De toespraak van Jesse Klaver

‘Klaver klonk als een klok’

Christiaan Weijts in de NRC zag in de columns en de commentaren over Jesse Klaver een ongebruikelijke bewondering: ‘Nog geen week na zijn aantreden lijkt hij de gedoodverfde Linkse Messias te zijn. Dat is niet slecht, voor een marginale partij (vier Kamerzetels), en voor een speech vol knip- en plakquotes, plus een afgekeken trucje uit Borgen (‘Mij is afgeraden dit te zeggen’).’

Marcel Duyvestijn in _Het Parool w_as een paar dagen eerder nog stelliger: ‘Jesse Klaver is de nieuwe God. En hij weet het. Dat zag je aan zijn gebaren. Hij zwaaide als een popster, iemand die weet hoe het is om complimenten in ontvangst te nemen.’

Messias of God, het hangt van je krant af. Het is natuurlijk allemaal bij wijze van spreken, en het is niet meer dan eenvoudige spot. Niet alle commentaren getuigen trouwens van de ongebruikelijke bewondering waar Weijts het over heeft. In de Volkskrant las ik commentaar van Nausicaa Marbe, columniste van De Telegraaf: ‘Ook de manier waarop Klaver zich presenteerde was een egotrip, alsof hij net de Amerikaanse verkiezingen had gewonnen.’ Nu hoef je in zo’n commentaar geen fijnzinnige subtiliteiten te verwachten, maar deze vergelijking is zwaar overdreven. Klaver was blij en enthousiast, maar niet triomfantelijk.

Er schuilt altijd van alles in de woordkeus van de commentator. Je kunt het moment waarop Bram van Ojik terugtrad en Jesse Klaver presenteerde als zijn opvolger ‘goed getimed’ noemen, maar je kunt het ook een ‘slimme timing’ noemen. Je kunt Klaver de nieuwe God noemen, maar je kunt ook zeggen dat zijn optreden zelfverzekerd is.

Veel commentatoren moesten trouwens aan Amerika denken. In de Volkskrant had Raoul du Pré het over een Amerikaans aandoende presentatie: ‘Hij maakt zijn biografie (een jeugd vol obstakels, van ver gekomen) integraal onderdeel van zijn boodschap: blijf in jezelf geloven en je kunt ver komen.’

Als Jesse Klaver al een trucje heeft afgekeken uit Borgen, wat zou daar eigenlijk tegen zijn?

Vooral dat er iets Amerikaans in Klavers optreden zit, begon me steeds meer te interesseren. Ik herinnerde me een helder en voortvarend betoog, waar ik me geen seconde bij verveelde. Wie het over retorische trucjes heeft, bedient zichzelf van een retorisch trucje. De suggestie is: ik laat me niet misleiden door holle frases en opgeblazen taalgebruik. En als je het over retorische trucjes hebt, hoef je niet meer op de inhoud in te gaan.

Ik zou het toejuichen als er wat meer retorisch talent werd getoond in de Nederlandse politiek. Ik heb altijd met veel belangstelling de redevoeringen van Obama en andere Amerikaanse presidenten gelezen. Die toespraken staan bol van de zogenaamde retorische trucjes, maar ze roepen bij mij niet de minste ergernis op. Lees Fellow Citizens: The Penguin Book of U.S. Presidential Inaugural Addresses, en je gaat vanzelf van het genre houden.

In Amerikaanse kranten worden belangrijke toespraken geanalyseerd op de retorische kwaliteiten omdat zulke toespraken nu eenmaal tot de beslissende momenten in de politieke geschiedenis horen. In Nederland is die belangstelling onderontwikkeld. Dat tekent de Nederlandse afkeer van theater, maar ook een merkwaardige angst voor welsprekendheid.

Als je het over retorische trucjes hebt, maak je vooral duidelijk dat jij te slim bent om je het hoofd op hol te laten brengen door doeltreffend taalgebruik. Het is snel commentaar, oppervlakkig. En dan: als Jesse Klaver al een trucje heeft afgekeken uit Borgen, wat zou daar eigenlijk tegen zijn? Ik kan niet anders zeggen dan dat ik zijn optreden sterk vond.

Een serieuze analyse, gevolgd door de hele toespraak zelf trof ik op de website van de SpraakMakers. Frank van Hoorn behandelt de retorica van Klaver en komt op grond daarvan tot zijn oordeel: ‘Klaver klonk als een klok. In een land waar welsprekendheid in de regel weinig aandacht krijgt, is dat een grootse prestatie. (…) Het is lastig te voorspellen of Klaver een succesvol leider wordt. Maar afgaand op deze toespraak zou je denken: die jongen gaat ver komen, als hij niet te ver gaat.’