Pieter Hilhorst

Klassenstrijd

Marx leeft! De nieuwe klassenstrijd gaat echter niet tussen arbeiders en kapitalisten, maar tussen werknemers mét en werknemers zonder kinderen. Enige tijd geleden bleek uit een enquête dat de kinderlozen klagen over de dubbele loyaliteit van hun met kroost gezegende collegae. De nageslachtlozen vinden dat de anderen zich drukken. Overwerk is er niet bij, want de crèche sluit. Vrouwen die zorg en arbeid proberen te combineren, klagen daarentegen over hun gebrekkige carrière perspectieven. En gelijk hebben ze. Moeders werken doorgaans in deeltijd. In vrijwel alle sectoren wordt de top gevormd door meer dan fulltime werkende mensen die óf geen kinderen hebben óf de beschikking hebben over een huismuspartner die voor kinderen zorgt, man warm eten voert en overhemden strijkt. Veel verandering zit er daar niet in. Uit het SCP-rapport De kunst van het combineren: Taakverdeling onder partners, dat afgelopen week verscheen, blijkt dat het aantal mannen dat in deeltijd werkt al jaren schommelt rond de elf procent. Eenderde van de hoger opgeleide vrouwen krijgt inmiddels geen kinderen meer. Zij weten dat het combineren van kind en carrière een illusie is.

Wie de rivaliteit tussen de beide typen werknemers een klassenstrijd noemt, kan meestal rekenen op sussende bezweringen: zo erg is het niet. Toch is er zonder meer sprake van uitbuiting. De ouders nemen namelijk de verantwoordelijkheid op zich voor de werknemers van morgen. Daar betalen ze een forse prijs voor. Hun loopbaan is minder florissant. Toch hebben ze straks niet meer recht dan de kinderlozen op een goed pensioen en een prettige ziekenverzorger. Zoals bij alle verworpenen der aarde het geval is, hebben ook werkende ouders vaak een vals bewustzijn. Ze proberen zo goed en zo kwaad als het kan de hun op het werk toebedeelde taken naar behoren te vervullen zonder dat de kinderen eronder lijden en geven als het mislukt zichzelf de schuld. Het woord sorry ligt hen permanent op de lippen.

Als werkende en zorgende vader heb ik enige tijd geleden besloten deze schroom van mij af te werpen. Een klassenstrijd win je niet als je bang bent om te vechten. Dus probeer ik zoveel mogelijk taken af te wentelen op collega’s zonder kinderen. Als een vergadering wordt verzet naar een ander tijdstip neem ik mijn zoontje mee, en wee degene die er een opmerking over waagt te maken. Werkbesprekingen plan ik het liefst ’s avonds als de kinderen naar bed zijn. Kortom, ik gedraag me als een klootzak. Ik doe waar mannen altijd goed in zijn geweest: ik laat anderen opdraaien voor mijn genoegens. Maar door de nieuwe klassenstrijd heb ik er nu een nobele rechtvaardiging voor gevonden. Dit is mijn bescheiden bijdrage aan een betere wereld.

Ik probeer de spanning tussen de ouders en de kinderlozen verder op te voeren. Bij lieve vrede is niemand gebaat. Dan verandert er niets. Pas als andere ouders zich net zo asociaal gaan gedragen als ik ontstaat de noodzaak voor structurele oplossingen. Dan zullen werkgevers er alles aan doen om de kinderopvang te verbeteren en de cultuur binnen hun bedrijf vriendelijker te maken voor werk en zorg combinerende ouders. Pas dan verdwijnt de praktijk dat alleen wie meeborrelt, meetelt. Mensen met wie ik samenwerk, zullen het misschien niet onmiddellijk begrijpen, maar eigenlijk ben ik een eigentijdse revolutionair: de Che Guevara van het Werkende Ouders Front.