Ger Groot

Klassieken

Niet alles wat klassiek is verkoopt goed, maar sinds een paar jaar hebben schrijvers uit de Oudheid de wind in de zeilen. Vanzelfsprekend is dat niet. Enkele tientallen jaren geleden waren er van Caesar, Ovidius of Xenophon nauwelijks vertalingen te vinden. De tijdgeest stond niet erg naar traditie. De doorbraak van het nieuwe was niet alleen opwindend, maar gold ook als cultureel en literair criterium tout court.

Achteraf gezien vond daarin de laatste opleving plaats van de avant-gardistische gedachte dat geschiedenis vooruitgang en die weer een repeteergeweer van revoluties is. Het postmodernisme zou niet veel later korte metten maken met die kunst- en geschiedfilosofie en het échec daarvan tot zijn voornaamste thema maken.

De huidige wending tot de klassieken – niet alleen uit de Oudheid maar ook uit de geconsolideerde moderniteit van de achttiende en negentiende eeuw – is gemakkelijk verdacht gemaakt. De hernieuwde roep om een canon stuit hier en daar nog wel op weerstand, maar dat lijkt een achterhoedegevecht voor een cultuur die weerom haar klassieke fundament zoekt. Wie in het huidige tijdsgewricht vooral regressie aan het werk ziet, vindt in de heropleving van de geconsacreerde schrijvers gemakkelijk bevestiging.

In het januari-nummer van het maandblad Streven verdedigt vertaler en classicus Vincent Hunnik de noodzaak van een klassieke canon als een voorwaarde voor iedere cultuur. Niet alleen bestaat een dergelijk repertoire nu eenmaal en is de ontkenning ervan zinloos, de omgang ermee staat ook garant voor het besef van een historische continuïteit waarin niet alleen een beschaving maar zelfs een heden pas kan bestaan.

Dat betekent volgens Hunnik niet dat canonische schrijvers ons tot bewondering moeten dwingen. «Aristoteles, Thucydides, Cicero en Livius vervullen me vaak met weerzin en afschuw», schrijft hij. «Dat mag. We zijn vrije lezers. Áls we de canon maar lezen.» Cornelis Verhoeven bracht die tweeslachtigheid na het vertalen van vele honderden bladzijden Seneca ooit nog hartgrondiger onder woorden: «Als ik ergens een verschrikkelijke hekel heb gekregen, dan is het wel aan die mijnheer Seneca. <…> Ik heb bij wijze van spreken van Amsterdam tot Parijs met Seneca in de trein gezeten en al die tijd zat die vent op zijn tanden te zuigen. Bij Dordt kon ik hem al bijna het raam uit lazeren.»

Waarom dan toch de canon lezen? Omdat die schrijvers onze geschiedenis gemaakt hebben en omdat zij op haar beurt hen weer heeft gemaakt, antwoordt Hunnik. «Juist die opeenvolgende ‹tijdlagen› in deze canonieke teksten maakt ze zo bijzonder en steeds rijker. Door een klassieke canon-tekst komen we in contact met het verre verleden én met de eeuwen die erop volgen.»

En dus ook met onszelf, zo zou je daaraan kunnen toevoegen – al hoeft dat niet altijd een genoegen te zijn. Het verzet tegen het verleden dat de canon tot taboe maakte, was voor de jaren zestig en zeventig ook een vorm van heruitvinding van zichzelf. Ze wisten wat ze wilden worden omdat ze wisten wat ze niet wilden blijven.

In dat opzicht zijn ze heel succesvol geweest. De generaties die nog Homeros of Vergilius hebben moeten vertalen staan op het punt van uitsterven. Met de canon is bijna niemand meer gevormd of opgevoed, en juist daarom klinkt de roep daarom weer op. Niet per se uit conform- of conservatisme. Zelfs een revolutie kan zich pas tegen het verleden keren wanneer ze een verleden heeft.

De jaren zestig konden zich hun opstand tegen de canon permitteren omdat die nog vanzelfsprekendheid bezat. In de decennia die daarop volgden stootte de revolutie-idee op haar eigen uitputting en tegenspraak. Wat overbleef was niet de belofte maar wel de kaalslag ervan, waarop de bevrijdingswil was uitgelopen. Dat het daarbij niet blijven kon, bleek uit de heruitvinding van de klassieke bibliotheek. De lezer vond zijn afgebroken geschiedenis terug, zonder zich tot het verleden te veroor delen.