Economie

Klassenstrijd?

Keynes had gelijk toen hij zei dat de wereld wordt geregeerd door ideeën. Maar helaas was Keynes niet vrij van professionele arrogantie. Alleen economische theorieën schreef hij namelijk waarmakende macht toe, terwijl de doordrukstrip van het denken toch echt meer bevat dan dat soort farmaceutica. Denk aan het gezonken cultuurgoed van de psychoanalyse. Zelfs mijn Turkse buurvrouw gebruikt de gladde kiezels van Freuds meervoudige persoonlijkheid om de stille wateren van haar ziel in een patroon te schikken. Denk ook aan het gevulgariseerde denken van Darwin dat tegenwoordig steeds meer het denken over instituties, ondernemingen en economieën bepaalt.
Maar het duidelijkste voorbeeld is op dit moment toch echt de vulgata marxistica. Van links tot rechts, van bedachtzaam tot stenensmijtend, van journalist tot fietsenmaker, van jong tot oud bedient men zich van het verhaal van de klassenstrijd om de crisis te duiden. Uiteraard hebben de tijgers van de jaren zeventig in de krochten van de universiteit op een dieet van oude meesters, radicale Fransen en kritische Duitsers decennialang de herinnering aan de klassenstrijd levend gehouden. Maar dat is een geluid dat al tijden fluisterend de wereldgeschiedenis begeleidt en is om die reden al te vertrouwd.
Verrassender is het marxisme dat sinds kort uit de kelen van middenstanders als NRC Handelsblad-journalist Menno Tamminga en PvdA-Kamerlid Paul Tang opklinkt. Als betrof het een affiche van Albert Hahn schetsen zij beelden van graaiende bankiers die tante Truus en ome Jan jarenlang hebben uitgezogen en nu de rekening voor hun gelag doodleuk bij de staat deponeren. In deze infantiele klassenstrijd draait het om onschuldige sappelaars die massaal het willoze slachtoffer zijn geworden van de machinaties van nietsontziende kapitalistische geldwolven.
Het verbaast me niet dat er behoefte bestaat aan simpele soaps over de crisis en ook niet dat bijvoorbeeld de tribunen van de SP in dit soort soaps grossieren, wel dat schijnbaar goed geïnformeerde, ideologisch onbezwangerden als Tang en Tamminga zich ervan bedienen. Er zijn drie redenen waarom je van hen meer had mogen verwachten. Ten eerste is ons kapitalisme al heel lang pensioenfondskapitalisme. Vrij naar Sartre: de kapitalist, dat zijn wij zelf. Meer dan achttienduizend miljard dollar beheerden pensioenfondsen wereldwijd aan de vooravond van de crisis, waarvan zeshonderd miljard van Nederlandse bodem. Daarmee is jarenlang tot ieders tevredenheid de Anglo-Amerikaanse geldmachine gevoerd. Wij zijn dan ook minstens even schuldig aan de Amerikaanse hypotheekbel als de Chinezen. En ook als het gaat om hebberigheid en schraapzucht hebben wij duimendik boter op het hoofd. Wie herinnert zich nog de opsplitsingsbrief van TCI aan ABN Amro, die april 2007 ter stemming voorlag? ABP en PGGM stemden voor; het rendement woog zwaarder dan nationaal erfgoed of het lot van de werknemers van De Bank!
Ten tweede steunt de soap van Tang en Tamminga op een licht versleutelde complottheorie. De kapitalist kent zijn belangen, weet hoe hij die kan verwezenlijken, beschikt over de middelen om dat te doen en wordt beloond met bonussen terwijl de arbeider het nakijken heeft. Aan de wortel van deze vertelling ligt een model van menselijk handelen dat sociaal-wetenschappelijk onder vuur ligt. Economen zijn in reactie op de crisis naarstig hun homo economicus gaan vervangen door de homo sentimentalis van de sociaal-psychologie. En binnen de sociologie is al langer een herontdekking gaande van het leerstuk van de ‘onbedoelde neveneffecten’; toeval, (on)geluk en stupiditeit zijn voor een goed begrip van de geschiedenis belangrijker dan belangen, bedoelingen en daadkracht. Dat geldt ook voor deze crisis. Eerder dan een kapitalistisch complot laat het zich lezen als een hilarische comedy of errors. Bankiers zijn dom, kortzichtig en gemakzuchtig en zijn kuddedieren; het zijn net mensen! Wat we ze kunnen verwijten is dat ze zich als onfeilbaar hebben voorgedaan (en zich daarnaar hebben laten betalen), niet dat ze feilbaar zijn gebleken.
Ten derde heeft de werkelijkheid die in de soap van Tang en Tamminga wordt ge(re)presenteerd zichzelf waarmakende effecten. Tegemoetkomend aan een diepgewortelde menselijke behoefte aan een simpele whodunit bevat het verhaal van de klassenstrijd een mobiliserende oproep tot actie, in dit geval: hang de schuldigen! Zo bezien loopt er een directe lijn van Tang en Tamminga naar de bekraste auto van Sir Fred Goodwin, de stoeptegel die op 2 april in Londen de etalageruit van RBS verbrijzelde en de strip in de schoolkrant van mijn dochter die het aloude thema van de bankovervaller en de bankier subtiel omdraait. Van goede journalisten mag je meer respect voor de feiten verwachten, van verstandige politici meer ontzag voor de performatieve macht van ideeën.