Klef als bakbananen

Tommy Wieringa is niet trots op zijn debuut, Dormantique’s manco. Ik weet dit omdat hij het schreef aan recensent Coen Peppelenbos, die er in 1995, toen het boek uitkwam, een vernietigende bespreking aan wijdde. Peppelenbos plaatste jaren later de bespreking op zijn persoonlijke blog, waar Wieringa het tot zijn afgrijzen tegenkwam en vervolgens een mail schreef, die Peppelenbos op zijn beurt onder de afbraakrecensie (‘Een onsamenhangend geheel’) voegde: 'Beste Coen, (…) Ik probeer de eerste twee romans langzaam uit het zicht te laten verdwijnen; jeugdwerk, ongedisciplineerde erupties. Dat verdomde internet: terwijl ik me per boek vernieuw, sleept er altijd die dode staart van oude informatie achter me aan. Ik zal onder pseudoniem verder moeten.’
Wieringa schreef de mail in 2005, het jaar van zijn definitieve doorbraak met Joe Speedboot. Het tweede boek waar hij in zijn mail aan refereert is Amok uit 1997. Ook dat boek kon wat Wieringa betreft probleemloos vergeten worden.
Maar dan google je verder en kom je een herdruk tegen van Dormantique’s manco, uit… 2005. Om de kaft van deze herdruk een bandje met daarop de quote: 'Bas Dormantique uit Dormantique’s manco en Léon Fischer uit Amok zijn even overdonderend en ontroerend als Joe Speedboot.’
Waar hebben we hier mee te maken? Een auteur die leeft naar Mulisch’ adagium 'het beste is, het raadsel te vergroten’? Of met een handige uitgever (In de Knipscheer) die voorbij ging aan Wieringa’s gêne voor zijn jeugdwerk en al te gretig op het succes van Joe Speedboot (De Bezige Bij) probeerde in te haken?
Maskerade of niet, Dormantique’s manco is nog makkelijk verkrijgbaar voor iedereen die kennis wil nemen van Wieringa’s jeugdwerk. Ik heb een Rainbow-editie (1997) in mijn bezit die ik in 2006 uit de bakken van De Slegte viste. Toegegeven, ik zou het hebben laten liggen als ik niet eerder het overrompelende Joe Speedboot had gelezen. Plotseling was Nederland een literaire gigant rijker, terwijl ik tot Joe Speedboot nog nooit van hem gehoord had. Alleen al vanwege deze plotse en stormachtige opkomst verdiende zijn eerste werk nadere beschouwing.
Een objectieve lezing van dit debuut is bijna onmogelijk. Het is het lot van het boek geworden om als vooraankondiging te dienen van Wieringa’s beste werk, Joe Speedboot. Ik ga mij dan ook niet aan de hypothese wagen hoe ik het boek beoordeeld zou hebben als ik het bij verschijnen ter bespreking had gekregen. Daarbij: in 1995 was ik zestien jaar oud en hield ik mij met andere zaken bezig dan met literatuur.
Maar verdient het het oordeel 'een onsamenhangend geheel’ dat Peppelenbos erover velde? Nee, absoluut niet, dat gaat eerder op voor de bespreking van Peppelenbos zelf. Niet alleen las hij het boek slecht en vatte hij het nog slechter samen, hij overspeelt ook nog eens zijn hand door de debutant Wieringa te vertellen hoe hij het boek wél had kunnen schrijven. Gelukkig schreef Wieringa het boek voordat hij kennis maakte met de aanmatigende toon van Peppelenbos, want als dit debuut iets is, dan is het wel een buitengewoon samenhangende literaire prestatie van een opmerkelijk talent.
Wieringa onderscheidt zich allereerst van veel debutanten door snel en krachtig duidelijk te maken welk verhaal hij te vertellen heeft, en, om met Hermans te spreken, ons aan het oor door het boek te sleuren. Bas Dormantique, dat is de protagonist. Dertiger, afwasser in een Mexicaans restaurant en zonder eind gekweld door onuitwisbare herinneringen aan zijn jeugd. Dat is zijn manco, het onvermogen om te vergeten. In zijn geheugen is gegrift de herinnering aan zijn jeugdliefde Nina en de herinnering aan zijn twee boezemvrienden, de broers Friedrich en Louis. Wieringa schetst een zwartgallige en ploeterende man die zijn leven en zijn herinneringen niet meer kan dragen en wegvlucht, letterlijk, naar Marokko, ver weg van de zompige ellende die zijn leven in Nederland was.
Er is één probleem met dit boek dat het tot een typisch debuut maakt en dat is de mateloosheid ervan. Wieringa wilde van deze Dormantique zo graag een man maken die verstrikt is geraakt in zichzelf dat hij nalaat iets aan de suggestie over te laten. De lezer wordt weinig ruimte gegund om zelf tot het inzicht te komen hoe zwaar de herinneringen op Dormantique drukken. Wieringa zit deze mogelijkheid tot interpretatie nog te veel in de weg met 'ongedisciplineerde erupties’, zoals hij dat zelf noemt. Maar het zijn wel erupties zoals je die vaker zou willen lezen bij een debutant. Mensen zijn 'klef als bakbananen’, of 'nieuwsgierig als een nest jonge katten’ en als jeugdvriend Louis van een arts te horen krijgt dat hij stervende is, dan heet het laconiek 'alsof hij een verdeelcentrum voor leven en dood bezocht, eentje waar ze altijd karig waren en nooit eens genereus’. In deze metaforen dient zich de latere Wieringa aan.
Het is een opmerkelijk zelfverzekerd debuut. Soms iets te zelfverzekerd, de jonge Wieringa wil vooral laten zien hoe goed hij zijn karakters doorheeft. Maar het is aan de andere kant stijlvast zoals maar weinig debuten zijn. Thematisch is het wellicht niet wereldschokkend (en ik vermoed dat dat Wieringa’s grootste probleem is met het boek), maar daarvoor is het een jeugdwerk, de wereld buiten de eigen oevers is het beschrijven nog niet waard. Niettemin, ik las het boek nu een tweede keer en probeerde het net zo streng te beoordelen als Wieringa dat doet, maar mijn conclusie blijft ongewijzigd: dit is een jeugdwerk om trots op te zijn.


TOMMY WIERINGA
DORMANTIQUE’S MANCO
In de Knipscheer, 2005 (oorspr. 1995), 231 blz., € 15,75