groen

Klef

Op pinkstermaandag liep ik met twee vrienden op de Mookerhei. Het was er stil, en daarom viel het vreemde geluid dat we hoorden goed op: het was of het bos zachtjes in brand stond, kleine vlammetjes in het droge blad op de grond. Toen we op het voorhoofd van één van ons een lichtgroene rups zagen kruipen, begrepen we wat er aan de hand was: duizenden rupsen lieten zich uit de eiken vallen die ze kaalgevreten hadden en landden met een knisperend tikje op de grond. Of op ons hoofd. We praatten over sport omdat we alle drie daarmee bezig zijn of waren. De een stimuleert sport en beweging om de gezondheid te bevorderen, een ander spit archieven door bij het NOC*NSF en ik denk graag dat ik nog steeds erg sportief ben. We kwamen langs een kennel waarin tientallen honden tekeergingen. In het laatste hok zat een grote hond alleen. De gezondheidsbevorderaar was wat sneller gaan lopen, die is zelfs doodsbang van een hertje dat tijdens het hardlopen zijn pad kruist. Ik liep naar het hok toe en schuierde de hond onder zijn kin. Dat vond hij lekker, hij drukte zich met zijn hele lijf tegen het hek aan.
‘Die columns van jou’, zei de archivaris later, toen we in een achtertuin zaten, met koude biertjes. 'Ja?’ zei ik. 'Nou’, zei hij aarzelend, maar pakte toen toch door: 'Ze zijn niet sentimenteel, dat wil ik niet zeggen. Maar ze zijn toch wel… nogal klef.’ De hertjesvrezer hield zijn mond. 'Zo voorspelbaar ook dat uitgerekend jij die hond gaat aaien.’ Dat zette me aan het denken. Ik dronk van mijn koude bier. 'Kom, we gaan jeu de boulen’, zei de hertjesvrezer. Dat deden we. Weer later, in de trein terug, dacht ik nog steeds. Ik besloot dat het niet erg was klef of voorspelbaar te zijn. Die hond had immers niet mijn vingers afgebeten. Ik las de VN, een interview met Pieter Boskma, die in tijden van rouw van heel dichtbij een havik had gezien. Eindelijk oog in oog, Hemelbroeder schreef hij daar bij thuiskomst over. Jawel.