Kleddernaakt

WILLEM JAN OTTEN
WELKOM
G.A. van Oorschot, 72 blz., € 14,90

Stenenrapergeloof

Elke klinker neemt hij als een boek ter hand
en tikt hem met zijn hamer aan en duwt hem
op zijn plaats en klinkt hem strak, zo klinkt het,
klenk. Soms kijkt hij op en om zich heen,
er zijn er in de hitte meer als hij,
vastberaden weigeraars van horizon,
hangers aan het geloof dat alles
wat wij weten van waarheen de weg
alleen gekend kan zijn door het te rapen
van lukrake stapels langs het rulle zand.
Waarheid, leven, klenk, en knie voor knie
legt hij de weg af die hij eigenhandig legt.

Wie ergens ‘welkom’ wordt geheten, treedt een andere wereld binnen, stapt van buiten naar binnen, gaat een drempel over, een grens. Eind vorig jaar verscheen een nieuwe dichtbundel van Willem Jan Otten, met als titel Welkom, een uitnodiging om binnen te gaan in zijn poëzie. Meteen het voorportaal van de bundel biedt een glimp van de wereld die komen gaat. Anekdotiek, natuurobservaties, spreektaal, gedragen regels, hecht door klank, muziek en ritme ineengevlochten. Dit openingsgedicht, Tot mijn eerste lezer, is gesitueerd aan de rand van een bos en iets verder in het gedicht blijken scheidslijnen vloeibaar:
‘blijk jij tot mijn akker te zijn ingegaan,/ dwars door mij heen neem jij exact/ het pad dat nu jij dit begaat ontstaat.’
Wie het pad van de dichter wil verkennen, wordt wakker in de ‘Ochtenden’, de eerste afdeling van de bundel, en begeeft zich ergens tussen slapen en waken, tussen droom en werkelijkheid. Dat is bij Otten niet altijd een rustig ontwaken: ‘Schoot wakker uit een val dwars door een oppervlak’, of: ‘Moest ontwaken in een schacht geboord dwars door de nacht.’
Toch is er tussen dag en nacht, tussen droom en werkelijkheid een dunne lijn, een vlies, dat nu eens ‘kattenluikzwak’ gebroken wordt en een nieuw universum opent, dan weer beschermend terug doet gaan naar wat bekend is. Het is als het vlies dat breekt wanneer een kind het licht van de wereld gaat zien. Of als de fontanel, de nog beweeglijke, vliezige schedel van een pasgeboren baby. ‘Vlies’, ‘fontanel’, ‘eisprong’ – Otten zinspeelt nogal eens op de geboorte, bijna erotisch wordt het als hij schrijft: ‘Ik vang je blik/ en wil een kind’. Maar hoe vergeefs is die wens: ‘Je laatste eisprong is een eeuw geleden.’ Ik moest, over ‘welkom’ gesproken, ergens bij het lezen in deze reeks denken aan Tot de bellenblazer uit Eindaugustuswind (1998), over ‘zijn ene geboorte’, met de hartverscheurende regels: ‘Er werd terstond van mij gehouden,/ zoals er wordt gehouden van de zeer,/ zeer zeldzamen die voor je ogen/ ontstaan en dan kleddernaakt zijn.’
In Welkom is die geboorte, zoals meestal bij Otten, op meer dan één manier te lezen en behalve als het wonder van nieuw leven minstens evenzeer te begrijpen als de geboorte van het vers. Vele gedichten in deze bundel lezen als verslag van hun ontstaan – ‘Hoe kon ik, strekking, weten dat ik deze zin zou zijn’, opent het eerste gedicht –, meanderend over de pagina lijkt het vers zich soms te schrijven; daarbij klinken ook religieuze connotaties, wedergeboorte, ontdekken van nieuwe werelden, mee.
Bij Otten staat er, om Nijhoff te parafraseren, vrijwel altijd meer dan wat er staat. Altijd spelen verscheidene betekenissen een rol. Zelden schetst hij zomaar een mooi tafereel. Neem het zich bijna als een klankgedicht voortbewegende Stenenrapergeloof. Dat is behalve een ode aan het vakmanschap van stratenmaker die zijn stenen strak in de straat legt ook een moderne gelijkenis. De stratenmaker als een soort Jezus, die indachtig diens woorden ‘Ik ben de weg de waarheid en het leven’ zijn straat ineen klenkt en af gaat.
Maar nooit worden de gedichten tot een onontwarbaar kluwen. Altijd is er Ottens heldere taal, met schitterend secure regels als: ‘De stilte van het huis/ die kent zij goed, haar man is al een jaar of wat/ de matineuze zeepbel pats zodra zij naar hem tast’.
Als Penelope – de vrouw van Odysseus die meer dan eens in Ottens werk is te vinden – haalt hij steeds opnieuw vertrouwd materiaal uiteen en werkt dat om – vergelijk de dichter ook met de stratenmaker – tot hechte, gevarieerde verzen. Zoals Bahamontes hemelvaart, over de Spaanse wielrenner Bahamontes, die hij in het lange, smalle gedicht bijna letterlijk vanaf het papier ten hemel laat varen, of Bemerkende dat ik door een hernia mijn rechterhand niet kon gebruiken, een kleine opsomming van een leven aan de hand van handelingen die de rechterhand verrichtte, gericht tegen de linkerhand: ‘Nooit heb jij echt terdege neus/ gepeuterd, nooit van mijn rivaal/ de hand gedrukt’. En ook humor is Otten niet vreemd. In de reeks ‘Gerichte gedichten’, gebeden tot een u, tot God, het woord, lezen we

Zo u bestaat
dan moet nog worden uitgezocht
waar u gebleven bent.

Soms menen wij dat u bent blijven kleven
op de bodem van de brievenbus.

Het slotstuk van de bundel, ‘Eindeligt’, is een intrigerende, verhalende reeks van dertien gedichten over aankomst en vertrek, een reeks waarin veel van Ottens fascinaties terug te vinden zijn. Een ‘je’ komt aan op een eiland, wuift naar een zwaaiende hand op de rede, vraagt zich af of hij het ‘welkom’ van de vrouw naast hem aan dek niet jat. Hij krijgt een kamer in het pension, de dochter van de eigenaar ‘heeft geen stembanden/ maar schrijft wel poëzie’. De reeks maakt een rondgang, over het eiland, langs de bewegingen van eb en vloed, sterven en opnieuw geboren worden. In het laatste gedicht, waarin ook het Paasverhaal klinkt, komt de veerboot weer aan.

Je moest de nieuwelingen aan de reling zien,
daar op de boot, eer je eindelijk begreep
hoe ongeneeslijk welkom jij hebt willen zijn,

toen jij daar wuifde, welkom als de zoon.

Een prikkelende bundel, Welkom, ik heb er nog geen afscheid van kunnen nemen.