ‘Op de Realschule leerde ik echter een joodse jongen kennen die door ons allemaal omzichtig behandeld werd, maar alleen omdat wij hem wat betreft zijn zwijgzaamheid, wijs geworden door verschillende ervaringen, niet helemaal meer vertrouwden.’ Dat zette Cornish op het spoor. En het moet gezegd, aan de hand van teksten van Hitler, Wittgenstein, hun tijdgenoten en biografen komt hij een heel eind in zijn theorie over de magische kruisbestuiving tussen de tiran en de denker.
Wittgenstein had een diep ongelukkige tijd in Linz. Zijn vader, industrieel en publicist, had hem uit het chique salonleven van Wenen verbannen. Ludwigs broer Rudolf had net zelfmoord gepleegd vanwege schuldgevoel over zijn homoseksualtieit, een andere broer had twee jaar daarvoor hetzelfde gedaan, en de frêle, kleine Ludwig moest maar eens het harde mannenleven leren kennen tussen de jongens van het volk in Linz. Met Adolf Hitler als persoonlijke kwelduivel brak hem dat kwalijk op. Ten bewijze dat de twee elkaar kenden presenteert Cornish een foto van de school uit Linz waarop volgens hem zowel Hitler als Wittgenstein staan. Sceptici hebben beweerd dat het onaannemelijk is dat de twee samen op de foto staan, daar ze geen klasgenoten waren. Cornish schrijft dat het even goed kan gaan om een foto van leeftijdgenoten. Hij liet de foto onderzoeken door de foto-identificatieafdeling van de politie in Victoria. Deze kwam tot de conclusie dat het voor 99 procent zeker is dat het inderdaad gaat om Hitler en Wittgenstein. Eerder deelden de twee schooljongens een obsessie voor de muziek van Wagner en bezochten zij beiden geregeld het operahuis van Linz, ook niet bepaald een hobby die men bij veel vijftienjarige knapen zal hebben aangetroffen in 1904. Cornish stuitte verder in Mein Kampf op antisemitische scheldkanonnades die regelrecht op het lijf leken te zijn geschreven van Ludwig Wittgenstein en diens familie. Hitler schuimbekt over 'hofjoden’, die zich met hun kapitaal een weg verschaffen naar de adel, die daardoor 'degenereert’.
Wittgensteins overgrootvader Moses Maier was een jood. Diens zoon trouwde in in het doorluchtige geslacht van de Von Sayns-Wittgenstein, een Duits vorstengeslacht. Ludwigs grootvader bekeerde zich tot het christendom en verbood zijn dochters uidrukkelijk om met joden te trouwen. De Wittgensteins stonden aan het hoofd van een groot imperium in ijzer en staal. Het was precies de familiegeschiedenis die Hitler stimuleerde in zijn paranoïde fantasieën over verborgen joodse machten. Niet voor niets, merkt Cornish op, liet Hitler als dictator aan zijn biografen weten dat hij 'het wezen van de wereldgeschiedenis reeds doorgrondde op zijn middelbare school’.
In die tijd in Linz beschouwde Ludwig Wittgenstein zichzelf nog als een volbloed Germaan. Pas later werd hij zijn joodse roots gewaar en zou hij zijn filosofie als 'door en door joods’ bestempelen. De kennis van het wezen van Adolf Hitler zou Wittgenstein hebben aangezet tot een persoonlijke vendetta vanuit Cambridge, waar hij in de jaren dertig colleges gaf in de filosofie. En daar komt Cornish’ tweede spektakelstuk: het zou niemand minder dan Wittgenstein zijn geweest die de mysterieuze werver was van Britse jongemannen uit de gegoede kringen ten bate van Stalins spionageapparaat binnen de Britse society. Guy Burgess, Kim Philby en Anthony Blunt, de drie ex-Cambridge-studenten die decennia voor de Russen bleken te hebben gespioneerd, zouden door Wittgenstein persoonlijk zijn geworven op het Trinity-college in Cambridge. De drie waren inderdaad allemaal lid van The Apostels, de exclusieve debatingclub waar Wittgenstein in Cambridge ook lid van was en waar hij als een halfgod werd vereerd. Zowel Wittgenstein als zijn pupillen waren de herenliefde toegedaan. Geen van de pas na dertig jaar tegen de lamp gelopen agenten heeft ooit willen bekennen wie de man was die hen als student ronselde voor Moskou. Maar Cornish is er zeker van: het was Ludwig Wittgenstein, de mysticus, de asceet. Werd Wittgenstein in 1935 niet opeens een leerstoel filosofie aangeboden aan de Lenin Universiteit van Kazan? En was Wittgenstein niet tot op het laatst een overtuigd stalinist, die werkgelegenheid belangrijker vond dan de kwellingen van de dictatuur van het proletariaat? Cornish komt met zoveel 'circumstantial evidence’ dat je als lezer uiteindelijk wel door de knieën wilt gaan. Of het waar is, is natuurlijk een heel ander verhaal. Het zou in ieder geval kunnen. Cornish tart met zijn boek hoe dan ook de slotvermaning van de Tractatus logico-philosophicus: 'Waarvan men niet kan spreken, daarover moet men zwijgen.’